In dit opzicht wil ik ook een essay over Unitatis Redintegratio, een decretum dat in feite aan de basis ligt van dit document en Dominus Iesus, onder de aandacht brengen, ik vind de toon vrij hoopgevend, maar de schrijver zoekt wel erg de grenzen op, dat is ook zijn taak als theoloog, maar ik kan niet goed bepalen of hij er nou overheen gaat of niet, dus hou dat maar ten goede.
HET OECUMENISME De katholieke kerk, in algemeen concilie bijeen, heeft zich uitgesproken over het herenigingsstreven, dat zich thans over heel de wereld onder de christenen openbaart. Naar deze uitspraak is door velen binnen en buiten de kerk met spanning uitgezien. Het is een weloverwogen en hartelijke erkenning geworden van de evangelische authenticiteit dezer beweging. Zo'n erkenning kan men niet vrijblijvend presenteren en de katholieke kerk heeft dan ook besloten tot een serieus engagement in de oecumenische beweging.
Deze beslissing schept werkelijk een nieuwe situatie, want de kerk had officieel tot aan 1960 een zeer gereserveerde houding in deze aangenomen. Vanaf de aankondiging van het algemeen concilie, waarin de oecumenische kwestie al aanstonds op de agenda kwam, tot aan de proclamatie van dit decreet op 21 november 1964 heeft zich een ingrijpende verandering van houding in de kring van het hoogste kerkelijke leerambt voltrokken.
Deze verandering laat zich alleen verstaan binnen de context van de tijdens het concilie ontwikkelde geloofsinzichten aangaande het mysterie der kerk, dat het centrale thema van deze kerkvergadering was. Het decreet over het oecumenisme veronderstelt de constitutie over de kerk, zoals het voorwoord ten overvloede nog meldt, en de constitutie over de kerk verwijst naar dit decreet zowel door bepaalde onderwerpen als uitdrukkelijk (n. 15)' De besprekingen over de kerk als het volk Gods met zijn eigensoortige eenheid, zijn historisch karakter en zijn voortdurend onderweg-zijn met alle onvolkomenheden vandien, vormden even zovele aanleidingen om de verwantschap, de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en het lotgenoot-zijn van alle christenen bewust te maken. De hoofdstukken over het algemeen priesterschap, het collegiale ambt der bisschoppen en het dienend karakter van alle kerkelijke functies waren vervolgens als zodanig direct van belang voor de verhouding tot de andere kerken.
Ook bij de opstelling van de constitutie over de liturgie was het concilie zich bewust van de samenhang tussen de vernieuwing aan katholieke zijde en de toenadering van de christenen onderling (n. I), en dit besef deed zich met name gelden bij de besprekingen over de dienst van het woord, het gebruik van de landstaal, de beker-communie en de concelebratie. In deze constitutie, welke tijdens de eerste zittingsperiode behandeld werd, deed zich trouwens de visie op het kerkmysterie als volk Gods al gelden; de constitutie over de liturgie heeft van haar kant de besprekingen over de kerk tijdens de tweede zittingsperiode mede georiënteerd.
De bewogen discussie tenslotte tijdens de eerste zittingsperiode over de openbaring was ook aanleiding tot attentie voor de oecumenische problemen; men bracht o.a. het bezwaar naar voren dat het ingediende ontwerp de dialoog met de niet-katholieke christenen ernstig zou hinderen.
Deze blijken van oecumenische gezindheid reeds tijdens de eerste zittingsperiode zijn ongetwijfeld te danken aan paus Joannes. Deze had in de voorbereidingsperiode en tijdens de eerste conciliezitting geen gelegenheid laten voorbijgaan om de oecumenische betekenis, welke dit concilie zou kunnen hebben, onder de aandacht te brengen. Aan zijn inspiratie gaf paus Joannes bovendien een organisatorische vorm in het secretariaat ter bevordering van de eenheid onder de christenen, dat vanaf het begin het vertrouwen genoot van de meeste concilievaders. Dit secretariaat ontwierp ook grotendeels de tekst van het decreet over het oecumenisme. Het wist bovendien de luisterende aanwezigheid van de niet-katholieke waarnemers in de concilie-aula, - welke aanwezigheid op zich al een voortdurende herinnering aan het oecumenisch streven was -, tot actieve medewerking te ontwikkelen door het organiseren van conferenties en het stimuleren van ontmoetingen. In de voorbereidingstijd hadden zich drie commissies afzonderlijk met de oecumenische kwestie bezig gehouden. De commissie voor de oosterse kerken stelde een concept op over de beginselen
en wegen betreffende de verzoening met het oude christelijke Oosten. Hetzelfde deed de theologische commissie in het laatste hoofdstuk van haar ontwerp over de kerk, vooral met het oog op de gescheiden christenen in het Westen. Het secretariaat voor de bevordering der eenheid ontwierp een tekst over de algemene beginselen van oecumenisme. Alleen het eerstgenoemde ontwerp werd in de eerste zitting behandeld, het tweede terloops besproken. Op I december 1962 beslisten de concilievaders met 2068 tegen 36 stemmen, dat de drie ontwerpen tot één document versmolten zouden worden. Dit besluit vormt de oorsprong van het huidige decreet, waarvan de eerste tekst in april 1963 door paus Joannes geschikt verklaard werd voor discussie en aan de vaders gezonden. Hierop stuurden vier bisschoppenconferenties en nog vijftig Vaders hun voorstellen tot verbetering in. Tijdens de tweede zittingsperiode besteedde het concilie elf vergadefingen aan het ontwerp, waaruit vijfhonderd suggesties ter versterking van de tekst resulteerden, onder welke er vijfenzeventig in naam van bisschoppengroepen werden ingediend. In de concilieaula werden 129 interventies voorgedragen, waarvan er 19 in nederlandse vertaling gepubliceerd zijn. Het secretariaat voor de eenheid was verrast door de vele aanmoedigingen om niet té voorzichtig te zijn. Het eerste ontwerp, dat dertien bladzijden tekst besloeg, werd bewerkt overeenkomstig de richtlijnen van de Vaders en kwam als een document van zestien bladzijden in de derde zittingsperiode opnieuw in bespreking. Vier vergaderingen werden er aan besteed. De meningen werden door stemmingen gepeild, terwijl er nog een laatste mogelijkheid was om wijzigingen voor te stellen. Er kwamen nog 1069 voorstellen binnen, waarvan de meesten echter met elkaar samenvielen. Het secretariaat legde negenentwintig tekstwijzigingen aan de Vaders voor, welke door de zeer grote meerderheid aanvaard werden.
