Toch kun je die link met het avondmaal niet helemaal weglaten.
Vanaf het vroegste begin is het grondpatroon van de samenkomst: woorddienst, tafeldienst.
"Zij volharden in de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed." (Hand 2:42) Ook in de geschiedenis van de Emmaüs gangers zie je het patroon: eerst uitleg van de schrift, dan breken van het brood.
Pas in de elfde eeuw (in 1014) werd het credo definitief aan de liturgie toegevoegd. En wel
tussen de dienst van het woord en de dienst van de tafel. Je zou het kunnen zien als instemming van de gemeente na het verkondigde woord. Wij verklaren als gemeente dat we geloven in die God, die ons verkondigd is en die tot ons gesproken heeft. Dat we dat staande doen is teken dat we het menen. Als je een verklaring aflegt is het gepast om daarbij te gaan staan. Denk bijvoorbeeld aan de inhuldiging van een staatshoofd of president. Of aan iemand die een eed aflegt. Die blijft ook niet zitten.
In deze zin is de geloofsbelijdenis een mooie overgang van schrift naar tafel. Voordat we daadwerkelijk in beweging komen om de tekenen van het heil te ontvangen, belijden we dat we het heil van die God verwachten naar wie die tekenen verwijzen.
Historisch gezien hoort de geloofsbelijdenis dus in de ochtenddienst tussen de woordbediening en het avondmaal. Het is jammer dat dat bij ons een beetje in de war geraakt is.
Liturgisch gezien ben ik het dus eens met de stelling waarmee bert dit topic begon:
quote:
Stelling: als je de geloofsbelijdenis meezingt, doe je belijdenis van het geloof en mag je dus ook aan het avondmaal.
Maar er kan inderdaad enige spanning ontstaan tussen het liturgische en kerkrechtelijke aspect. Hoe één en ander in afspraken en regels is vormgegeven (wat nodig is), moet niet uitgespeeld worden tegen de liturgische praktijk. Deze moeten elkaar versterken. In de praktijk niet altijd even makkelijk.