Seksualiteit heeft alles te maken met liefde, gezien liefde de basis is (1 Kor. 13). Sterker nog: liefde ligt ten grondslag aan alles, immers: "had ik de liefde niet, ik zou niets zijn".
Eerder in de eerste brief aan de Korintiërs schrijft Paulus in hoofdstuk 7 : 1 - 7 het volgende: "U zegt dat het goed is dat een man geen gemeenschap met een vrouw heeft. 2 Maar om ontucht te vermijden moet iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man. 3 En een man moet zijn vrouw geven wat haar toekomt, evenals een vrouw haar man. 4 Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap over zijn lichaam, maar zijn vrouw. 5 Weiger elkaar de gemeenschap niet, of het moest zijn dat u er wederzijds mee instemt u enige tijd aan het gebed te wijden. Kom daarna echter weer samen; anders zal Satan uw gebrek aan zelfbeheersing gebruiken om u te verleiden. 6 Ik zeg u dit niet om u iets op te leggen, maar om u tegemoet te komen. 7 Ik zou liever zien dat alle mensen waren zoals ik, maar iedereen heeft van God zijn eigen gave gekregen, de een deze, de ander die."
Vers 1, 2 en 3 zijn uitermate duidelijk. Vers 4 is de gemeenschap waar Paulus in vers 5 naar verwijst. Het is díe gemeenschap (tussen één man en één vrouw) die niet gewijgerd mag worden omdat de Satan anders het 'gebrek aan zelfbeheersing' gebruikt om 'te verleiden'. Deze gemeenschap mag niet beperkt worden tot de sekuele daad, maar gelezen worden in de breedste zin van het woord. De verleiding, waar Paulus over schijft, is in vele zaken en daar schaart vreemdgaan zich ook onder. Tenslotte volgt de bekende passage waarin Paulus mensen liever ziet zoals hij maar desondanks de seksuele overgave - het woord zegt het al - als een gave ziet. Kennelijk wist Paulus met de verleiding (de begeerte) om te gaan, want in vers 8 en 9 van hetzelfde hoofdstuk vervolgt hij: "8 Wat de weduwen en weduwnaars betreft, zeg ik dat het goed voor hen zou zijn alleen te blijven, zoals ik. 9 Maar wanneer ze dat niet kunnen opbrengen, moeten ze trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden van begeerte."
Ten slotte geloof ik menselijkerwijs niet in de zgn. 'vrije liefde'. Er is altijd sprake van jaloezie, gemis, toeëigening, enz. Een veelzeggend voorbeeld in dezen is de bekendste voorstander van dit idee, Sigmund Freud, zelf: alhoewel hij zijn 'vrije goed' predikte, hield hij zijn vrouw angstvallig binnen de vier muren van zijn huis (zij mocht haar Joodse geloof niet uitdragen noch onderhouden, had geen seks met haar man en werd verplicht in sobere maagdelijkheid te leven). Hoe open je er ook voor staat; het lijkt mij liefdeloos en goddeloos en daarom onmogelijk om te zeggen dat je zonder schroom kan aanzien dat je geliefde door een ander actief wordt bemind.