Eén dag voor de eindstemming over het decreet in zijn geheel bood de paus na overleg met het secretariaat nog negentien ver-
beteringen aan: sommige waren woord-correcties, andere historische of theologische preciseringen, alle waren van ondergeschikt belang (tekst in: Kath. Arch. zo, 1965, 192). Aangezien ieder de plechtige proclamatie van het decreet verwachtte, ontbrak de tijd om deze laatste wijzigingen nog te bediscussiëren. Werd deze tijdnood uitgebuit door de zeer kleine minderheid der vaders om hun tegenzin toch nog te doen gelden en wilde de paus zoveel mogelijk Vaders tot instemming bewegen? Niemand betwistte de paus het recht om zIjn eigen inzicht tot gelding te brengen, wel waren velen onaangenaam verrast door de procedure.
De eindstemming leverde 2054 stemmen voor, 64 stemmen tegen het decreet. De plechtige proclamatie op 21 november 1964 kreeg de instemming van 2137 Vaders, terwijl 11 Vaders hun goedkeuring niet konden geven.
Hiermede engageerde de katholieke kerk zich weloverwogen in de oecumenische beweging. Dit engagement brengt de eis mee van een nieuwe bezinning over de positie, welke de katholieke kerk zichzelf in geloof meent te moeten toekennen temidden van de andere kerken. Dit engagement vraagt ook om daden: de katholieke kerk moet middelen zoeken en in praktijk brengen om samen met de andere kerken de weg te vinden naar de eenheid, die Christus wil. Deze twee eisen worden respectievelijk in het eerste en tweede hoofdstuk van het decreet aan de orde gesteld. Het derde en laatste hoofdstuk gaat nader in op de eigen situatie van de kerken van het Oosten en vervolgens op die van de reformatorische kerken en kerkelijke gemeenschappen, met de bedoeling om de mogelijkheden tot dialoog en samenwerking onder de aandacht te brengen.
I. Positie van de katholieke kerk Wanneer er sprake is van de kerk hangen in de katholieke gedachtengang de volgende schakels onlosmakelijk aan elkaar:
God is enig, niemand naast hem, enige Vader van al was is; 2. Deze heeft zijn enige Zoon tot de wereld gezonden, de unieke Christus, niemand naast hem, de enige en definitieve zelfopenbaring des Vaders voor alle mensen in alle tij den, niemand na hem; 3. Deze zelfopenbaring des Vaders in Christus heeft zich allereerst voltrokken in het midden van de twaalf daartoe opgeroepen leerlingen, een uniek twaalftal van getuigen dat de kern vormt van de gemeenschap, die de Vader middels zijn Zoon in de wereld realiseert, en deze gemeenschap is één en enig; 4. Deze gemeenschap strekt zich uit door alle tijden tot aan de voltooiing der wereld, zij blijft zichzelf door de gedurige bediening van Christus' woord en sacrament, welke bediening volbracht wordt door de opvolgers der twaalf apostelen, die aldus het blijvend fundament der kerk zijn; 5. Zoals de gelovigen zich verzamelen rond de apostelen, zo worden de twaalf bijeen gehouden door Petrus, de sleuteldrager van Christus' huis, zo verzamelen zich de latere generaties rond het college der bisschoppen, dat op zijn beurt bijeen blijft rond de opvolger in het ambt van Petrus.
