Vele jaren voordat ds. P. Groenenberg preses werd van de GS Zuidhorn, schreef hij een aantal schriftoverdenkingen in het bijbels dagboekje 'De kracht van hunne kracht'.
Ik hoop dat iedere 'volgeling' van de synode de moeite wil nemen om het onderstaande te lezen:
Het vierde wetswoord heeft al heel wat pennen in beweging gebracht. In de discussie hierover speelt o.a. deze vraag een rol, of de sabbat een scheppings-ordening is of een dag, die de Here alleen het volk Israël oplegde om die te onderhouden. Voor hen, die van mening zijn, dat de wet der tien geboden voor de Nieuwtestamentische kerk nog ten volle geldigheid heeft, is deze vraag minder relevant. Maar voor hen, die de mening zijn toegedaan, dat die wet nu geen geldigheid meer heeft, omdat deze behoort tot de Mozaïsche of ceremoniële wetten, die door Christus zijn afgeschaft, is de vraag wel van belang. Daartoe zullen we onze aandacht moeten richten op de openbaring van de Schrift over dit punt. We zien eerst naar Ex. 16. Tussen Gen. 2, waar sprake is van het rusten van God op de zevende dag, en Ex. 16 wordt de sabbat niet genoemd. Indien in Ex. 16 de sabbat als bekend wordt verondersteld, dan ligt de conclusie voor de hand, dat deze bij de schepping moet zijn ingesteld.
In Ex. 16 gaat het over het inzamelen van manna. De Here zegt tegen Mozes, dat de Israëlieten op de zesde dag dubbel zoveel zullen verzamelen als op de andere dagen. Dat zegt de Here tegen Mozes. Maar nergens blijkt uit Ex. 16, dat Mozes dit aan het volk meedeelt. Desondanks verzamelt het volk op de zesde dag een dubbele portie. En op de zevende dag is het niet bedorven. Dit veronderstelt toch, dat het volk bekend is met de sabbat. Bovendien, wanneer de leiders van het volk aan Mo-zes vertellen, dat het volk op de zesde dag tweemaal zoveel verzameld heeft als op de andere dagen, zegt Mozes tot hen, vs. 23: „Dit is het, wat de Here gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Here”.
Uit Ex. 16 mogen we dus concluderen, dat de sabbat reeds bekend is aan de Israëlieten. Dit rechtvaardigt ook de conclusie, dat deze bij de schepping is ingesteld.
(....)
We richten nu onze aandacht op de schepping. In Gen. 2:3 lezen we, dat God op de zevende dag rust, nadat Hij Zijn werk der schepping heeft voltooid. Zo zeggen we het eigenlijk niet goed. Want God voltooit op de zevende dag Zijn werk en Hij rust op de zevende dag. Immers, God schept op die dag de rustdag. In zes dagen maakt Hij de scheppingsprodukten af, maar op de zevende dag voltooit Hij de schepping door een rustdag, een sabbat te scheppen. Door de zevende dag krijgt de schepping haar hoogtepunt. Dat blijkt ook hieruit, dat God die dag zegent en heiligt. Doordat God de zevende dag zegent, maakt Hij die dag tot een bron van Goddelijke en geestelijke kracht. (J. Francke, Van Sabbat naar Zondag). Doordat God de zevende dag ook heiligt, zondert Hij die dag speciaal af tot Zijn dienst. Hij zet die dag apart. Daarom, wordt de sabbat een feestdag. Ook voor de mens. De mens rust op de sabbat met God. Zo is de scheppingssabbat eeuwig. Die geldt niet alleen voor Israël, maar voor de mens van alle eeuwen. O ja. God geeft aan Israël later het bevel om de sabbat te onderhouden. Maar daarbij grijpt de Here terug naar de schepping.
De sabbat dateert vanaf de schepping en heeft z’n kracht behouden, ook voor hen, die menen, dat de tien geboden behoren tot de ceremoniële wetten, die met Christus’ komst opgehouden hebben te bestaan. Het verbod van arbeid op zondag blijft, omdat de sabbat een scheppingsorde is. De kerk heeft de sabbat niet losgeknipt van de andere Israëlitische sabbatten, zoals wel beweerd wordt. De Here Zelf heeft de wekelijkse sabbat uit het geheel van de Israëlitische sabbatten-cyclus gehaald en daarvan gezegd in het vierde gebod: Gedenk die.
Wij hebben niet meer de sabbat, maar de zondag, de eerste dag der week. Want Christus stond op de eerste dag der week op uit de doden. God geeft ons deze feestelijke dag om daarop in het bijzonder de lof des Heren te verkondigen.
(....)
Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt ... Want In zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die. Ex. 20:8-11.
God heeft ons de rustdag geschonken. En nu lijkt het vreemd, als we zeggen, dat er op die rustdag voor Gods kinderen werk aan de winkel is. Maar het is niet vreemd. Wanneer we Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus lezen, merken we, dat die maar amper spreekt van rusten. We moeten de kerkdienst onderhouden; we moeten naarstig naar de gemeente Gods komen om Gods Woord te horen, God de Here openlijk aan te roepen, de sacramenten te gebruiken en de armen christelijke handreiking te doen. Al deze termen spreken van aktie. Er zit vaart en aktiviteit in. Als we enkel maar niet werken, zijn we gelijk aan de man van de wereld, die niet werkt. Maar wij moeten het predikambt onderhouden. We moeten ons geld afstaan voor de opleiding tot de dienst des Woords, opdat dat werk goede voortgang nebbe. Dan moeten we ons ook beijveren om de kerkdiensten bij te wonen en niet om elk wissewasje thuisblijven. Nu hebben we de gelegenheid nog, die we moeten aangrijpen. Het moet ons begonnen zijn om het horen naar het Woord van God. We zullen in de kerk samen bidden. We zullen er met elkaar, staande in de gemeenschap der heiligen, de sacramenten gebruiken. Niet voor niets geeft de Here ons een rust-dag om die een werkdag voor Hem te doen zijn. Als we zo de zondag bezien, kan het geen vervelende dag zijn. Dan zijn we op die dag bezield van één ding: dat we die dag heiligen.
Dat is ook de reden, dat de christen ernst maakt met de zondag; dat hij weigert niet-noodzakelijke arbeid te verrichten, en zich verzet tegen de continu-arbeid, die de zondag in gevaar brengt. We zullen stellen, dat het economisch goed zal gaan, wanneer de zondag wordt geheiligd; wanneer er gelegenheid is om op zondag geestelijk te tanken om in de week te kunnen rijden.
Zo alleen, als we leven naar de eis van het vierde gebod, vangen we hier de eeuwige sabbat aan en zal de sabbatsrust straks volkomen zijn.