quote:
Enige tijd geleden heb ik een tekst geschreven om mijn eigen gedachten rond dit onderwerp beter te bepalen. Voor wat het waard is:
Celibaat in relatie tot Eucharistie en Biecht Inleiding Dominee en priesterIn een artikeltje in de krant over het celibaat werd, met citaten van een dominee, kort gezegd de redenering opgezet:
- Priesters en dominees hebben dezelfde taken
- Beiden werken vanuit dezelfde Bijbel
- Dominees mogen trouwen
- Het celibaat is een veel te zware opgave, en zoals uit het voorgaande wel blijkt: totaal niet nodig
Ik heb daarop een brief aan de krant gestuurd, waarin ik stelde dat dominee en priester niet dezelfde taken hebben [1] en dat juist in het verschil de betekenis van het celibaat gevonden kan worden. Dat protestanten daarnaast ook niet dezelfde Bijbel hanteren heb ik maar buiten beschouwing gelaten, omdat het vermoedelijk niet zoveel betekenis heeft voor deze kwestie. Dat neemt niet weg dat ik voor het navolgende me wel baseer op de katholieke Bijbel [2]. Het navolgende is dan ook niet bedoeld als polemiek om protestanten ergens van te overtuigen. Het is puur het resultaat van mijn eigen persoonlijke nieuwsgierigheid. Ik voel aan dat het verband dat ik gelegd heb juist is, maar ik was benieuwd of ik dat kon onderbouwen. Uit het navolgende zal blijken dat dat inderdaad kan. Wat ik niet voorzien had, is dat het celibaat in zekere zin niet beperkt is tot katholieke geestelijken en religieuzen, maar dat het in één of andere vorm een dragend principe is voor alle katholieke gelovigen.
Celibaat en gnostiekEen punt waar ik niet op ben ingegaan is de vraag of het celibaat niet een uiting is van de gnostische haat jegens het materiele in het algemeen en het lichamelijke in het bijzonder. Als ik gelijk heb, is dat verband dan ook zo onzinnig, dat het de argumentatie niet waard is. Mijn uitgangspunt is immers dat het celibaat, naast veel anders, vooral een kwestie is van het onderhouden van een monogame relatie. Een monogame relatie die niet minder fysiek, niet minder lichamelijk is, dan een huwelijkse relatie.
Orthodoxie en vrijzinnigheidIk streef er naar me te baseren in het navolgende op het geloof van eeuwen zoals dat van Jezus Christus zelf afkomstig is, en ons is overgeleverd door apostelen, apostolische vaders, oecumenische concilies en het levend leergezag van de Katholieke Kerk in communio met de bisschop van Rome. Ik negeer bewust vrijzinnige visies op Jezus Christus, Zijn kruisoffer en de Eucharistie. Visies die wezenlijk het menselijk vermogen tot begrijpen belangrijker achten dan het menselijk vermogen tot geloven zijn naar mijn overtuiging simpelweg irrelevant.
Wat is het celibaat? Omschrijving van het begripHet begrip “celibaat” wordt vaak gebruikt in de betekenis van “geen seksuele relatie onderhouden”. Hoewel dat een bruikbare werkdefinitie kan zijn, wil ik het begrip iets nader specificeren. Het begrip zou te zeer beperkt worden door het te beperken tot de vraag naar seksuele betrekkingen. Daar bestaat dan ook al een ander begrip voor: kuisheid. Kuisheid betekent niet “zich onthouden van seks”, maar “seks de plaats geven die het in Gods scheppingsorde heeft, gezien de levensstaat van een persoon”. Het celibaat is, hoewel niet exact, te zien als een levensstaat. Het celibaat is dan ook niet primair een begrip dat betrekking heeft op seksualiteit, maar op de relaties die iemand heeft. Wie verkiest celibatair te leven verkiest de levensstaat waarbij de totale zelfgave, die in een huwelijk aan de huwelijkspartner is, aan Jezus Christus is. Hierin blijkt ook duidelijk het verschil tussen het celibaat en de levensstaat van maagden en weduwen/weduwnaars. Maagden en weduwen/weduwnaars kiezen, uitzonderingen daar gelaten, niet voor een levensstaat, maar zijn om welke reden dan ook op enig moment niet verbonden in een huwelijksrelatie. Wie kuis leeft, beperkt de seksualiteit tot het huwelijk.
Als het celibaat een keuze is zichzelf volledig te geven aan Jezus Christus, dan zou dat tot de conclusie kunnen leiden dat gehuwden en zij die om andere redenen ongehuwd zijn, zich niet, of minder volledig aan Jezus Christus geven. Tot op zekere hoogte is dat inderdaad waar. De zelfgave die onvoorwaardelijk aan het huwelijk is verbonden sluit een volledige gave aan Jezus Christus uit. Dat wat je aan je partner geeft, kan je niet aan Jezus Christus geven. Niet in liefde, niet in tijd, niet in aandacht, en ook niet lichamelijk. De Schrift is daar duidelijk in, “Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen” [3]. Maar dat maakt het huwelijk niet tot een mindere levensstaat dan het celibaat. Waar de celibatair meer geroepen is Jezus te volgen, is de gehuwde meer geroepen Jezus liefde present te stellen in de wereld en bij te dragen aan Gods scheppingswerk.
Uit de Katechismus van de Katholieke Kerk blijkt dat de Kerk onder het celibaat een levensstaat verstaat, waarbij wordt afgezien van het huwelijk en dus gekozen wordt voor de maagdelijkheid “omwille van het rijk der hemelen” [4]
Het celibaat als mystieke waarde uit de monastieke traditieIn de grote monastieke tradities zoeken mensen de nabijheid van God door hindernissen op te ruimen die hen daar van afhouden. De grote bindingen van de mens zijn het eigen ego, seksuele lust en bezit [5]. Dat wil niet zeggen dat een gezond gevoel van eigenwaarde, plezier in seks of materiele goederen in zichzelf slecht zijn [6]. Het betekent alleen dat dit wel de drie zaken zijn waaraan de mens zich makkelijk bindt, tot verslaving aan toe. Voor de religieus [7] is dit reden genoeg om radicale geloften aan te gaan met betrekking tot deze drie bindingen. Men kiest voor een leven zonder persoonlijk bezit, in gehoorzaamheid en in celibaat. [8]
Het celibaat als spirituele waarde uit de seculiere traditieVoor de seculiere [9] priester ligt de nadruk van zijn leven nog meer dan bij de religieus, in de wereld. Toch is ook de seculiere priester op zoek naar Gods nabijheid, en de drie bindingen waar de religieus zo radicaal kiest van af te zien, zijn ook voor de seculiere priester van betekenis. De radicaliteit is echter minder, aangezien de seculiere priester grosso modo veel rechtstreekser werkzaam is in de wereld, dan de religieus. De priester belooft gehoorzaamheid aan zijn bisschop, maar wordt wel geacht vrij zelfstandig zijn werk in te vullen. Hij kiest voor relatieve armoede, maar niet voor bezitloosheid. En hij kiest voor het celibaat.
Het celibaat is voor de seculiere priester net zo radicaal als voor de religieus. Vaak wordt dit verklaard op grond van het idee dat de priester altijd beschikbaar moet zijn voor zijn parochie, en dat zou niet kunnen met een huwelijk. Dominees en priesters in de anglicaanse kerken, de oud katholieke kerken en in de orthodoxie tonen echter aan dat dat argument niet opgaat. Argumenten als zou de priester een radicaal teken in de wereld moeten zijn klinken beter, maar zijn in hun vaagheid nauwelijks betekenisvol te maken. De verklaring dat de seculiere priester volledig toegewijd moet zijn aan Jezus Christus klinkt zinvol, maar is dat alleen omdat het een cirkelredenering is. Want waarom moet een priester dan zo volledig aan Jezus Christus zijn toegewijd?