Deze gedachtengang zal aan de katholiek vertrouwd voorkomen. Het decreet herneemt deze traditionele voorstelling van zaken maar brengt bovendien enkele andere aspecten naar voren, die in het katholieke kerkbewustzijn op de achtergrond waren geraakt. Bovenstaand schema zou kunnen suggereren dat de erkenning van Christus' kerk een kwestie zou zijn van historische kennis en logica, en dat de eenheid van de kerk het resultaat zou zijn van beproefde organisatie. Hiertegenover stelt het decreet, dat de eenheid van de kerk' een heilig mysterie' is, waarvan de oorsprong en het oerbeeld 'de eenheid van de ene God in drie Personen' is. Het is de heilige Geest, die' de wonderlijke gemeenschap der gelovigen tot stand brengt en hen allen zo innig in Christus verbindt, dat Hij het beginsel van de kerkelijke eenheid is' (n. 2). De eenheid, welke de heilige Geest onder de mensen schept, is een eenheid van binnenuit; het volk van het nieuw verbond
wordt 'tot eenheid van geloof, hoop en liefde geroepen en bijeengebracht'. Om het nieuwe gebod van de onderlinge liefde te kunnen vervullen ontvangen de leerlingen 'als Helper de Geest, om als Heer en Levenwekker bij hen te blijven'. Het is wederom de Geest, die 'de gemeenschap van Christus' volk in de eenheid bevestigt: ni. in de belijdenis van het ene geloof, in de gemeenschappelijke viering van de goddelijke eredienst en in de broederlijke eensgezindheid van Gods huisgezin' (n. 2).
In de passage over de ene en enige kerk wordt de heilige Geest acht maal genoemd en in samenhang hiermee wordt de eenheid van de kerk van binnen naar buiten, van de geestelijke naar de institutionele zijde gedacht. Waar sprake is over het ambt van het Petro-apostolisch college en in het verlengde daarvan over het pauselijk-bisschoppelijke ambt, wordt in dezelfde zin vermeld, dat 'Jezus Christus zelf in eeuwigheid de sluitsteen blijft en de herder van onze zielen', en dat de groeikracht aan de werking van de heilige Geest moet worden toegekend. Tenslotte wordt nog de eucharistie genoemd als het sacrament 'waardoor de eenheid van de kerk wordt verzinnebeeld en tot stand gebracht'.
De historische en institutionele gestalte van de kerk wordt aldus doorlicht, zodat haar geestelijke dimensie voor de gelovigen duidelijk overheerst. Van de zijde der oosterse en der reformatorische christenen is al sedert lang de vraag gesteld naar de functie van de heilige Geest in de katholieke presentatie van de kerk. Van hun zijde werd wel eens laconiek opgemerkt, dat de katholieke kerk de heilige Geest niet meer nodig had, want zij had zelf haar eenheid waterdicht gemaakt! Het concilie heeft deze kritiek ter harte genomen, maar zeker niet uit overwegingen van hoffelijkheid doch krachtens toenemend inzicht, dat het grote schisma der elfde eeuw in het Westen geleid heeft tot een overtrokken aandacht voor het institutionele en juridische, en dat de twist met de reformatie een te grote vrees ingaf voor de onzichtbare zijde der kerk.
Dit inzicht wordt breed verwoord in de constitutie over de kerk, waarin haar mysterie allereerst in een reeks van bijbelse beelden omschreven wordt, om tenslotte te verschijnen als 'het vanuit de eenheid des Vaders en des Zoons en des heilige Geestes tot eenheid gebrachte volk' (n. 4).
In het verlengde hiervan ligt de erkenning, dat het mysterie der kerk niet precies samenvalt met de pauselijk-bisschoppelijke kerk. De constitutie over de kerk leert, dat dit mysterie 'zich bevindt in de katholieke kerk, die door de opvolger van Petrus en de met hem verenigde bisschoppen wordt bestuurd, hoewel er ook buiten haar schoot meerdere bestanddelen van heiliging en waarheid te vinden zijn als de eigen gaven van Christus' kerk' (n.

. In het voorafgaande ontwerp van deze tekst stond: 'De kerk (van Christus) is de katholieke kerk'. Uit deze verandering blijkt, dat de belijdenis der katholieke kerk zelf de Petro-apostolische kerk te zijn vooral positief en niet exclusief bedoeld is. Men zou daarom wellicht deze bedoeling zo kunnen omschrijven: de Petro-apostolische kerk verwerkelijkt zich primair en optimaal in de katholieke kerk.
Waar de theologie het woord 'kerk' tot voor kort reserveerde voor de katholieke kerk en het ontwerp voor de constitutie over de kerk in de tweede zittingsperiode van het concilie vermeed om het woord 'kerk' voor de andere christenen te gebruiken, werd door verschillende concilievaders gevraagd om het kerkelijk karakter van de andere christelijke gemeenschappen ronduit te erkennen. Zij wezen op het vroeger gebruik aan katholieke zijde om de afgescheiden gemeenschappen in het Oosten als 'kerken' te benoemen, en vervolgens op het feit, dat de reformatorische gemeenschappen juist als gemeenschappen feitelijk het heilsmysterie bemiddelen. Paus Paulus opende de derde zittingsperiode met een nadrukkelijke aanspraak van 'de gescheiden leden van het mystieke Lichaam' als 'kerken': 'Wat zijn deze kerken ver van ons verwijderd en toch zo nabij!' (Kath. Arch. 19, 1964, 1161). Het decreet over het oecumenisme spreekt dan ook over 'de kerken van het Oosten' en 'de afgescheiden kerken en kerkelijke gemeenschappen in het Westen'. De toevoeging van 'kerkelijke gemeenschappen' werd ingegeven zowel door het feit, dat het precieze onderscheid tussen de begrippen kerk en sekte nog niet duidelijk is (de wezenlijke functie van bisschoppelijk ambt en sacrament), als uit respect voor bepaalde reformatorische groepen, die de naam van broederschap of societeit of gemeente bevoorkeuren boven die van kerk.
