quote:
op 05 Mar 2004 09:03:53 schreef Scholasticus:
[...]
Het onderscheid tussen moreel en ceremonieel (officieel hoort daar ook nog civiel bij) is wel zinvol, maar kan ook gauw te strak gehanteerd worden. Naar mijn overtuiging doet dat geen recht aan het feit dat de wetgeving in het OT een geheel vormt. Alles wat we in de boeken Exodus t/m Deuteronomium tegenkomen, is bedoeld om het leven van het volk Israël in het land Kanaän te regelen. Daarbij hebben de Tien Geboden wel een aparte status, maar veel van de overige wetten (ik laat de "cultische" wetten m.b.t. reiniging en offers hier even buiten) zijn daar een directe uitwerking van. Opvallend is bijv. in Ex. 20, dat na de Tien Geboden de reactie van het volk vermeld wordt (dat onderstreept het bijzondere van de Dekaloog), maar dat dan onmiddellijk God doorgaat met tegen Mozes te spreken, en dan volgt een hele reeks concrete geboden. Er is wel reliëf in de wet, maar geen strikte scheiding.
Bovendien is het de vraag of, gezien de eenheid van geloof en politiek in Israël, je wel zo kunt scheiden tussen een moreel en een ceremonieel aspect van de geboden. De OT wet drukt Gods wil uit, maar doet dat wel op een gedateerde manier: voor dat volk in die tijd en situatie. Dat maakt een vertaalslag naar vandaag per definitie noodzakelijk.
En naast het onderscheid moreel - ceremonieel - civiel moet je volgens mij de verschillende functies van de wet in rekening brengen:
1. als weg naar het eeuwig leven (op die manier leidt de wet voor ons zondaren alleen maar naar de dood; slechts de vervulling door Christus betekent leven voor ons);
2. als kenbron van onze ellende (zo drijft de wet ons naar Christus om door Hem gered te worden);
3. als leefregel van dankbaarheid (door de Heilige Geest in ons gewerkt als vruchten die groeien aan wie in Christus is ingeplant).
Belangrijk is dat de wet onder 3 een ander karakter heeft dan onder 1. Volgens mij lopen sommige "bezwaarden" het risico dat te vergeten.
Scholasticus, ik maakte onderscheid tussen ceremonieel en moreel betreffende de tien geboden. Nu kom jij met heel de oud-testamentische wetgeving aanzetten. Dat maakt het niet bepaald overzichtelijker

Vervolgens zeg je dat de oud-testamentische wet wel Gods wil uitdrukt maar op een gedateerde manier, en daarom zou nu een vertaalslag nodig zijn.
Nu is volgens mij wel de redactie van de tien geboden zoals bij de Sinaï gegeven gedateerd, maar daarmee is nog niet de wet zelf gedateerd.
Slechts de nadere motieven, de bijkomende redenen, waarom de HERE iets beloofd of doet of gedaan heeft zijn in de wet van de tien geboden gedateerd. Zo al in de preambule, "die u uit het land Egypte heeft uitgeleid". En bij het vierde gebod. Als eerste drangreden voor het rusten op die dag staat er dat de HERE zelf heeft gerust maar als aanvullende reden komt erbij dat indertijd het volk Israël tot een slaventroep is gedegradeerd geweest in Egypte.
K. Schilder schrijft dan ook in zijn verklaring van de HC boek 1 bldz. 78 dat onze vaderen de wetgeving bij de Sinaï steeds maar weer zagen als een herhaling van wat in het paradijs in de verbondseis door God aan het verbondskind was opgedragen.
Daarom heeft de wet ook geen vertaalslag nodig, zo moeilijk heeft de HERE het helemaal niet gemaakt, maar dient ze naar haar bedoeling de kinderen van God voorgehouden te worden. Zoals het ook in de HC gebeurt.
En geloof me, jouw risicoinventarisatie is wel aardig gevonden, maar ik ben nog geen 'bezwaarde' tegengekomen die denkt dat hij/zij de wet zelf moet volbrengen om gerechtvaardigt te worden.
Wel zijn ze ervan overtuigt dat de HERE van ze vraagt om hun leven zo in te richten als Hij in zijn wet voorschrijft.