De geschiedenis laat in ieder geval één spirituele waarde van het celibaat zien. Het werd rigoreus doorgevoerd in de Latijnse Christenheid om de schande van simonie uit te roeien. In een tijd dat priesters, zonder al te veel opleiding, zonder al te veel spirituele begeleiding, kinderen hadden, hadden zij een groot belang bij het vergaren van bezit ten behoeve van hun kinderen. De enige handelswaar die een priester had waren de geestelijke goederen, de sacramenten. Dit leidde tot een brede acceptatie van simonie als middel voor priesters om een nalatenschap voor hun kinderen op te bouwen. Door het celibaat als werkelijke voorwaarde te stellen, en niet alleen als openlijk genegeerde regel, voor de priesterwijding werden priesters geholpen zich verre te houden van deze zonde. [10]
Voor wie is het celibaat? Het volle celibaatDe Kerk wijdt alleen die mannen tot priester, die gekozen hebben voor de celibataire levensstaat. Aangezien alleen priesters tot bisschop worden gewijd, zijn ook de bisschoppen celibatair. Daarnaast wordt aan alle religieuzen gevraagd de gelofte van kuisheid af te leggen, wat eveneens neerkomt op het celibaat. Ten slotte kent de Kerk nog de “gewijde maagden”. Dit zijn mensen die niet kiezen voor het religieuze leven in een reguliere orde, maar die wel kiezen voor een Godgewijd leven, zonder huwelijk.
Het uitgestelde celibaatAls een man tot diaken wordt gewijd, niet als stap op weg naar het priesterschap, maar als doel op zich, belooft ook hij niet te huwen. Echter, de Kerk wijdt wel gehuwde mannen tot diaken [11]. Dit betekent praktisch dat een gehuwde diaken een vorm van uitgesteld celibaat kent. Hij is gehuwd, maar als hij op enig moment weduwnaar zou worden, dan leeft hij verder celibatair.
Het celibaat voor leken: vasten en onthoudingVoor leken bestaat het celibaat normaliter niet als levensstaat. Toch zijn ook leken geroepen, hoewel minder radicaal, Jezus Christus te volgen. Voor leken, met name relevant voor gehuwden, krijgt de oproep tot celibaat een plaats in vasten en onthouding. Juist omdat seksualiteit een ontstaansvoorwaarde is voor het huwelijk [12], en ook in het voortduren van het huwelijk een, niet de, centrale plaats inneemt en daarmee één van de definiërende eigenschappen [13] is van het huwelijk, is er een moment waarop de seksualiteit uit het huwelijk wordt gehaald, en waarmee als het ware het huwelijk zelf in een lagere versnelling wordt gezet. En dat is precies dan wanneer de gelovige zich volledig open stelt naar Jezus Christus, wanneer de gelovige de berg van God beklimt [14]. Paulus wijst hier op [15]. De Kerk leert dan ook dat in een periode van vasten, in een dag van onthouding, en in de onthouding voorafgaand aan de Eucharistie, de gelovige niet alleen eten en drinken moet beperken, maar ook seksualiteit.
De vraag blijft knellen: als het celibaat nodig is voor wie zich volledig aan Jezus Christus wil geven, als ook gehuwden zich dienen te onthouden van seksualiteit als zij zich volledig naar Jezus Christus willen richten, is de conclusie dan niet dat seksualiteit iets slechts is, iets laags, of toch minstens iets dat afhoudt van Jezus Christus? Dat laatste is waar. Seksualiteit is, wanneer het past in Gods scheppingsorde, volledige zelfgave aan een ander mens, aan de huwelijkspartner [16]. Volledige zelfgave aan de één kan niet samengaan met volledige zelfgave aan de ander. Uitsluitend in die zin houdt seksualiteit inderdaad af van Jezus Christus. Maar het huwelijk is niet voor niets het beeld van de relatie van Jezus Christus met de Kerk. Jezus heeft de Kerk niet lief alsof het zijn eigen lichaam is [17], maar Hij heeft de Kerk lief die zijn eigen lichaam is. In die liefdesrelatie heiligt Jezus zijn bruid, en daarin de gelovige [18]. De gehuwde gelovige heeft twee strijdige opdrachten gekregen: zelfgave aan de partner inclusief seksualiteit en volledige gave aan Christus. Dit conflict wordt zo door Jezus zelf opgelost, in het huwelijk dat Hij is aangegaan met de Kerk. Van de gelovige vraagt dit een kleine bijdrage, passend naar vermogen: gelovige liefde en vertrouwen en van tijd tot tijd korte periodes van seksuele onthouding. Jezus zelf brengt in zijn huwelijk met de Kerk al het andere in.
Het celibaat in de Orthodoxe zusterkerkenIn de jonge Kerk kende men bisschoppen en diakens. Voor zover men al priesters kende, was hun rol beperkt. De bisschop was meer dan nu priester, pastoraal en herder van zijn kudde, en minder bestuurder van een organisatie. De organisatiekant lag meer bij de diakens. De specifieke betekenis van het celibaat voor de priester van vandaag lag in die tijd dan ook vooral duidelijk bij de bisschop. In de oudste documenten van de Kerk wordt dan ook met name het celibaat van bisschoppen vastgelegd. Sinds het grote oosterse schisma, net als overigens in het Utrechtse schisma, stellen de schismatieke Kerken dat de gehele Kerk niet meer samen komt en dat men dus dient vast te houden aan de uitspraken van de oecumenische concilies van vóór 1054 en dat daar niets leerstelligs aan kan worden toegevoegd totdat de gehele Kerk opnieuw samen komt. Men houdt dus wel vast aan het celibaat voor bisschoppen, maar niet aan het priestercelibaat, ook al heeft de rol van de priester bij de Orthodoxe zusterkerken een vergelijkbare ontwikkeling meegemaakt in de praktijk als in de Kerk. Overigens heeft men in de Griekse christenheid het priestercelibaat altijd al van minder belang geacht dan in de Latijnse christenheid.
Het celibaat en de liefdesdaad in de heilige Schrift De Mozaïsche mythen en wettenIn de Mozaïsche mythologie is de wereld nog nadrukkelijk een mannenmaatschappij. Het idee dat het huwelijk een vorm van totale zelfgave is aan de partner lijkt nog maar zeer beperkt aanwezig. Zelfs in het scheppingsverhaal komt de vrouw vooral naar voren als hulp van de man [19]. Polygamie [20], seks met prostituees [21] is normaal, of in ieder geval niet iets waar de schrijvers zich erg druk om lijken te maken. Incest als noodzakelijk middel voor voortplanting wordt zonder toelichting, laat staan afkeuring, verondersteld, zoals bij de kinderen van Adam [22] of bij de kleinkinderen van Noach [23], of zelfs expliciet beschreven, zoals bij de dochters van Lot [24]. Zelfs als je de Mozaïsche boeken als historisch ziet, is dit al opmerkelijk. Maar als je bedenkt dat de vijf boeken van Mozes waarschijnlijk geschreven werden in de Babylonische ballingschap [25], is het minstens opmerkelijk te bedenken dat de schrijvers of redacteuren zeer goed op de hoogte waren van de zedelijke wetten van het Joodse volk. [26]
Vaak worden deze feiten, met name de terugkerende incest, verklaard vanuit het idee dat de Wet van Mozes nog niet gegeven was en dus nog niet geldig was. Ook allerlei wildere verklaringen circuleren, zoals dat de eerste mensen biologisch nog zo “goed” waren dat ze niet alleen opmerkelijk oud werden [27] maar dat incest ook nog niet zo schadelijk was als tegenwoordig. In het licht van de redeneringen die nog steeds worden gebruikt om homoseksualiteit als een “gruwel Gods” te presenteren (NB: niet door de RKK zelf [28]) is het wat bizar dat de ene daad wel fout is, ook buiten de jurisdictie van de Joodse Wet en de andere daad pas fout is vanaf het moment dat de Joodse Wet in gaat. Waarschijnlijker lijkt mij, dat in het verstaan van het Joodse volk, tijdens de Babylonische ballingschap of lang daar voor, men de betekenis van de vrouw simpelweg zoveel minder zag als die van de man, dat het hele idee van seksualiteit als uiting van liefde en zelfgave tussen twee gelijkwaardige partners niet aan de orde was. Andere zaken, zoals voortplanting en daarmee voortbestaan van het Joodse volk, waren belangrijker.