Uit de volgende paragraaf in dit opstel zal nog nader blijken hoe ver die erkenning van het kerkelijke karakter der niet-katholieke gemeenschappen door de katholieke kerk gaat. Door die erkenning wordt de positie, welke de katholieke kerk zelf gelooft in te nemen, moeilijker precies te beschrijven. Enerzijds handhaaft de katholieke kerk haar identiteit met de Petro-apostolische kerk van het jaar dertig. Zij handhaaft deze overtuiging krachtens geloof in Christus' belofte, dat zijn gemeente nooit overweldigd zou worden (Mt. 16,18) en dat zijn Geest voor altijd werkzaam in haar midden zou blijven (Jo. 14,16). Anderzijds erkent zij krachtens evidentie buiten de grenzen van haar geinstitutionaliseerde eenheid kerkvormende elementen en werkzaamheid van de heilige Geest. In welke richting zij de verzoening van beide inzichten ziet, zal in de derde paragraaf ter sprake komen.
2. Positie van de andere kerken De andere christenen staan in een positieve betrekking tot het historische mysterie van Christus en zijn kerk. Het decreet noemt in stijgende lijn de volgende betrekkingen: 1. de individuele christenen 'werden in het doopsel gerechtvaardigd door het geloof en in Christus ingelijfd; zij voeren daarom met recht de naam van christenen en door de zonen en dochters van de katholieke kerk worden zij terecht als broeders en zusters in de Heer
erkend'; in hun midden doen zich gelden 'het geschreven woord van God, het leven van de genade, geloof, hoop en liefde, andere innerlijke gaven van de heilige Geest als ook zichtbare elementen'; 2. hun liturgische handelingen 'kunnen op verschillende wijzen, naargelang de structuur van een kerk of gemeenschap, werkelijk het leven der genade voortbrengen en moeten geschikt geacht worden om de toegang tot de heilsgemeenschap te ontsluiten'; 3. hun kerken en gemeenschappen tenslotte als zodanig 'zijn in het heilsmysterie allerminst zonder betekenis en zonder waarde; de Geest van Christus weigert immers niet ze te gebruiken als heilsmiddelen' (n. 3). In het derde en laatste hoofdstuk van het decreet vindt men een nog meer gedetailleerde lijst van authentiek christelijke en kerkbouwende elementen respectievelijk in de afgescheiden kerken in het Oosten en in die van het Westen (n. 14-23).
De erkenning van deze heilswerkelijkheden in de persoonlijke, de sacramentele en de kerkelijke sfeer wekt in de katholieke kerk de overtuiging, dat die afgescheiden christenen 'op enigerlei wijze tot het volk Gods horen', en dat de katholieke, oosterse en reformatorische christenen 'in een zekere, zij het niet volledige gemeenschap' met elkaar staan. 'De katholieke kerk begroet de oosterse en reformatorische christenen daarom met broederlijke eerbied en liefde' (n. 3)'
Deze erkenning brengt complicaties met zich mee. De situatietekening, welke men voorheen aan katholieke zijde gewoonlijk voorhield was eenvoudiger. Men stelde: er is maar één kerk, innerlijk aaneengesloten en enig, daarbuiten is niet-kerk en alleen plaats voor sekten en schijn-kerken, waarin zich de 'ketters' en 'scheurmakers' verzamelen. Weliswaar heeft de katholieke kerk zich altijd verzet tegen de bewering, dat er buiten haar zichtbare grenzen door God geen genade geschonken zou worden, maar zij heeft er waarschuwend aan toegevoegd, dat men toch buiten deze kerk 'niet zeker kon zijn van het eeuwig heil' (Pius XII, Encycliek over het Mystieke Lichaam van Christus, n. 104)'
Dit decreet bevestigt niet alleen bij herhaling, dat het heil ook buiten de katholieke kerkgrenzen verwerkelijkt wordt, maar vermijdt ook de benaming van scheurmaker en ketter. Dit laatste werd niet ingegeven door motieven van tactische aard. Het decreet verk!aart uitdrukkelijk, dat de zonde van afscheiding niet toegeschreven mag worden aan degenen, die thans geboren worden in de oosterse of de reformatorische gemeenschappen. De nu gebruikte term 'de van ons gescheiden broeders' bevat enerzijds de erkenning van het feit dat de oosterse en reformatorische christenen niet met ons één volle, en als zodanig zichtbare en beleefbare gemeenschap vormen, maar accentueert anderzijds het even reële feit, dat wij ten overstaan van elkaar broeders in Christus zijn. Tijdens het concilie heeft het latijnse spraakgebruik van 'fratres separati' zich nog ontwikkeld tot 'fratres a nobis seiuncti', hetgeen in het nederlands niet over te brengen is, maar het latijnse 'seiuncti' laat de positieve binding, die er tussen de gescheidenen bestaat duidelijker horen.
