quote:
Er is een verschil tussen "A is B omdat C" en "we weten dat A is B uit C"
A=God
B=betrouwbaar
C=Hij komt zijn beloftes na
Je vraag is dan:
Is A B omdat C
of
C
En dan zie je direct, dat hier geen tegenstelling is, geen wederzijdse exclusiviteit in je vragen, maar juist een voorwaardelijkheid. De vraag of C waar is, zal je eerst moeten beantwoorden, alvorens je de hofodvraag kan stellen. Het lijkt er op alsof je eerder zoekt naar de vraag:
Is A B omdat C
of
Weten we dat A B omdat C
Je kan die drie vragen beantwoorden, lijkt me:
1. C?Ofwel: komt God zijn beloften na?
Daar ga je al meteen nat. Want in alle eerlijkheid is het antwoord: het lijkt er niet op, daar waar we het kunnen nagaan lijkt het er zelfs sterk op dat Hij zijn beloftes
niet nakomt, en als Hij ze volgens commentatoren eens een keer nakomt, wijkt Hij vaak zo sterk af van de oorspronkelijke belofte dat je je in gemoede mag afvragen of dat nog wel "nakomen van beloftes" mag heten.
De joden willen wonderen, de Grieken wijsheid. En wat is die Griekse wijsheid? Logica. Menselijk denken. En dan moet je constateren: God komt, naar de maat van de Griekse wijsheid, Zijn beloftes niet na.
Er zit dan ook iets heel raars in het christelijk geloof. Veel religies zijn gebaseerd op mythologische verhalen en een daarmee samenhangende cultus. De meer "moderne" religies kennen een openbaringsverhaal, en een uitleg-traditie die zelf gezaghebbend is zonder overigens metafysische aspiraties. In de moderne joodse religie zie je beiden samen komen: de mythologie van "Mozes", de profeten, en dan de rabbijnse uitleg-traditie. Al dit soort religies zijn vrij eenvoudig consistent te houden. De mythologische verklaren niks, en hebben dus altijd gelijk. De openbarings-godsdiensten verklaren achteraf de openbaring naar de werkelijkheid toe en hebben dus ook altijd gelijk. Beide vormen hebben dan ook een grote aantrekkingskracht. Het zijn de vormen die Paulus al noemt: joden willen wonderen (mythologie) en grieken willen wijsheid (openbaring & verklaring). Maar nu het christendom. Een religie die een volksmythologie neemt en dat volk laat overstijgen, die volksproften neemt en dat volk laat overstijgen, dan een openbaringsmoment dat niet door een profeet wordt gebracht maar het is de openbaring zelf die levend wordt onder de mensen, en dan, heel curieus, een uitleg-traditie die zelf deels aan de openbaring wordt toegevoegd en die deels al door de openbaring zelf wordt ingesteld. Hier geen geloof dat altijd waar is op menselijke gronden. In tegendeel, een geloof dat waar is omdat het menselijke dwaasheid is en tegelijk gegrond in de historische werkelijkheid. Geen wonderen dus uit een mythologische cultus, geen wijsheid naar menselijke maat.
In die denkwereld de vraag stellen "komt Hij zijn beloftes na" is zinloos. Een van de duidelijkste voorbeelden zie je al in de Schrift zelf terug. Jezus beloofde dat Hij spoedig zou terugkeren. Maar na een eeuw begon dat toch wat moeizaam te worden. Voor een getrouwe God bleef Hij wel angstig lang weg. En in de 2 Petrus-brief wordt dus al gewaarschuwd: hou je vast aan de belofte, ook al komt die niet uit zoals je verwacht had. Vertrouwen in de betrouwbaarheid van een God die zich, naar verstaan van Joden en Grieken, zo slecht aan zijn eigen beloftes houdt, dat is dwaasheid. De dwaasheid van het kruis.
2. Weten we dat A B omdat C?Als we de dwaasheid van het kruis aanvaraden, dan wordt ons geloven een zeker weten. En dan weten we, tegen alle denken in welhaast, we
weten dat God zijn beloftes nakomt. Want door het kruis hebben we geleerd de beloftes te verstaan zoals ze gesproken zijn door de Geest die gesproken heeft door de profeten. Door het kruis hebben we geleerd te geloven wat de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk ons uitlegt. En zo geloven we niet zoals de ongelovigen "geloof" verstaan, maar geloven we zoals de ongelovigen "weten" verstaan, dat God zijn beloftes nakomt. C is dus waar. En nu kan de ratio het overnemen. Want wat nu resteert is semantiek. Hoe noemen we iemand die zijn woord gestand doet? Betrouwbaar. Als C waar is, dan is A B waar, want A B is niets anders dan een bredere formulering van C. Dat God betrouwbaar is weten we, omdat we weten dat Hij zijn beloftes nakomt.
3. Is A B omdat C?Deze vraag is niet semantisch, maar inhoudelijk. Is de getrouwheid van God een
causaal gevolg van het feit dat Hij zijn beloftes nakomt? Die rvaag lijkt betekenis te hebben, maar heeft het niet. Je kan het zien als je herformuleert. Bij 2 heb ik betoogd dat A B en C andere woorden voor hetzelfde zijn. Maar dan is:
A B = C
en dus mag je A B vervangen door C. De vraag
Is A B omdat C?
wordt dan
Is C omdat C?
Thomas van Aquino wist al, in navolging van Aristoteles, dat alle zijnde een oorzaak heeft in een ander zijnde. Geen zijnde veroorzaakt zichzelf. Thomas concludeerde daaruit dat God moet bestaan, als het enige zijnde dat zichzelf veroorzaakt, maar dat is een wat zwak Godsbewijs, en een beetje een terzijde. Wel relevant hier, is dat niets zichzelf veroorzaakt. C kan dus geen causale oorzaak van C zijn.
Het antwoord op de vraag is dus niet bevestigend, en evenmin ontkennend. De vraag zelf is een onmogelijke vraag.