In die wereld zou het celibaat niet alleen onaanvaardbaar zijn, het zou ook een totaal andere betekenis hebben dan in het christelijke verstaan van man, vrouw en huwelijk. Het stamverband en het familieverband lijken in de Mozaïsche verhalen in elkaar over te lopen. Voor de stammen van Israël is grond een essentieel bezit. Zowel een gebied voor de kuddes, als later grond om te bebouwen, grond is dat wat een stam bij elkaar houdt, wat de stam in leven houdt, en wat de stam bezig houdt. Zoals in het Nieuwe Verbond de relatie tussen God en mens nogal eens in het beeld van het huwelijk wordt geplaatst, zo komt in het Oude Verbond het beeld naar voren van de herder en de kudde [29]. Als die vergelijking op gaat, en het celibaat “van nature” bij de priester hoort, dan moet mutatis mutandis in de Joodse Wet een priester bestaan die zich onthoudt, niet van het huwelijk, maar van het bezit van land.
“De levitische priesters, alle leden van de stam van Levi, zullen geen bezit en eigendom mogen hebben zoals de overige Israëlieten: zij moeten leven van de gaven die men aan Jahwe offert en van diens bezit. Levi zal geen grond bezitten zoals zijn broeders: Jahwe zal zijn bezit zijn, zoals Hij hem beloofd heeft.” [30]
De historische geschriftenIn de historische [31] geschriften, zoals Rechters, Samuel, Koningen, Kronieken, Makkabeeën blijkt vooral dat de lijnen die zijn uitgezet in de mythologie van Israël doorwerken in Israëls geschiedenis. Ook hier zijn vrouwen vaak niet veel meer dan bezit zonder eigen persoon of waarde en zeker zonder veel invloed op het eigen leven [32], is prostitutie vooral een zonde voor de prostituee maar is zowel de prostituee als de prostituant niet bepaald en schokkende verschijning [33], en worden zaken als verkrachting [34] nergens veroordeeld op grond van de schending van de vrouw of van de betekenis die seksualiteit binnen het huwelijk zou moeten hebben. Wel treedt in de historische geschriften de Leviet op: priester en levend van giften. [35]
Terzijde: de christelijke priester staat niet in de lijn van de Leviet. Veel eerder wordt de vergelijking met Melchisedek [36] gezien. Maar ook met de oudtestamentische profeten kan een verbinding worden gelegd. Het Oude Testament is al met al wel een voorafschaduwing van de christelijke tijd, maar dat betekent niet dat één-op-één lijnen zijn te trekken. Toch is de Leviet relevant, in zoverre hij de eredienst van de Heer verrichte, zoals ook de christelijke priester de eredienst van de Heer verricht.
De profeten en de profetische geschriftenEnkele profeten die er in dit verband uitspringen zijn Jesaja, Ezechiël en Maleachi. Bij Jesaja wordt de geboorte van de Messias uitgebreid aangekondigd. [37] In de Massoretentekst, die tot stand kwam in de periode van 500 – 1000 NA Christus, maar die sindsdien nogal eens wordt aangeduid met “de grondtekst” is sprake van een woord dat zowel “maagd” als “jonge vrouw” kan betekenen. In de Septuagint, die tot stand kwam vanaf de derde eeuw VOOR Christus en die de basis vormt voor de katholieke Bijbel, voor de Vulgaat, en die volgens modern Bijbelonderzoek hoogst waarschijnlijk de tekst is die de evangelisten kenden en als basis gebruikten, is een duidelijke keuze gemaakt voor “maagd”. De maagd waarover Jesaja spreekt, is klaarblijkelijk Onze Lieve Vrouwe, de moeder van Christus en in zekere zin de personificatie van de Kerk [38]. Naar het geloof van de Kerk nam de Zoon van God het vlees aan via een maagd.
Ezechiël roept heel nadrukkelijk het beeld van het mislukte huwelijk op. Het falen van Israël wordt uitgedrukt in de termen van onkuisheid, van hoererij [39]. Israël wordt niet voorgesteld als de man die zijn vrouw bedriegt met een hoer, maar als de vrouw die haar man bedriegt en zelf als hoer leeft. Het is als het ware het spiegelbeeld van Christus’ Kerk, zijn heilige bruid. God belooft hier aan Israël, nu nog het biologische volk van Joden, maar zoals we inmiddels weten het geestelijk Israël, de Kerk van Christus [40], harten van steen weg te nemen en te vervangen door een hart van vlees [41]. Als dit nieuwe Israël wordt samengebracht zal het niet langer in een geestelijke hoererij leven, maar zal het geestelijk kuis zijn. [42]
Bij Maleachi lezen we de profetie dat er een tijd zal komen dat alle volkeren, niet alleen de Joden, Hem een zuiver broodoffer zullen brengen. [43] In het verstaan van de Kerk is dit een expliciete aankondiging van de christelijke tijd, waarin de katholieke Kerk, dat wil zeggen de Kerk van alle volkeren, Hem het enig mogelijke zuivere offer brengt, het offer van de Zoon aan het kruis van Golgotha. Een broodoffer, en een zuiver offer, de Eucharistie waarin het broodoffer en het zuivere offer van Golgotha volmaakt worden verenigd.
Het HoogliedHet Hooglied is alles behalve een lied over het celibaat. Het is de meest zinnelijke verwoording van de huwelijksliefde die de Bijbel kent. Maar het is zoveel meer dan dat. Het is zeker ook een diepzinnige lofzang op de liefde van Jezus voor zijn Kerk, voor de in individuele gelovige. De bruidegom in het Hooglied is Jezus, de bruid de Kerk, de gelovige. Dat het daarbij niet uit maakt of die gelovige vrouw [44] is of man [45], maar dat de gelovige altijd de bruid is, blijkt uit de lange traditie van het verstaan van het Hooglied. Zo verstaan spreekt uit de teksten van het Hooglied de liefde tussen bruidegom en bruid, de gave van bruidegom en bruid aan elkaar, in een liefdesrelatie waarbij overigens bruid en bruidegom ieder een eigen, niet inwisselbare positie hebben. In deze liefde neemt de bruidegom de bruid tot vrouw, om haar lief te hebben, haar te beschermen, haar te voorzien van wat ze nodig heeft en haar te leiden. De bruid neemt de bruidegom tot man, om hem lief te hebben, hem een thuis te bereiden en zijn kinderen te dragen. Dat mag een weinig geëmancipeerd beeld schijnen, het is het beste wat het huwelijk te bieden heeft gehad in de gehele geschiedenis van de mens. Het is nergens beperkend, maar het is funderend en het geeft in zijn ideale vorm bescherming en vrijheid aan beide partners, maar evenzeer verantwoordelijkheid. Die ideale vorm, is de relatie tussen de bruidegom Jezus en de bruid, zijn Kerk.
De synopticiDankzij de wetenschappers die onderzoek doen naar de cultuur van Israël in de jaren voor de vernietiging van de tempel, weten we dat het nauwelijks denkbaar is dat een rondreizend rabbi ongehuwd en kinderloos was. We weten dat wie in de synagoge mocht lezen en verklaren [46] rabbi moest zijn. De moderne wetenschap leert ons dat als Jezus optrad zoals beschreven door de synoptici, hij een opleiding tot rabbi moet hebben gevolgd en dat hij vrijwel zeker gehuwd moet zijn geweest. En dankzij Dan Brown kunnen we ons voorstellen dat Zijn vrouw Maria Magdalena was [47]. Het is zonder meer mogelijk, maar het is opmerkelijk dat de synoptici ons wel vertellen over de vrouwen die Jezus vergezelden [48], Hem als geëerd gast ontvingen en van Hem leerden [49], Hem materieel ondersteunden [50], maar dat ze geen letter besteden aan Zijn vrouw. Als Jezus getrouwd was, dan is dit huwelijk ongenoemd, er wordt niet naar verwezen, zelfs iedere suggestie van een huwelijk ontbreekt bij de synoptici. Van de apostelen weten we evenmin iets over een echtgenote, maar dankzij onder andere Marcus weten we dat Petrus een schoonmoeder had [51] en dat hij dus gehuwd was, of weduwnaar. Jezus en de apostelen waren, volgens de moderne wetenschap, misschien vreemd in hun levensstaat, maar waarom het vreemder zou zijn dat een Jood ongehuwd was in die tijd, dan dat hij op al mogelijke manieren de Joodse Wet [52] en cultuur aan zijn laars lapte, vertelt de wetenschap niet. Of Jezus zelf gehuwd was of niet, is geen dogmatisch punt in de Kerk, maar op grond van wat de synoptici vertellen is zonder enige twijfel duidelijk dat Jezus de familieband ondergeschikt vond aan Hem volgen [53]. Tegelijk spreekt Hij zich uiterst expliciet uit over de onmogelijkheid het huwelijk te verbreken [54]. Hoe valt dit te verstaan, als het niet is middels het celibaat? Hij acht het huwelijk heilig, maar wie Hem echt ten volle en radicaal wil volgen zal alles achter zich moeten laten: bezit [55] en het huwelijk, en wie deze radicaliteit kiest zal ook moeten leren niet naar eigen inzicht te handelen, maar naar gehoorzaam verstaan van Zijn wil. [56] Armoede, kuisheid en gehoorzaamheid, zoals eerder genoemd.