Opmerkelijk is ook, dat het decreet spreekt over de scheuringen die
in de ene en enige kerk van God' ontstaan zijn (n. 3) alsmede over de scheuringen 'die het zonder naad geweven kleed van Christus beschadigen' (n. 13). Vasthoudende aan de identiteit van de katholieke kerk met de eertijds nog ongedeelde kerk, wordt toch erkend, dat die eenheid geleden heeft. Al is de katholieke kerk in het verlengde gebleven van de eenheid, welke de nieuw-testamentische gemeente bijeenhield, toch is haar eenheid niet zonder meer de eenheid ,die Christus wil. In overeenkomst hiermede luiden de beginwoorden van het decreet, die tevens als zijn titel en thema gelden: 'unitatis redintegratio', d.i. het wederom integraal doen zijn van de eenheid. De nederlandse vertaling 'het herstel van de eenheid' draagt een bepaald aspect van het latijnse 'reintegratio' niet over, namelijk dat de volmaakte eenheid thans niet gevonden wordt in welke van de bestaande kerken ook, maar dat zij pas werkelijk zal zijn, wanneer alle gedoopten samen zijn in één kerk; allen worden immers gedoopt tot één lichaam (1 Kor. 12,13).
Bij de opening van de derde zittingsperiode sprak paus Paulus eveneens over het 'onverlet' doen zijn van de eenheid doordat allen weer 'compositi', d.i. bij elkaar gebracht zouden worden (Kath. Arch. 19, 1964, 1160 v.). De eenheid, welke Christus wil, wordt dus niet bereikt door het simpel absorberen van de andere groepen in de thans bestaande katholieke eenheid. Het woord 'terugkeer' wordt dan ook in het decreet geen enkele maal gebruikt m.b.t. de andere christenen, ondanks het verzoek van enkele concilievaders om de bestaande eenheid in de katholieke kerk als absoluut te stellen en het woord 'terugkeer' daarbij te hanteren. Het concilie stelt daarentegen, dat mede door de inbreng van de andere christenen' de volledige en volmaakte eenheid' gevonden moet worden (n. 5).
Op dit punt heeft zich derhalve een werkelijke wijziging voltrokken in het katholieke geloofszicht op de eenheid. Zij komt voort uit de overgang van een meer abstracte naar een meer concrete denkwijze, of, van een puur theoretische naar een historische benadering. Wanneer men uitgaat van het abstracte begrip kerk, dan is het eveneens abstracte begrip van volkomen eenheid daarin opgesloten. Een dissonant wordt dan aanstonds buiten het begrip kerk geplaatst. In dit geval kan er nooit een schisma binnen de kerk zijn, want door het feit van disharmonie is men aanstonds buiten de kerk, en de kerk blijft één. Men krijgt thans echter sterker besef van de kerk als een concreet en in de historie bestaand gegeven. Er kunnen dissonanten optreden, die de volkomen samenklank van de eenheid verhinderen maar die nochtans tot op grote hoogte nog kerkelijke klanken zijn. In dit geval moet men zeggen, dat de eenheid niet integraal, niet voluit meer is, dat zij tot op zekere hoogte gebroken is. Het verdeeld zijn is dan eigen aan de historische realiteit, welke de kerk nu eenmaal is. Kardinaal Lercaro formuleerde deze nieuwere zienswijze als volgt: 'Het is de grote bekoring van de katholieke leer over de kerk in de laatste eeuwen - bekoring waaraan zij dikwijls niet volledig wist te weerstaan - een abstracte zienswijze op te bouwen ~angs de weg van zuiver logische redeneringen, die stoelen op een als zodanig wel juist, doch volkomen eenzijdig uitgangspunt. Heel wat katholieke theologen van de kerk hebben sinds de middeleeuwen, tengevolge van het feit, dat zij ieder contact verloren hadden met de historische werkelijkheid van het christelijke Oosten, ecclesiologische syntheses uitgewerkt, waarin bepaalde aspecten van het kerkmysterie a.h.w. overtrokken werden, terwijl andere, toch niet minder belangrijke, min of meer uit het oog werden verloren' (Concilium 1,1965, n. 5, blz. 157 v.).
Het hervonden zicht op de kerk als volk Gods onderweg heeft met de ervaring van de christelijke en kerkelijke werkelijkheid der andere kerken deze zelfcorrectie voortgebracht. Dit betekent niet, dat de theologen thans een klaar zicht hebben op de aldus complex geworden situatie. Nu het handboeken-begrip 'eenheid' zich ontwikkelde tot de idee van 'het mysterie der eenheid', en het technische begrip 'schisma' groeide naar het vermoeden van 'het mysterie der verdeeldheid', blijft de taak liggen om enig inzicht te verwerven in het samengaan van beide. Bij de uitvoering van deze taak dienen zich twee geloofsveronderstellingen te doen gelden. Ten eerste: krachtens het in geloof ontvangen doopsel bestaat er tussen alle gedoopten een werkelijke, zij het nog onvolkomen gemeenschap, en deze gemeenschap is een werkelijkheid, welke een niveau dieper ligt dan de verschillen. Ten tweede: de scheuringen, welke de geschiedenis van het volk Gods vanaf het begin vergezellen, functioneren in Christus' werkdadig plan met zijn kerk, om allen 'tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus' te leiden (Ef. 4,13).
3. Praktijk aan katholieke zijde Terwijl de theologie over het oecumenisch streven werkelijk nog niet afgerond is, zoals kardinaal König in de concilie-aula vaststelde, wil de katholieke kerk toch zoveel mogelijk al daadwerkelijk bijdragen tot de verzoening der christenen. Het decreet noemt zeven opdrachten, waarvan niet alleen de strekking maar ook de onderlinge volgorde bijzondere aandacht verdient.
