Tegenwoordig als ik voor mezelf uit de Bijbel lees doe ik dat vaak vanaf het beeldscherm. Dat kan heel verfrissend werken omdat de versie van bijbelsoftware die ik gebruik geen pericopen weergeeft en dus de neiging om 1 pericoopje te lezen er niet is.
Lees je dit stuk pericoops en/of hoofdstuks gewijs dan zijn het twee verschillende onderwerpen namelijk "De schuld der heidenen en hun straf" en "Het oordeel Gods over de Joden". Maar wat nu als je de knip legt bij vers 2:4 of bij 2:11? Dan gaat het ineens over onze boetvaardigheid of beter gezegd het gebrek daaraan. En over de toorn die komt over hen die zichzelf zoeken en dat geldt zowel voor de Jood als voor de Griek want vers 11 Want er is geen aanzien des persoons bij God.
Nu is dit op zich waarschijnlijk voor de meeste mensen geen schokkende ontdekking maar voor mij plaatst het vers 26 en 27 in een ander daglicht dan de rechtstreekse veroordeling van homofilie die sommige mensen aan deze versen menen te kunnnen ontlenen. Immers uit de versen 1 Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen. 2 Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven. kan je afleiden dat het hier gaat over het aanmeten van een oordeel over anderen en dat als een soort van inleiding over de plaats van de wet en de besnijdenis in het nieuw testamentische tijdperk.
Andere mensen hier een mening over?