quote:
Titaan schreef:
Begrijp ik je nu goed dat je het NT op een lijn stelt met iets dat slechts een menselijke overlevering is ?
quote:
Hoe de verhalen van het NT en het OT zijn terechtgekomen in de bijbel ?
Door iets
slechts menselijks?
Nee, daarin mag ik je niet volgen.
Mensen zijn feilbaar, en gelukkig is het gezag van de bijbel daarop niet gebaseerd. De Bijbel claimt veelvuldig Gods Woord te zijn. Het is van God ingegeven door de onfeilbare ingeving van de Heilige Geest. Haar gezag berust op haar Goddelijkheid..
De oorsprong van de Schrift ligt niet in de wil van mensen, maar in de werking van Gods Geest. Daaruit volgt dat wij in de Schrift, al is zij door mensen geschreven, niet met een gewoon menselijk boek te doen hebben.
“
Al de Schrift is van God ingegeven…” (2 Tim.3:16).
“
Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.” (2 Petrus 1:21).
[p.s. eigen uitlegging betekent dus dat je er niet maar van mag maken wat je wil; geen menselijke inzicht is de maatstaf; geen mening of gevoelen mag beslissen en geen subjectieve willekeur mag over het Woord heersen. De Schrift geeft zelf aan hoe zij verklaard moet worden. En dat is hét principe van zuivere exegese: Schrift met Schrift vergelijken. En niet via de midrasj, wetenschap, of wat dan ook.] In OpdrachtBetreffende de schrijvers; de Heere gaf hun te spreken, en hun woord was van God, wat ook overeenkomt met het zelfgetuigenis van alle profeten van het OT.
Zij weten zich immers doorgaans klaar en duidelijk door de Heere geroepen (Ex.3, ISam.3, Jes.6, Jer.1, Ezech.1-3 enz.).
Zij zijn zich bewust, dat de Heere tot hen gesproken heeft, en dat zij van Hem de openbaring hebben ontvangen. Zij treden op met het majestueuze: “
Alzo spreekt de Heere, Heere” (Jes.1:1, Jer 1en 2 etc.) en zij vorderen voor dat woord absolute gehoorzaamheid. En ja, wanneer zelfs de roeping van Godswege ingaat tegen hun begeren en hun willen, is God hun te sterk en moeten zij gaan. Dan baten Mozes geen uitvluchten (Ex.3). Dan mag Jesaja niet weigeren. Dan roept Amos uit:
“
De Heere Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteren” (Amos 3:

,
en dan moet Jeremia belijden:
“
Heere! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden: Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht …. Dies zeide ik: ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar kon niet” (Jer.20:7,9).
Om die reden maken zij ook scherp onderscheid tussen wat God hun openbaart en hetgeen opkomt uit hun eigen hart, en prediken het volk alleen wat de Heere zegt (Num16:28; Neh.6:

.
Door het volk werden zij als gezanten van God erkend, die door Hem verwekt en gezonden zijn, en Zijn woord spreken (Jer.26:5; Ezra 9:11, etc.)
En Israël heeft van het begin aan, tenzij het in afgoderij zich van God Zelf keerde, naar hen gehoord als naar de boden van God. Niet dat de profeten hun optreden daarvan afhankelijk stelden. Nee, ze zijn, al zou heel Israël hen verwerpen, zich van hun goddelijke zending ten volle bewust, en staan steeds in de onverzettelijke overtuiging van hun roeping en in de onwankelbare zekerheid dat zij Gods Woord spreken.
En Jesaja en Amos en Jeremia en Ezechiel laten zich niet door het volk terugdringen. Een sprekend voorbeeld vinden we bij Jeremia, als hij om zijn verkondiging van Jeruzalem’s verwoesting met de dood wordt bedreigd. In zijn verdedigings rede doet hij geen poging zich te rechtvaardigen anders dan met zijn beroep op zijn Goddelijke zending:
“
De HEERE heeft mij gezonden, om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren al de woorden, die gij gehoord hebt;
Nu dan, maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem des HEEREN, uws Gods; zo zal het den HEERE berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft.
Doch ik, ziet, ik ben in uw handen; doet mij, als het goed, en als het recht is in uw ogen;
Maar weet voorzeker, dat gij, zo gij mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u, en op deze stad, en op haar inwoners; want in der waarheid, de HEERE heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uw oren te spreken.”(Jer.26:12-15)
Toepassen op het geschreven woord ?Maar geldt dit niet alles voor het gesproken woord?
Kunnen wij dit wel toepassen op de Schrift ?
Zeker, want tussen het gesprokene en het geschrevene is geen tegenspraak, en ook het geschrevene treedt met goddelijke autoriteit op. Wel zijn de uitspraken van het OT waarin een bevel tot schrijven wordt gegeven betrekkelijk klein in aantal:
- “
Toen zeide de Heere to Mozes: schrijf dit ter gedachtenis in een boek …” (Ex.17:14)
- “
Verder zeide de Heere tot mij: Neem u een grote rol en schrijf daarop ….” (Jes.8:1)
- “
En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken. ” (Jer.25:13)
- “
Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt” (Hab.2:2)
- Etc.
Wat er zakelijk gezegd en schreven is, is één, en daarom eisen de profeten voor hun geschreven woord dezelfde autoriteit als voor’t gesproken woord. Dit blijkt duidelijk uit Jesaja 34:16:
“
zoekt in het boek des Heeren, en leest; niet een van deze zal er feilen, het ene noch het andere zal men missen; want Mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest zelf zal ze samenbrengen”
Met dat boek des Heeren bedoelt Jesaja de rol waarin zijn profetie wordt opgetekend, en die rol, die schrift wordt door hem genoemd het boek van Jehovah. Hij spreekt hier dus heel duidelijk de goddelijke autoriteit van zijn eigen opgetekende profetien uit, en wat van zijn profetie kan gezegd worden, is zeker ook van toepassing op de geschriften van alle profeten.
Wat we lezen in Jeremia 36:2 bevestigt dit. Daar spreekt de Heere tot Jeremia:
“
neem u een rol des boeks, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb over Israel en over Juda, en over al de volken, van den dag af, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op dezen dag”.
Deze rol moet Baruch worden voorgelezen, opdat “
misschien hunlieder smeking voor des Heren aangezicht zal neervallen, en zij zich zullen bekeren, een iegelijk van zijn boze weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die de Heere tegen dit volk heeft uitgesproken”
Hier wordt weer het woord des Heeren vereenzelvigd met de rol van Jeremia. Hier treedt weer de Schrift met gezag op, en wanneer straks de koning Jojakim deze rol versnijdt en in het vuur verbrandt, zegt de Heere niet: het geschrevene komt er minder op aan. Maar waakt Hij voor de eer van het geschrevene en klinkt Zijn bevel:
“
neem u weder een andere rol, en schrijf daarop al de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol” (vs.28). En dan spreekt Hij Zijn strafwoord uit over de koning die zich vergrepen heeft aan Zijn getuigenis.
Meerdere plaatsen zouden genoemd kunnen worden. Bedenk bijvoorbeeld slechts aan de wet des Heren. God schrijft Zelf de tien woorden op twee tafelen. Hij spreekt ook zelf meermalen van het geschrevene. In Deutr.32:24 lezen we dat Mozes de woorden der wet geschreven heeft in een boek, en Israël bezat het wetboek in Schrift.
Ten overvloede nog dit: de Heere gebiedt Daniël: “
En gij, Daniël! Sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; vele zullen het naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden”(Dan.12:4).
Wet van Mozus ?Voor ons is de wet, de vijf boeken van Mozes, het Woord des Heeren, en wij steunen in dit geloof op hetgeen de wet van zichzelf getuigt:
Het is de Heere Die haar door Mozes aan Israël gegeven heeft. Uit Zijn mond heeft het volk haar ontvangen, want dit geldt niet alleen van de tien geboden en van het verbodsboek dat in Exodus 21-23 beschreven wordt. Ook alle andere wetten komen door het spreken van God tot Israël, en keer op keer lezen we in de vijf boeken: de Heere zeide, of de Heere sprak tot Mozes. De meeste hoofddelen beginnen met deze woorden. “
Toen sprak de Here tot Mozes zeggende” (ex.25:1 vgl.30:11,17,22,34; 34:1 etc.), “
En de Here riep Mozes en sprak tot hem uit de tent der samenkomsten, zeggende: spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen etc. (Lev.1:1; 4:1; 6:1). “
Voorts sprak de Heere tot Mozes” (Num.1:1; 2:1; 4:1, etc.). En vooral in het boek Deuteronomium, waarin Mozes het volk dat gereed staat het beloofde land binnen te trekken, herinnerd aan alles wat de Heere gedaan heeft en wordt met nadruk gewezen op de goddelijke oorsprong van de wet. “
De Heere onze God sprak tot ons aan de Horeb, zeggende: ” (1:6). “
Gelijk de Heere tot mij gesproken had” en “
toen sprak de Heere tot mij, zeggende” (2:2). “
Toen sprak de Heere tot mij” (3:2). “
De Heere, onze God heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb” (5:2). “
Terzelfder tijd zeide de Heere tot mij” (10:1).
En om niet meer te noemen: Mozes schrijft de woorden van de wet tenslotte in een boek, en spreekt van dit boek: “
Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark des verbonds des Heeren, uws Gods, dat het aldaar zij ten getuige tegen u” (31:26).
Niet alleen zegt de wet zelf dat “
de Heere tot Mozes sprak aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt”(ex.33:11), niet slechts lezen we in het boek Numeri het woord des Heeren: “
Van Mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des Heeren aanschouwt hij” (12:

, niet alleen getuigt de Heere tot Mozes, dat Hij een profeet zal verwekken, “
als u” (deutr.18:18). Maar ook Israëls profeten en zangers hebben Mozus die eer gegeven. “
Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt” (ps.103:7), en: “
nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk” (Jes.63:11).
Het is duidelijk dat ook de onderdelen van de Schrift getuigen dat ze van God zijn. Zij stemmen samen omdat zij het ene werk van de Heilige Geest vormen. Daarom zijn zij ook toen en door alle tijden heen als gezaghebbend erkend.
- De wet des Heeren werd in het heiligdom gelegd (ex.25:22, Deutr.31:9)
- Wat Jozua schrijft, is voor het volk het boek van de redenen des Heeren (Joz.24:26,27)
- Samuel spreekt tot het volk het recht van het koninkrijk, en schrijft het in een boek, en legt het voor het aangezicht van de Heere (1Sam.10:25)
- De poezie wordt opgeschreven en bewaard (het lied van Mozes, Deutr.31:19). De psalmen van David, (2 Sam.1; 23:1-3, etc. psalm 72:20)
- De spreuken worden door de mannen van Hizkia verzameld (spr.25:1)
Zo heeft Israel zijn Schrift in gelovige gehoorzaamheid aanvaard. Zo buigt Christus zich voor haar autoriteit. En datzelfde gezag geldt onverzwakt voor ons.