1. De vernieuwing van de katholieke kerk. Deze moet haar trouw aan haar eigen roeping vergroten. Als menselijke en aardse instelling, als kerk op pelgrimstocht, wordt zij door Christus opgeroepen tot ononderbroken hervorming (Const. over de kerk, n. 8-9). Deze hervorming moet zich minstens over de drie volgende gebieden uitstrekken: het zedelijk levensgedrag, het kerkelijk besturen en de verwoording van de geloofsovertuiging (n. 6).
2. Bekering des harten. Alle katholieken dienen zich opnieuw aan het evangelie te spiegelen. 'Echt oecumenisme zonder innerlijke omkeer bestaat niet'. Het gaat om waarachtige onthechting, dienende nederigheid, zachtmoedigheid, broederlijke ruimhartigheid tegenover anderen en erkenning dat wij gezondigd hebben tegen de eenheid (n. 7).
3. Praktijk van gebed. De juist genoemde bekering tesamen met persoonlijk en gemeenschappelijk gebed 'moet men beschouwen als de ziel van heel de oecumenische beweging'. Bij bijzondere gelegenheden is het gewenst dat de katholieken zich met hun gescheiden broeders in gebed verenigen, indachtig de toegezegde aanwezigheid van de Heer (Mt. 18,20). Of deelneming aan elkaars kerkelijke diensten, met name in de viering van de maaltijd des Heren, in het huidige stadium van de ontwikkeling der verhoudingen verantwoord is, blijft vooralsnog een open vraag. In
het ontwerp, dat aanvankelijk aan de concilievaders was voorgelegd, stond: 'de banden (tussen de gescheiden kerken) zijn helaas slechts ten dele en onvolkomen levenskrachtig, en derhalve is het niet geoorloofd de heilige mysteriën der eucharistie gemeenschappelijk te vieren' (n. 7).
Tijdens het conciliair overleg bleken er echter in de kerk twee stromingen te bestaan in het interpreteren en gelovig aanvoelen van het eucharistisch sacrament als 'het sacrament der eenheid'. De ene groep zegt: dit sacrament is de hoogste beleving van christelijke eenheid in geloven en beleven, dit teken kan alleen met waarachtigheid gesteld worden door gelovigen die ook werkelijk hetzelfde belijden en in concrete kerkelijke gemeenschap met elkaar leven. De andere groep zegt: dit sacrament is gegeven om ons tot grotere eenheid in belij den en beleven te voeren: dit sacrament wekt de eenheid, die het in teken te verstaan geeft en waartoe alle gedoopten geroepen worden. De concilievaders hebben geen van beide meningen representatatief geacht voor het geloofsgevoelen van de gehele kerk. Het decreet registreert de beginselen zowel van de ene als van de andere groep, en bepaalt vervolgens voor het huidige ogenblik, dat men 'het deelnemen aan elkanders heilige diensten niet mag beschouwen als een middel, dat men zonder onderscheid kan aanwenden voor het herstel van de eenheid onder de christenen; ... als symbool van eenheid is zij meestal verboden maar als middel tot genade verdient zij soms aanbeveling'. Het komt toe aan de plaatselijke bisschop, met in achtneming van wat eventueel de bisschoppenconferentie of de Apostolische Stoel bepaalden, om gezien de omstandigheden van tijd, plaats en personen een prudent beleid te voeren (n.

.
In een paragraaf, bijzonder gewijd aan de verhouding tot de oosterse kerken, wordt de deelneming aan elkanders heilige diensten echter zonder meer aangeraden (n. 15). Deze beslissing wordt in het decreet over de oosterse katholieke kerken nog nader uitgewerkt en mede afhankelijk gesteld van overleg met de hiërarchieën van de gescheiden kerken (n. 25-29). Uit deze concrete aanwijzingen m.b.t. de kerken van het Oosten, kan men wellicht afleiden, dat de reserves, vermeld in het decreet over het oecumenisme, vooral door het nog niet duidelijk zicht op de kerkelijke status van de Reformatie ingegeven werden.
4. Kennis van de andere overtuigingen. De katholieken worden aangespoord om door studie 'in een sfeer van waarheidsliefde en welwillendheid' beter inzicht te verwerven in 'leer en geschiedenis, geestelijk en liturgisch leven, psychische gesteltenis op religieus en cultureel gebied, zoals die kenmerkend zijn voor de gescheiden broeders' (n. 9)'
Hier valt weer het woord' dialoog', dat in heel het decreet twaalf maal gebruikt wordt, hetzij als zodanig, hetzij in combinaties als , oecumenische dialoog' of 'dialoog met de broeders'. Dit begrip behelst spreken én luisteren, meedelen én beleerd worden (Mgr. Morcillo, in: Concilietoespraken, 106-108). Elders vraagt het decreet aan de katholieken, dat zij de christelijke waarden bij hun broeders met vreugde erkennen en hoogachten, dat zij beseffen dat ook bij hen 'God wonderbaar en bewonderenswaardig is in zijn werken', en dat 'al wat de heilige Geest in onze gescheiden broeders tot stand brengt, ook kan bijdragen tot stichting van onszelf' (n. 4).