Specifiek over het celibaat zeggen de synoptici weinig, hoewel één uitspraak van Christus wel zo verstaan kan worden: ”maar ook zijn er onhuwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen” [57].
Johannes evangelieJohannes bereidt ons voor op dat andere aspect: de relatie tussen Jezus de bruidegom, de Kerk zijn bruid, en de viering van de Eucharistie als de liefdesdaad van dat huwelijk. In Kana wordt alles voor het eerst samengebracht. Centraal staat het huwelijk [58], dat Jezus later onverbreekbaar zal verklaren. Maria, personificatie van de Kerk roept op tot gehoorzaam uitvoeren van wat Hij maar vraagt [59]. Het reinigende water [60], dat we later terugzien als het reinigende doopwater, de beste wijn ooit gedronken [61], en de eerste gedaanteverandering zoals we die later opnieuw rond onder andere wijn zullen tegenkomen [62].
Johannes spreekt uiterst vrijmoedig over de huwelijksdaad van Jezus Christus en Zijn bruid, de Kerk. Schokkend voor veel van Zijn volgelingen, zo schokkend dat ze Hem verlaten [63]. Schokkend voor moderne christenen buiten de Kerk [64], zozeer dat ze Zijn woorden liever “geestelijk” verstaan [65], zoals ook het Hooglied zo vaak uitsluitend geestelijk is verstaan. Johannes is dan ook schokkend open. Nog minder poëtisch, nog minder verhullend dan het Hooglied, schrijft Johannes immers over een fysieke liefdesdaad. Hij beschrijft deze niet alleen, hij vertelt ook hoe noodzakelijk deze daad is. Zoals een absolute ontstaansvoorwaarde voor het huwelijk de huwelijksdaad is en zoals diezelfde huwelijksdaad een essentieel onderdeel van het huwelijk blijft binnen de grenzen van het mogelijke, zo is het met de liefdesdaad die Johannes beschrijft [66]. Waar het Hooglied, Paulus, en vele andere teksten in de Bijbel veronderstellen dat de lezer wel weet dat de huwelijksdaad de daad is waarbij de bruidegom lichamelijk, vlees en bloed, in het lichaam van de bruid komt en deze daad zo het huwelijk versterkt, de liefde doet groeien, en het huwelijk vruchtbaar maakt, veronderstelt Johannes niets. In tegendeel, hij beschrijft bijna pijnlijk expliciet de liefdesdaad die de relatie tussen Jezus de bruidegom en de Kerk, zijn bruid, doet ontstaan en draagt, de relatie versterkt, de liefde doet groeien en de relatie vruchtbaar maakt. En dus citeert Johannes Jezus zelf, als Hij vertelt dat de relatie tussen Hem en zijn bruid niet alleen een geestelijke relatie is, niet alleen gedragen wordt door een Platonische liefde, maar dat de hele relatie niet eens kan bestaan als ze niet ook haar fysieke component kent: de Eucharistie.
Paulus in Handelingen en brievenÉén opmerkelijke uitspraak, een verzuchting van de apostel bijna, moet nog genoemd worden: “Ik zou willen dat alle mensen waren zoals ikzelf” [67]. Of Paulus hiermee het celibaat voor alle mensen adviseert is niet helemaal duidelijk, maar glashelder is wel dat de apostel zelf het celibaat als meest passend bij zijn roeping ziet.
Het celibaat in de traditie van de KerkHet vrijwillige celibaat heeft al vanaf het allereerste begin een positieve status gekend in de Kerk. Paulus spreekt er zijn voorkeur voor uit, de bisschop van Sardes (omstreeks 170) koos er voor. Origines beschouwde het celibaat als teken van een totaal toebehoren aan Christus, Tertullianus sprak er zijn waardering over uit. [68] Het was echter in de eerste eeuwen eerder regel dan uitzondering dat priesters gehuwd waren. Rond 300 blijkt wel uit diverse documenten en concilies dat de vraag naar het celibaat in toenemende mate gesteld wordt. Wat ook belangrijk is vast te stellen, is dat in die tijd huwelijk in onthouding als geëigende weg wordt gezien voor gehuwde priesters [69]
NiceaNicea lijkt vrij duidelijk het celibaat vast te leggen. Zo wordt bisschoppen, priesters en diakens verboden een vrouw in huis te laten wonen, anders dan hun moeder, zus, tante, “of enige onverdachte vrouw” [70] Een expliciete vastlegging van het celibaat werd wel voorgesteld, maar haalde het uiteindelijk niet.
TrenteNa de grote ketterijen van de eerste eeuwen, met name het Nestorianisme en het Arianisme, kende de Kerk lange tijd niet meer dergelijke massale bedreigingen in de leer. Pas met de reformatie was opnieuw een concilie nodig dat punt voor punt alle misvattingen uit een grote ketterij moest weerleggen. In de documenten van Trente keert het celibaat dan ook weer nadrukkelijk terug. Niet langer is de vraag binnen de Kerk relevant of het celibaat van betekenis is, de Kerk moet nu vooral naar buiten, dus richting reformatie, duidelijk maken dat het celibaat haar waarde heeft. Dit in tegenstelling tot de benadering van Luther. Het concilie geeft dan ook niet zozeer de betekenis van het celibaat aan, maar stelt simpelweg dat de gelovige de waarde van het celibaat niet mag ontkennen:
“Als iemand zegt:
dat de huwelijksstaat de voorrang moet hebben op die van de maagdelijkheid of het celibaat en dat het niet beter en zaliger is (melius ac beatius) in maagdelijkheid of celibaat te leven dan te huwen,
hij zij verdoemd.
” [71]
Vaticanum IIVaticanum II is niet zozeer een antwoord op een opkomende ketterij, zoals zoveel eerdere concilies, maar is vooral een antwoord op de veranderende tijd. Het concilie lijkt op het oog wat dubbel over het celibaat. Enerzijds wijst het concilie op de zwaarte van het “eerbiedwaardige traditie van het priestercelibaat” [72], en anderzijds stelt het concilie vast dat het celibaat geen wezenlijke eis is voor het priesterschap. [73] Dit neemt niet weg dat de concilievaders het celibaat wel nog passend achten voor de priester.
Sacerdotalis CaelibatusZoals op velerlei gebied, wordt ook op het punt van het celibaat direct na Vaticanum II al “herstelwerk” gestart. Waar de concilieteksten wel erg veel ruimte lijken te bieden voor moderniteit en vrijzinnigheid [74], reageert met name de heilige stoel met nadere uitleg, interpretatie en toelichting, onder andere middels encyclieken. Voor het celibaat is de relevante encycliek Sacerdotalis Caelibatus, van Paulus VI uit 1967. Nog maar enkele jaren nadat Vaticanum II teksten produceerde waaruit de indruk kon ontstaan dat het celibaat aan betekenis begon te verliezen, maakte Rome hiermee glashelder dat daarvan geen sprake was. In tegendeel, Paulus VI getroost zich veel uitleg om te laten zien waarom het celibaat zo belangrijk was, is en blijft, en hoe dat in het licht van Vaticanum II begrepen kan worden. Zonder precies uit te leggen wat hij concreet bedoelt, wijst Paulus VI op de ware betekenis van het celibaat:
“De ware en diepste reden van het celibaat ligt, gelijk wij boven reeds zeiden, hierin, dat de priesterkandidaat zichzelf door een nauwere en vollediger relatie wil binden aan het mysterie van Christus en de Kerk, tot heil van de gehele mensheid. En er bestaat geen twijfel aan, dat deze hoogste waarden van de mens in deze keuze het best tot hun recht kunnen komen” [75]
De bediening van de sacramenten in de KerkDe sacramenten van de leekHet sacrament dat regulier door leken, en uitsluitend door leken, bediend wordt, is het huwelijk. Het huwelijk is de onverbreekbare liefdesband die een man en een vrouw aangaan, gericht op elkaars welzijn en op het voortbrengen en opvoeden van kinderen. In het huwelijk nemen de gehuwden de opdracht op zich om een beeld te zijn van Christus’ liefde voor de Kerk, zij stellen deze relatie als het ware present in de wereld. Juist omdat het huwelijk tussen leken een presentatie is van Christus relatie met de Kerk, kan het huwelijk door niemand anders worden gesloten, dan door de partners zelf. In dit sacrament is Christus niet afwezig, Hij is getuige, drager en bestendiger van het huwelijk.
