Rom 1, 18v:
Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.
Hier is Paulus het met je eens: inderdaad, God openbaart zich in en aan mensen. Dat schept verantwoordelijkheid om God te dienen. Maar:
Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.
Door ongehoorzaamheid aan God -- Hem niet de eer geven -- is het hart van mensen donker geworden. Mensen hebben hun eigen ideeën in de plaats van God gezet, terwijl ze dachten wijs te zijn. Dat risico lopen we dus echt. Dit is dus een amendement op natuurlijke godskennis. Ja, God heeft zich geopenbaard en hoe, maar de mens heeft zijn verstand (laten) verduisteren. Laat God dat zomaar toe?
Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Zij immers hadden de waarheid Gods vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.
Dat is de situatie van de mens die niet naar God luistert maar naar zijn eigen vebrhaal. Dat neemt toch alle optimisme over natuurlijke kennis weg? Paulus laat het hiet gelukkig niet bij, maar laat wel zien dat zónder Christus ons verstand verduisterd is.
Rom 8, 18:
Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.
De openbaring van God is niet compleet. Zijn heerlijkheid en zijn zonen moeten nog onthuld worden. Je kunt God en zijn plan niet volledig kennen uit de schepping van de tegenwoordige tijd.
Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is.
Uit het om-je-heen-kijken zie je (en weet je) dat de schepping uitkijkt naar iets wat nog komen moet; maar ze toont je (nog) niet de aard van dat wat komen moet. Je ziet nu een schepping onderworpen aan vergankelijkheid. Ze laat de volheid van God niet zien.
En niet alleen zij, maar ook wij zelf, wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.
Wiij verwachten iets: iets dat nog niet is en dus nog niet gekend kan worden, behalve doordat God het aan ons onthult buiten het zichtbare om. (Want hoop die gezien wordt, is geen hoop.)
Met deze twee voorbeelden wil ik duidelijk maken, dat je niet moet denken God uit de schepping of met je verstand te kunnen kennen. Zijn bijzondere openbaring onthult de dingen die komen moeten, die boven de vloek van nu uitstijgen. Dáárin openbaart God zich volledig. Tot dan toe zul je ermee moeten leven, dat over de schepping en over je kennen een zweem van onvolmaaktheid ligt. En vooral: zul je moeten hopen en verwachten dat eens de zonen van God openbaar zullen worden.