De eigen waarde respectievelijk van het oosters en van het reformatorisch christendom wordt in niet minder dan veertien paragrafenin détails beschreven (n. 14-23).
5. Oecumenische vorming van de clerus. Op de seminaries zal de theologie gedoceerd moeten worden in oecumenische geest en zonder polemiek. Deze toeleg wordt nog bijzonder aanbevolen met betrekking tot de kerkgeschiedenis (n. 10).
6. Formulering van de katholieke geloofsleer. In deze paragraaf staan enkele bijzonder belangrijke aanwijzingen, die men wellicht vanwege de bondige en verweven verwoording zou onderschatten. Helderheid in spreken is een eerste vereiste. Wanneer men met het oog op toenadering de katholieke overtuiging in het vage zou willen laten, dient men de dialoog geenszins. Zo'n irenisme is onwaarachtig en onvruchtbaar: het gaat erom, dat de katholiek datgene wat hij als authentiek christelijk ziet ook inbrengt in het gemeenschappelijk overleg. Met een kleurloze katholiek is het gesprek van de kerken, die samen naar de volheid in de waarheid zoeken, in het geheel niet gebaat.
Helderheid is vervolgens ook vereist in deze zin, dat de katholiek zijn eigen traditionele zegswijze zo verstaanbaar mogelijk tracht over te dragen. Niet weinig theologische termen en constructies zijn in een polemische periode belast geraakt, en zullen vertaald moeten worden en nader omschreven.
Het decreet dringt er in een derde aanwijzing op aan, dat de katholieke theologen samen met de gescheiden broeders moeten trachten door te dringen in de geloofsmysteriën, en wel 'waarheidsgetrouw, met sympathie en met nederigheid'. Dit laatste woord correspondeert met een aanwijzing in de vorige paragraaf, welke spreekt over de dialoog 'op voet van gelijkheid', en met verschillende andere aanduidingen die erop wijzen, dat wij van de inzichten en ervaringen der gescheiden broeders kunnen leren. De tekst spreekt nog van 'een broederlijke wedijver om de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus dieper te leren kennen en duidelijker in het licht te stellen' (n. I11).
Een vierde aanwijzing attendeert de katholieke theologen erop, dat er een rangorde bestaat in de reeks van geformuleerde katholieke overtuigingen, m.a.w. dat niet alle katholieke stellingen even belangrijk zijn omdat zij niet alle even dicht bij het centrum van het christelijk geloof staan. Zo onderscheidde aartsbisschop Pangrazio in zijn interventie tussen waarheden, die behoren tot
de orde van het doel, bijvoorbeeld de Drieëne God, de menswording, de verlossing, genade e.a., en andere die tot de orde van de heilsmiddelen behoren, zoals de zeven sacramenten, de hiërarchische structuur van de kerk, de apostolische opvolging. De tweede groep dient alleen voor de duur van de aardse pelgrimstocht van de kerk, en is ondergeschikt aan de eerste (Concilietoespraken, blz. 128 v.).
De boven genoemde aanwijzing van het vertalen gaat terug op een raadgeving van paus Joannes, die in zijn openingsrede van het concilie de opmerkelijke woorden sprak: 'De substantie zelf van het geloof of de waarheden van onze eerbiedwaardige leer dienen onderscheiden te worden van de wijze waarop zij geformuleerd worden, waarbij men echter dezelfde zin en betekenis moet behouden' (Kath. Arch. 17, 1962,983).
Het decreet gaat echter verder, waar het zegt, dat de katholieken ook van de anderen moeten leren, en dat de verdeeldheid van de christenen voor de kerk een beletsel is om de volheid van de katholiciteit, die haar eigen is, in de werkelijkheid van het leven tot uitdrukking te brengen (n. 4).
7. Samenwerking. De katholieken worden aangespoord om zoveel als maar mogelijk is met de andere christenen samen te werken op het gebied van de ménselijke samenleving, zowel onder geestelijk als materiëel opzicht. Genoemd worden: werk voor de vrede, de erkenning van de menselijke waardigheid, de wetenschap en de cultuur, de hulpverlening aan volken en mensen in nood (n.12).
In deze zeven punten voor praktisch beleid zijn feitelijk de drie oecumenische stromingen, welke al enige tijd binnen de katholieke kerk werkzaam waren, officieel erkend en gesanctionneerd. De streving namelijk naar een oecumenische houding in het theologizeren, die van het spirituele oecumenisme en die van de christelijke samenwerking op maatschappelijk terrein.
Uit de zeven punten blijkt ook de ernst van de voorafgaande principiële beschouwingen alsmede begrip voor de diepgaande verandering, welke de katholieken moeten verwerken.