De doop kan door een leek worden bediend. Sterker, zelfs een niet-katholiek, of een niet-Christen kan dopen. Dit geldt echter alleen voor nood-situaties. De doop is een sacrament dat een mens schoon wast van de gevolgen van de erfzonde, en van de zonde. Een katholieke doop is daarnaast de toegangspoort tot de Kerk, waarbuiten geen heil is [76]. Op het eerste gezicht lijkt de toegang tot het heil daarmee onnodig moeilijk, maar daar zijn wat kanttekeningen bij te maken.
Enerzijds, ook al is de doop heilsnoodzakelijk [77], ze neemt in zichzelf niet onze neiging tot zondigen weg en dat betekent dat we binnen de kortste tijd na de doop alweer vervallen tot zonde. De doop is als jodium dat een wond schoon wast, maar alleen Christus is het medicijn dat de wondkoorts werkelijk kan bestrijden. We hebben die doop nodig, omdat anders het medicijn zijn werk veel minder goed kan doen, maar de genezing vinden we in de Eucharistie, de Biecht en de Ziekenzalving, niet in de doop zelf.
Anderzijds, hoewel de doop, in de correcte vorm, dat wil zeggen bediend door een geestelijke van de Kerk, met stromend water, onder uitspreken van de juiste woorden, de voorkeur geniet in het algemeen, verstaat de Kerk de doop veel ruimer. Waar de nood dit vereist kan de doop geldig worden bediend door een leek, of door een niet-christen. Wie sterft als catechumeen mag rekenen op de vruchten van de doop, ook al is hij nog ongedoopt. Wie ongedoopt is buiten eigen schuld maar gedoopt had willen worden, en sterft, wordt geacht gedoopt te zijn, het doopsel van begeerte. Wie ongedoopt sterft als martelaar voor het katholieke geloof, sterft gedoopt, het doopsel van bloed.
De sacramenten en de sacramentele taken van de diakenDe diaken is, als geestelijke van de Kerk, in principe bevoegd te dopen. Zoals betoogd is de doop in essentie nauwelijks aan vormeisen verbonden. De bedienaar van de doop treedt niet in de persoon van Christus, Christus zelf doopte niet, maar in tegendeel, liet zich dopen [78]. Hij gaf zijn leerlingen de opdracht te dopen [79], en daarmee allen lidmaat te maken van zijn Kerk. Hoezeer ook Jezus zelf het hoofd is van de Kerk, Hij heeft er voor gekozen zijn Kerk een kerk van mensen te maken. Zozeer zelfs dat Hij terug is gekeerd om te zetelen aan de rechterhand van de Vader, en de leiding van zijn Kerk in de wereld toe te vertrouwen aan de apostelen, later de bisschoppen, verenigd in communio rond de zetel van Petrus. Het ligt in die zin dan ook voor de hand dat de doop bediend wordt door de Kerk, vertegenwoordigd door een geestelijke, of desnoods door een leek. Christus maakt de doop vruchtbaar, maar het is de Kerk zelf die mensen in haar midden opneemt.
Zoals eerder aangegeven is het huwelijk een sacrament van leken, bediend door de huwelijkspartners zelf. Christus is wel getuige bij dit sacrament, en blijft getuige, steun en dienaar van dit huwelijk, zolang het duurt. Bij de bediening van het huwelijk treedt de Kerk op als zichtbare getuige, en iedere geestelijke, dus ook de diaken, kan hierin de Kerk vertegenwoordigen, en daarmee Christus. Hoewel de kerkelijke getuige van het huwelijk Christus vertegenwoordigt in dit sacrament, treedt hij niet in de persoon van Christus, zijn handelen is het handelen van de Kerk.
Bij de Eucharistieviering komt de diaken een aantal rollen toe. Hij geeft een stem aan het Woord, door de lezing van het Evangelie, hij geeft een stem aan de Kerk, door de homilie. In de dienst van de tafel is hij dienaar voor de priester bij de voorbereiding van de tafel en de uitreiking van het Lichaam en Bloed van de Heer. Zijn wijding maakt hem zozeer man van de Kerk, dat hij vrijmoedig de Kerk vertegenwoordigend de Heer kan dienen in de Eucharistie, anders dan de acoliet, de lector of de leek, die altijd een zekere eerbiedige afstand bewaren in deze viering. Heel praktisch gezien: waar de leek en de lector Schrift en brieven lezen maar het Evangelie als het ware “niet aanraken”, waar de leek en de acoliet het Lichaam van de Heer alleen indirect hanteren en niet zelf aanraken [80], is de diaken gewijd om wel het Woord en het Lichaam aan te mogen raken.
De sacramenten van de priesterWaar de leek de sacramenten bedient die de leek toekomen, en de diaken zijn rol vindt in de vertegenwoordiging van de Kerk, treedt de priester direct in de zaken die Christus toekomen. Bij ziekenzalving en Biecht doet hij dit in de lijn van de apostelen, bij de Eucharistie treedt hij direct in de persoon van Christus.
In de ziekenzalving [81] en in de Biecht oefent de priester een Goddelijke taak uit: het vergeven van zonden. Het is Jezus Christus zelf die de macht toekomt zonden te vergeven [82] en de gevolgen van de zonde te genezen [83]. Voor Hij terug keerde naar zijn Vader droeg hij zijn Kerk echter op deze macht uit te oefenen in de wereld [84]. Hij maakt daarbij duidelijk dat Hij niet deze macht zelf overdraagt, maar de uitoefening daarvan, door aan te geven dat wat de Kerk in de wereld doet, gevolgen heeft in de hemel. Wat door de Kerk is vergeven in de wereld, is ook in de hemel vergeven. Jezus als opperste rechter bindt zich dus wel aan de akt van vergeving van de Kerk, maar deze akt vervangt Jezus’ vergeving niet, ze lokt haar als het ware uit. Daaruit volgt dat de priester die de Biecht bedient, in de lijn van de apostelen treedt, en niet direct in de persoon van Christus.
In de Eucharistie handelt Christus op vele manieren, direct en indirect. Hij is aanwezig in het Evangelie, dat stem krijgt via diaken of priester, Hij is aanwezig in het gebed van volk en priester, Hij is bijzonder direct aanwezig in zijn Lichaam en Bloed, en Hij is aanwezig in de priester in de consecratie. Het is precies hier, dat de priester het handelen van het laatste avondmaal present stelt. Hoezeer de liturgie in 20 eeuwen ook veranderd is, al vanaf het allereerste begin [85] herhaalt de celebrant van de Eucharistie de letterlijke woorden van de Heer aan de vooravond van Zijn lijden en sterven. Dit is geen verwijzing, geen herhaling en geen herdenking. Wat de celebrant doet is over de kloof van tijd en plaats die eerste Eucharistie-viering present stellen en deze verbinden aan het Offer zelf, zoals ook Christus de eerste viering van de Eucharistie al over de tijd heen verbond aan het Offer dat toen zelfs nog moest plaatsvinden. De celebrant doet dit niet in navolging van Christus, hij laat Christus zelf in hem handelen. Het handelen van de celebrant is zo het handelen van Christus zelf.
