Als de bijbelschrijvers het over de ziel hadden, gebruikten ze het Hebreeuwse woord ne′fesj of het Griekse woord psu′che.
Als u onderzoekt hoe het woord ziel in de bijbel gebruikt wordt, blijkt dat het hoofdzakelijk betrekking heeft op drie dingen: (1) mensen, (2) dieren of (3) het leven dat een persoon of een dier bezit.
Hier volgen enkele bijbelteksten die deze drie betekenissen laten uitkomen.
Mensen.
’In de dagen van Noach werden weinigen, namelijk acht zielen, veilig door het water heen gevoerd’ (1 Petrus 3:20). Hier wordt het woord zielen duidelijk gebruikt voor mensen: Noach, zijn vrouw, zijn drie zoons en hun vrouwen. In Exodus 16:16 kregen de Israëlieten instructies in verband met het verzamelen van manna. Hun werd gezegd: „Raapt ervan bijeen . . . naar het getal der zielen dat een ieder van u in zijn tent heeft.” De hoeveelheid manna die verzameld werd, was dus gebaseerd op het aantal personen in elk gezin.
Dieren.
In het bijbelse scheppingsverslag lezen we: „Verder zei God: ’Dat de wateren een gewemel van levende zielen voortbrengen en dat vliegende schepselen over de aarde vliegen langs het vlak van het uitspansel van de hemel.’ Verder zei God: ’Laat de aarde levende zielen voortbrengen naar hun soort: huisdieren en zich bewegend gedierte en wild gedierte der aarde naar hun soort.’ En het werd zo” (Genesis 1:20, 24).
In dit gedeelte worden vissen, huisdieren en wilde dieren allemaal aangeduid met hetzelfde woord: zielen.
Het leven van een persoon.
Soms wordt het woord ziel gebruikt in de betekenis van het leven van een persoon. God zei tegen Mozes: „Alle mannen die uw ziel zochten, zijn dood” (Exodus 4:19).
Wat zochten Mozes’ vijanden? Ze wilden hem het leven ontnemen. En over Rachel werd gezegd dat toen ze haar zoon Benjamin baarde, „haar ziel uitging (want zij stierf)” (Genesis 35:16-19). Rachel verloor op dat moment haar leven. Kijk ook eens naar deze woorden van Jezus: „Ik ben de voortreffelijke herder; de voortreffelijke herder doet afstand van zijn ziel ten behoeve van de schapen” (Johannes 10:11). Jezus gaf zijn ziel, of leven, ten behoeve van de mensheid. In deze bijbelgedeelten slaat het woord ziel duidelijk op het leven van een persoon.
Als u Gods Woord verder bestudeert, zult u zien dat de woorden ’onsterfelijk’ en ’eeuwig’ nergens in de bijbel met de ziel in verband worden gebracht. Integendeel, de bijbel zegt dat de ziel sterfelijk is en dus dood kan gaan (Ezechiël 18:4, 20). Daarom noemt de bijbel iemand die gestorven is, gewoon een „dode ziel”. — Leviticus 21:11.