4. Perspectief De katholieke kerk heeft zich in dit conciliair document voor het eerst omstandig uitgesproken over het oecumenisch streven van de christenen. Het kan niet haar laatste woord zijn. De tekst pretendeert dit ook geenszins. De katholieke kerk heeft haar onbewegelijkheid verbroken en wil pelgrimerende kerk zijn, zij heeft haar isolement verlaten en wil met de andere kerken op weg gaan. Hoe de toekomstige eenheid er uit zal zien, beschrijft het decreet nergens, maar zij noemt die 'de eenheid zoals Christus die wil'. De katholieke kerk wil haar verleden om geloofswil trouw blijven, maar belijdt tegelijkertijd 'zich te richten op de volheid waarmee de Heer zijn lichaam in de loop der tijden wil zien toenemen' (n. 24). Wel verklaart zij van de komende eenheid, dat daarin ruimte moet zijn voor 'de nodige vrijheid in de verschillende vormen van geestelijk leven en van kerkelijke discipline, alsook in de verscheidenheid van liturgieën en zelfs in het theologisch doordenken van de geopenbaarde waarheid' (n. 4). Wat deze verscheidenheid van de eenheid behelst kan de katholieke kerk nog niet uit ervaring weten, maar zij waagt het.
Met betrekking tot een toegespitst aspect van de komende eenheid, het primaat van de Apostolische Zetel van Petrus, nodigt het decreet uit de situatie te bestuderen zoals die was vóór de grote scheiding (n. 14), en tevens 'verklaart de heilige kerkvergadering, om iedere twijfel weg te nemen, plechtig dat de kerken van het Oosten met inachtneming van de noodzakelijke eenheid van de gehele kerk, het recht hebben zichzelf te besturen volgens hun eigen kerkelijke discipline' (n. 16). Dit citaat wil slechts illustreren, dat het primaat niet noodzakelijk in deze vorm gehandhaafd behoeft te worden, welke het na eeuwenlange geïsoleerde ontwikkeling in het Westen gekregen heeft. Wezenlijk voor de katholieke geloofsovertuiging lijkt, dat het petrinisch ambt als bediening der kerkelijke eenheid op een of andere wijze in de toekomstige eenheid zal moeten functioneren. Over de nadere vormgeving is nog alles te overleggen. Dat de katholieke kerk zelf hierbij in elk geval al denkt aan de collegiale ambtsuitoefening van het bisschoppencorps is tijdens dit concilie duidelijk aan de dag getreden.
Wanneer men de pelgrimage van paus Paulus in 1964 naar het heilig land als teken beschouwt van de katholieke kerk die in beweging is gekomen, dan mag men in de ontmoeting van de paus aldaar met de patriarchen van Constantinopel en Jerusalem een profetisch teken zien van de bereidheid der katholieke kerk om samen met de andere kerken op weg te gaan.
De paus noemde zijn bedevaart allereerst een boete-tocht. Het decreet over het oecumenisme erkent, dat de scheiding 'niet zonder schuld aan beide zijden' tot stand is gekomen (n. 3), dat ook de katholieken 'tegen de eenheid zondigden' (n.7) en dat de scheiding mede te wijten is aan 'gebrek aan wederzijds begrip en onderlinge liefde' (n. 14). De paus heeft zowel ten overstaan van de concilievaders als in het midden van de waarnemers en gasten uit de andere kerken schuld bekend en vergeving gevraagd (Kath. Arch., 18, 1963, 1084 en 1229)' De herroeping van de wederkerige excommunicatie te Rome en te Constantinopel op 8 december 1965 was een oprechte geste van verlangen om te vergeven en vergeving te ontvangen. Met die bedoeling ook liet paus Paulus de reliek van de apostel Andreas in 1964 vanuit het midden der concilievaders plechtig terugbrengen naar de kerk van Griekenland. Tevens gingen er gezanten naar de patriarch van Moskou en de aartsbisschop van Canterbury, terwijl een blijvend contact met de patriarch van Constantinopel werd ingeleid. Deze blijken van interesse in de oecumenische beweging aan katholieke zijde zijn serieus genomen door talrijke kerken en kerkelijke gemeenschappen, de Wereldraad van kerken en talrijke gelovigen in de andere kerken. Zij zonden hun waarnemers naar het concilie - wier aantal van ongeveer veertig tijdens de eerste periode opliep tot bijna honderd bij de laatste -, zij lieten hun hoogste ambtsdragers naar Rome gaan en nodigden op hun beurt katholieke waarnemers voor hun eigen vergaderingen. Een bijzonder blijk van vertrouwen gaf de Wereldraad door na de proclamatie van het decreet de katholieke kerk uit te nodigen tot het vormen van een gemengde commissie, die de mogelijkheden van gemeenschappelijk overleg en werk door de Wereldraad en de katholieke kerk zou onderzoeken. Kardinaal Bea werd op 18 februari 1965 te Genève, de zetel van de Wereldraad, officieel en hartelijk ontvangen om het instemmende antwoord vanuit Rome over te brengen. De gemengde commissie is gevormd en intussen aan het werk getogen.
Waar het decreet de oecumenische activiteit niet tot het secretariaat beperkt, maar' de beweging aanbeveelt bij de bisschoppen over de gehele wereld om haar met voortvarendheid te bevorderen en met vooruitziende blik te leiden' (n.4) werden in de laatste jaren ook elders contacten gelegd met de deelgenoten in de oecumenische beweging, die hier niet genoemd kunnen worden. Maar het perspectief is hoopvol in de mate, dat 'de gehele kerk, gelovigen zowel als herders' gehoor geven aan de oproep, welke het decreet over het oecumenisme is (n. 5). Het concilie spreekt over deze oproep als 'de genade van een goddelijke roeping' (n. I), en over de vervulling ervan als een werk van de heilige Geest (n. 24).