De sacramenten van de bisschopDe bisschop, die zelf deelt in de volle wijding van de apostelen, komt het toe de sacramenten te bedienen die iemand voluit doen delen in de Geest. Zoals eerder besproken is de doop de toegangspoort tot de Kerk, en is dit sacrament heilsnoodzakelijk. De doop is het enige sacrament dat toegankelijk is voor iedereen. Alle andere sacramenten zijn slechts toegankelijk voor wie gedoopt is. Als de doop de poort van de Kerk is, dan is dit als de poort naar de binnenplaats van een belegerd kasteel. Binnen is men veilig voor de vijand, maar men staat nog steeds in de regen. Men is beschut, maar men draagt niet bij aan de strijd. Om de borstwering op te gaan, om de wapenen van de Heer op te nemen en onder Zijn banier, onder Zijn aanvoerder, de heilige Michaël, werkelijk strijd te leveren tegen de vijand voor de muren is de Geest zelf nodig. Dat is de betekenis van het Vormsel, hierin geeft de bisschop, zoals eens de apostelen [86] middels handoplegging de heilige Geest aan de gelovige, om in hem werkzaam te zijn en hem te maken tot soldaat in het leger van de Heer met de wapens van het licht [87]
In de wijding van diakens, priesters en bisschoppen, deelt de bisschop de zending van de apostelen, zoals eens de apostelen Mattias in hun college opnamen [88], en in de keuze van helpers om hem te ondersteunen in zijn apostolische, pastorale, diakonale en bestuurlijke taken. [89] In het sacrament van de wijding komen zowel de apostolische successie als de kerkelijke hiërarchie tot stand. Hiermee is de wijding bij uitstek het sacrament dat de Kerk bouwt en voortzet tot het einde der tijden en de terugkeer van Christus. Jezus beloofde het voorbestaan van zijn Kerk tot dat moment [90] aan de apostelen, en het lijkt dan ook niet meer dan passend dat het de apostelen en hun opvolgers zelf zijn die middels wijding praktische uitvoering geven aan deze belofte.
Verband tussen sacrament en celibaatsbelofte bij de diakenUit het voorafgaande blijkt dat de diaken niet treedt in de lijn van de apostelen, en evenmin in de persoon van Christus. Hij vertegenwoordigt de Kerk, treedt op als vertegenwoordiger van de Kerk, in de verschillende sacramenten. Hij staat daarmee op het kruispunt van de wereld en de Kerk. Enerzijds werkt hij in de wereld, niet alleen in de zin dat hij daar zijn brood verdient, maar ook in de zin dat hij daar werkt namens zijn bisschop voor de mensen die de praktische, diakonale hulp van de Kerk nodig hebben. Anderzijds is hij lid van de clerus, hij is geestelijke, en daarmee door Christus zelf geroepen en door de Kerk gewijd, om een aan God toegewijd leven te leiden. Zijn positie tussen Kerk en wereld brengt mee dat hij geroepen is tot de onthechting van de drie grote bindingen, maar bijvoorbeeld ook tot het bidden van de getijden [91], maar in een vorm die volbracht kan worden in de wereld zelf. Zijn gehoorzaamheid is gehoorzaamheid aan de bisschop, maar altijd met prioriteit voor zijn gezin. Zijn kuisheid is strikte huwelijkse kuisheid en celibaat voor de ongehuwde diaken, zijn armoede is die van het weggeven van overschot. [92]
Verband tussen Biecht en celibaatWaar de priester bij de bediening van de Biecht treedt in de lijn van de apostelen, is hij ook geroepen Christus na te volgen met de radicaliteit van de apostelen. Hij is geroepen door de Heer, die slechts zegt “komt, volg Mij” [93], en als hij gehoor geeft aan die oproep, laat hij zijn netten achter, en volgt hij de Heer om visser van mensen te worden. Dit radicale volgen van de Heer betekent voor de seculiere priester onder meer het celibaat.
Het celibaat is dus verbonden aan de Biecht, omdat het celibaat onderdeel is van het radicale volgen van Christus, wat vervolgens weer verbonden is aan het treden in de lijn van de apostelen. De verbinding is dus betrekkelijk indirect. Veel directer is de band tussen celibaat en Eucharistie.
Verband tussen Eucharistie en celibaatDe Eucharistie kent een offerkarakter en het karakter van een liefdesdaad. In de vergelijking met de Leviet en de offerdienst van de tempel enerzijds, en de overeenkomst tussen de landloosheid van de stam van Levi en het celibaat van de christen anderzijds, komt naar voren dat het celibaat als eis voor de priester die betrokken is in de offerdienst van Christus aan het kruis van Golgotha in ieder geval niet vreemd is aan de Schrift. Het zou echter te ver gaan te beweren dat het één duidelijk uit het ander volgt. Dit is wel het geval als de Eucharistie bezien wordt vanuit het perspectief van de liefdesdaad.
Al lezend in de Schrift wordt duidelijk dat Jezus Christus een relatie met zijn Kerk, met de lidmaten van zijn Kerk, aangaat die zich goed laat verwoorden met de termen uit verschillende menselijke relaties. Hij leert ons God onze Vader te noemen [94], en roept daarmee de begrippen uit de ouder-kind-relatie op. Hij noemt Zijn leerlingen “broeders” [95] en “vrienden” [96] en roept daarmee de begrippen op uit vriendschapsrelaties en broederschap. Maar meer dan welke andere relatie ook, spreekt de gehele Schrift over het beeld van het huwelijk.
Dankzij de schokkende openhartigheid van Johannes in het weergeven van de woorden van Christus, weten we zonder enige twijfel dat dit beeld heel ver gaat. Het is niet alleen een beeld van twee personen die vrijwillig, en in het ideale geval uit liefde, een geestelijke relatie aangaan. Het is ook niet alleen een beeld van twee personen die uit wederzijds belang elkaar praktisch bijstaan in alles. Het is ook het beeld van een relatie die fysiek tot uiting komt, en dáárin vruchtbaar is, mede dáárin de relatie fundeert, sterk houdt, de partners in de relatie versterkt, de liefde bevordert, en die daarin mede haar ontstaansgrond vindt. [97] De Eucharistie is de liefdesdaad van twee partners, niet van één. Maar het is de daad waarin bij uitstek beide partners verschillend zijn. Waar de ene partner zichzelf openstelt om de andere partner te ontvangen, naar Lichaam en Geest. De ene partner brengt als het ware vruchtbare grond in de daad, de ander bevrucht die grond door met Zijn Lichaam in het lichaam van de andere partner te gaan.
Zoals de huwelijksdaad, is ook de liefdesdaad van de Eucharistie extreem kwetsbaar. Wie de fysieke daad losmaakt van de liefde, van de relatie, perverteert haar, maakt deze liefdesdaad pornografisch. Wie zonder geloof deelneemt aan de communie, doet precies dat. Wie iemand dwingt, met of zonder geweld, tot deelname aan deze daad, verkracht de ziel en richt onnoembare schade aan. Wie met de beste bedoelingen een opgroeiend kind wel naar de Eucharistie dwingt, maar de ontwikkeling van diens geloof negeert, doet precies dat. Wie de daad zoekt, maar haar vervolgens niet vruchtbaar wil laten zijn, of zelfs haar vrucht vernietigt nog voor ze tot uiting is kunnen komen, voert strijd tegen het leven zelf. Wie deelneemt aan de Eucharistie op zondag, en zijn naasten vertrapt op maandag, doet precies dat.
Beide deelnemers aan de liefdesdaad van de Eucharistie, Jezus Christus en gelovig mens, zijn geroepen zuiver deel te nemen. Als de Eucharistie de liefdesdaad is van de relatie van Jezus met zijn Kerk, dan kan het niet anders, of de deelnemers zijn monogaam in hun deelname. In de volheid van de tijd is ons eindelijk definitief duidelijk gemaakt dat het huwelijk in Gods scheppingsorde de exclusieve relatie is tussen één man en één vrouw, één bruidegom en één bruid, niet te verbreken zolang de partners leven. Als dat huwelijk het beeld bij voorkeur is dat de Schrift gebruikt voor de relatie tussen Christus en de Kerk, dan kan het niet anders, of dit heeft consequenties voor de betrokkenen. Voor de gelovige, die lidmaat is van de bruid van Christus, betekent het trouw aan de Kerk, in woord en gedachte, in doen en laten. In aanvulling daarop betekent het lichamelijke trouw. Deze is voor de gehuwde gelovige mogelijk in wat ik hiervoor heb aangeduid als het celibaat voor leken.
De priester neemt in de Eucharistie een bijzondere plaats in. Hij treedt immers in de persoon van Jezus Christus, laat de Heer handelen via hem. Tegelijk treedt hij op als voorganger van het gelovige volk. Als voorganger in de eredienst zal hij voorbeeld bij uitstek moeten zijn, en dus Christus radicaal moeten volgen. Zoals aangegeven, sluit dat de oproep tot celibaat in. Maar als degene die in de persoon van Christus treedt tijdens de consecratie, zal hij ook uiting moeten geven aan de monogame, onverbrekelijke en exclusieve relatie van Jezus Christus met zijn bruid, de Kerk. Dat vraagt niet om armoede, niet om gehoorzaamheid, maar dat vraagt nadrukkelijk om het celibaat. Het celibaat is voor de priester in de Eucharistie dan ook niet zozeer een middel om de binding met de wereld los te laten om zo Christus te kunnen volgen, het is vóór alles de absolute voorwaarde om zuiver het allerheiligst sacrament te kunnen bedienen.
Bekeken vanuit het negatieve wordt dit direct duidelijk. Een huwelijkspartner die vreemd gaat kan aan de huwelijksdaad deelnemen. De huwelijksdaad wordt niet minder vruchtbaar door het bedrog, en zolang de andere partner van niets weet, zal ze voor die partner alle vruchten kunnen dragen. Maar de partner die wéét dat de andere partner hem of haar bedriegt zal niet langer, of in ieder geval niet langer met slechts positieve vrucht, deel kunnen nemen aan de huwelijksdaad. Komt het bedrog uit, dan wordt ook het verleden vergiftigd. Leeft de ander openlijk in onkuisheid, dan wordt de huwelijksdaad eerder vernederend, onaanvaardbaar, dan dat ze nog enige positieve vrucht kan dragen. En zelfs de partner die binnen de relatie monogaam is, maar wel een eerdere relatie verbroken heeft, brengt daarmee een grens aan het vertrouwen in de relatie. Het is immers moeilijk geloven in een gelofte van eeuwige trouw van iemand die een dergelijke gelofte eerder verbroken heeft. [98] De priester die in het geheim het celibaat schendt, doet niets anders dan de huwelijkspartner die in het geheim vreemd gaat, en de gevolgen zijn niet anders. En zo gaat de vergelijking op voor alle denkbare voorbeelden.
Jezus heeft er voor gekozen in de Kerk te handelen via mensen, en mensen zijn feilbaar. Daarom heeft Hij sacramenten van genezing aan de Kerk gegeven, maar dat wil niet zeggen dat het celibaat geen heilige opdracht is, die volstrekt noodzakelijk is voor de priester die de Eucharistie viert. Jezus zegt “weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is” [99], en dat is toch iets anders dan “zondig maar, want je kan toch altijd weer biechten.” Dat het toch eeuwen geduurd heeft voor de Kerk definitief het celibaat verbond aan het priesterschap (zoals eerder aangetoond: de verbinding met het bisschopsambt is al veel ouder) en dat de Kerk ook vandaag nog gehuwde priesters kent [100], laat enerzijds zien dat de Kerk overweg kan met de feilbaarheid van de mens, en anderzijds dat wat al opgesloten lag in de geopenbaarde woorden van Christus en de Schrift, soms pas na lange tijd geheel helder wordt in het gelovige verstaan van de Kerk.
ConclusieIn het voorgaande heb ik de offerbetekenis van de Eucharistie vrijwel genegeerd. Niet omdat dit offerkarakter niet cruciaal zou zijn. Ook niet omdat geen verband te leggen zou zijn tussen het offer van Christus, present gesteld in de Eucharistie, en het celibaat waarin de celibatair zijn eigen kruis moet opnemen om Hem te volgen [101] Ik heb me beperkt tot de betekenis van de Eucharistie als liefdesdaad binnen de relatie tussen Jezus Christus en zijn Kerk en het celibaat, omdat dit verband het duidelijkst is en voldoende is om het verband tussen de Eucharistie in het algemeen, en het priester-celibaat, aan te tonen.
Ik heb de Biecht slecht beperkt behandeld, om vergelijkbare redenen. De Biecht en de Eucharistie bevinden zich in een continuüm waar het gaat om de vergeving van de zonde [102]. De doop lijkt daar ook bij te horen, maar zoals deels al betoogd, is de doop toch anders. De doop wast ons weliswaar schoon van de zonde, zelfs van de gevolgen van de erfzonde [103], maar ze geneest zelf niet. De katholieke doop maakt ons lidmaat van het mystiek Lichaam van Christus, de Kerk [104], en is zo welhaast [105] een sine qua non voor ons heil. Immers, geen heil buiten de Kerk! [106] De doop ontslaat ons van de gevolgen van onze zonden, inclusief de erfzonde, maar onze heiligheid is daarmee allerminst gegarandeerd. Ook Lucifer [107] werd goed geschapen, zonder erfzonde. Ook Adam en Eva werden goed geschapen, zonder erfzonde. [108] Dat is klaarblijkelijk geen enkele garantie voor ons heil. Hoezeer we ook mogen vertrouwen op de barmhartigheid van God [109], onze enige garantie voor ons heil, vinden we in de relatie met Christus. Hij wast ons schoon met hysop als wij met een vermorzeld en vernederd hart voor Hem verschijnen [110], keer op keer, als wij in oprecht zondebesef in de Biecht ons tot Hem richten. Hij heiligt zijn bruid, en Hij bevestigt Zijn persoonlijke relatie met ons, iedere keer opnieuw dat wij ons door Hem, en met Hem, en in Hem, laten verenigen in de liefdesdaad van de Eucharistie. Eucharistie en Biecht zijn zo de twee centrale sacramenten in de relatie tussen gelovige en Christus. Nergens anders is deze relatie zo algemeen, en zo direct aanwezig. In de Biecht treedt de priester in de wijding van de apostelen, en dáárom is het celibaat van belang, omdat het beantwoordt aan de voorwaarden om Christus radicaal te kunnen volgen. Dat ik de Eucharistie centraal heb gesteld komt, omdat de priester daar niet treedt in de wijding van de apostelen maar in de persoon van Christus zelf.
Ik heb het Vormsel en de Wijding, de sacramenten van de bisschop bij uitstek, en de Ziekenzalving in relatie tot het celibaat genegeerd. Niet omdat zij minder met het celibaat verbonden zouden zijn dan Eucharistie en Doop, maar omdat ik heb getracht een verbinding tussen het celibaat en de sacramenten van de priester aan te tonen. Dit verband wordt volledig zichtbaar in Biecht en Eucharistie. Het verband met de Biecht is zonder veel aanpassingen ook te begrijpen bij de Ziekenzalving. Het verband met Vormsel en Wijding lijkt me ook aantoonbaar, maar ik heb het niet bekeken. Enerzijds treedt de bisschop in deze sacramenten in de persoon van Christus, zodat een overeenkomst met de Eucharistie bestaat, anderzijds ontbreekt het karakter van de liefdesdaad uit de Eucharistie, zodat wellicht eerder een overeenkomst met de Biecht kan worden gezien. Hoe dan ook, ik vermoed dat hierover een apart stuk te schrijven is.
Wat ik wel meen te hebben aangetoond is:
- dat het celibaat een noodzakelijk onderdeel is van een leven dat Christus volgt
- dat de gehuwde leek het celibaat beleeft in vasten en onthouding
- dat het volle celibaat deel uit maakt van een leven in radicale navolging van Christus
- dat de bedienaar van de Biecht in de wijding van de apostelen treedt en dus kiest zijn leven radicaal Christus te doen volgen
- dat de bedienaar van de Eucharistie in de persoon van Christus treedt en dus kiest zijn leven radicaal Christus te doen volgen
- dat de Eucharistie zich verhoudt tot de relatie tussen Christus en zijn Kerk, zoals de huwelijksdaad tot het huwelijk: als fysieke en spirituele liefdesdaad
- dat het huwelijk monogaam moet zijn, wil het zuiver zijn
- dat de liefdesdaad van de Eucharistie zuiver moet zijn
- dat de zuiverheid van de liefdesdaad van de Eucharistie vereist dat de bedienaar monogaam is in zijn relatie met Christus en dat hij de monogamie van Christus in Zijn relatie met zijn Kerk voortzet, en dus celibatair is
- dat het legitieme bestaan van gehuwde priesters in heden en verleden van de Kerk de band tussen celibaat en Eucharistie niet verminderd, maar eerder juist scherper belicht.
noten1 Zie o.a. de Kerkorde van de PKN, ord. 3-9-1, over de taken van de predikant.
2 Alle verwijzingen zijn naar de Willibrord-vertaling uit 1978.
3 Lucas 9,23
4 KKK 1579, 1618
5 KKK 915
6 Volgens de katholieke moraaltheologie zijn alleen menselijke daden goed of slecht. Niet bezit, seks of ego zijn dus slecht, maar dat wat een mens er willens en wetens mee doet kan beter of slechter zijn. Vrij algemeen gesteld is dat wat iemand doet om zichzelf van God af te wenden niet goed
7 Een religieus is simpel gezegd iemand die in een kloosterorde leeft. Het betreft mannen en vrouwen, priesters en leken, contemplatieven en actieven, levend in een slot, of apart levend.
8 Zie bijvoorbeeld de regel van Benedictus, hoofdstuk 4
9 Een seculiere priester is een priester die niet leeft naar een kloosterregel. Het begrip staat tegenover “regulier”.
10 Zie bijvoorbeeld Momentopnamen uit de geschiedenis van de katholieke kerk, (pg 82-85 en 182-184) van R. Boudens of A concise history of the catholic church, hoofdstuk 21 van T. Bokenkotter.
11 LG 29
12 CIC Can. 1061
13 Genesis 2,24
14 Psalm 24,3
15 1 Korintiërs 7,5
16 Zie de Theologie van het lichaam, van paus Johannes Paulus II dat juist over dit onderwerp handelt
17 Efeziërs 5, 28-30
18 1 Korintiërs 7,14
19 Genesis 2,18 en Genesis 3,16
20 Zie bijvoorbeeld Genesis 36, 1, of bijvoorbeeld koning David
21 Zie bijvoorbeeld Genesis 38
22 Genesis 4,17: Wiens dochter was de vrouw van Kaïn?
23 Genesis 7,21-23: met wie trouwden de kleinkinderen van Noach anders dan met elkaar?
24 Genesis 19,31-36
25 Zie bijvoorbeeld “Mozes” van Jonathan Kirsh
26 Zoals Leviticus 18
27 Bijvoorbeeld Genesis 25,7
28 Homosexualiteit wordt door de RKK als ongeordend gezien, omdat het vrij radicaal breekt met de scheppingsorde van God, zoals die bijvoorbeeld al in Genesis 1 en 2 naar voren komt. De RKK hanteert niet het argument uit de Joodse Wet.
29 Bijvoorbeeld Genesis 48,15 of Numeri 27,17
30 Deuteronomium 18,2-3
31 Jonathan Kirsch maakt in zijn boek “koning David” overigens duidelijk dat het zeer de vraag is hoe historisch een figuur als koning David werkelijk was. Het heeft er alle schijn van dat waar de Mozaïsche boeken vooral mythen bevatten, de historische boeken minstens goed voorzien zijn van legenden, als ze al niet hoofdzakelijk legendarisch zijn.
32 Bijvoorbeeld 2 Samuel 11 of 2 Samuël 13
33 Bijvoorbeeld Rechters 16,1
34 Bijvoorbeeld Rechters 19,24
35 2 Kronieken 31,14
36 Genesis 14,18
37 Jesaja 7,14
38 KKK 2679
39 Met name in Ezechiël 16
40 Zie bijvoorbeeld KKK 765 en 877
41 Ezechiël 36,26
42 Ezechiël 37,15vv
43 Maleachi 1,11
44 Zie bijvoorbeeld de bruidsmystiek van Teresia an Avila
45 Zie bijvoorbeeld de Hooglied-preken van Bernardus van Clairvaux of de beschouwingen over het Hooglied van William van St Thierry
46 Lucas 4,17-21
47 Dit is het thema van De Da Vinci-code. Op grond van fascinerende pseudo-wetenschap en veel fantasie weeft Dan Brown een verhaal rond naar hij zelf claimt wetenschappelijke feiten, gebaseerd op de gedachte dat Jezus was getrouwd met Maria Magdalena.
48 Lucas 8,2
49 Lucas 10,38vv
50 Lucas 8,3
51 Marcus 1,30
52 Zie bijvoorbeeld Mattues 8,3 en Matteus 12,1-14
53 Marcus 3,31vv
54 Marcus 10,1-12
55 Marcus 10,17-31
56 Matteus 7,21
57 Matteus 19,12
58 Johannes 2,1
59 Johannes 2,5
60 Johannes 2,6
61 Johannes 2,10
62 Lucas 22,20
63 Johannes 6,66
64 De Kerk, zoals verstaan in LG 14
65 Zondag 29 Heidelbergse Catechismus
66 Johannes 6,53-56
67 1 Korintiërs 7,7
68 Momentopnamen uit de geschiedenis van de katholieke kerk, R. Boudens, hoofdstuk 2
69 Bijvoorbeeld: canon 33, Concilie van Elvira
70 Canon III, Nicea
71 Canon 10, Trente
72 OT 10
73 PO 16
74 En tot enorme schade van de Kerk, leert de geschiedenis dat die ruimte ook direct werd ingenomen en opgerekt.
75 SC 54
76 LG 14
77 Heilsnoodzakelijk is een minder absolute term dan het schijnt. Hoe zeker we ook kunnen zijn over wat God ons schenkt in de sacramenten, Hij is zelf niet gebonden aan de sacramenten. We mogen zonder één uitzondering altijd vertrouwen op Zijn barmhartigheid, die eindeloos is.
78 Matteus 3,13vv
79 Matteus 28,19
80 De handcommunie is hierop een uitzondering. In de jonge kerk gebruikte vrouwen een meegebracht velum om de communie te kunnen ontvangen zonder deze aan te raken, in de latere kerk was tongcommunie normaal. De huidige handcommunie stamt uit het midden van de 20e eeuw, en is een terugkeer naar de voor mannen al bestaande handcommunie uit de eerste tijd.
81 Jakobus 5,14
82 Matteus 9,6
83 Matteus 9
84 Johannes 20,23
85 Zie bijvoorbeeld de Didache. Bij Justinus (ca 150) wordt de orde van de liturgie voor het eerst uitgeschreven.
86 Handelingen 8,14-17
87 Romeinen 13,12
88 Handelingen 1,15vv
89 Handelingen 6
90 KKK 769, Matteus 16,18
91 Waar de priester lauden, middaggebed, vespers en completen bidt, dient de diaken slechts de lauden en de vespers te bidden. Overigens, de contemplatieve religieus bidt nachtofficie, lauden, terts, noon, sext, vespers en completen.
92 Tobit 4,7-10
93 Matteus 4,19-20
94 Matteus 6,9
95 Johannes 20,17
96 Lucas 12,4
97 De beelden van het huwelijk, zijn ideaalbeelen. Alleen de ideaalbeelden beschrijven de relatie die Jezus zoekt, maar dat wil niet zeggen dat de praktijk altijd zo ideaal is. Het kost bijvoorbeeld weinig fantasie om te bedenken hoe de huwelijksdaad verwoestend kan worden indien zaken als dwang, gebrek aan liefde, of bijvoorbeeld de huwelijksdaad buiten het huwelijk mee gaan spelen. Evenzo wordt de Eucharistie een perversie zodra één van de twee partijen, de mens, zonder liefde nadert, met een door doodzonde belaste ziel nadert, of zelfs nadert zonder geloof in of verstaan van de daad zelf.
98 Dit alles wil niet zeggen dat de gevolgen van dit soort daden niet te genezen zijn. Mensen scheiden, gaan nieuwe relaties aan, gaan vreemd, en doen elkaar alles aan wat een mens maar verzinnen kan, en toch leven de meeste mensen in relatief geluk met elkaar verder. En zo kan evenzeer de priester die het celibaat schendt, of die ontrouw is aan de Kerk, de weg terug vinden. Maar niet zonder een proces van berouw, vergeving en genezing, en niet zonder dat sommige schade onhersteld blijft.
99 Matteus 5,48
100 Predikanten die katholiek worden, en priesters uit zusterkerken van het oosters schisma en het Utrechts schisma, kunnen, in specifieke individuele gevallen priester worden in de Kerk, ook al zijn ze gehuwd.
101 Lucas 9,23
102 KKK 1393
103 KKK 1279
104 LG 14
105 KKK 1257
106 KKK 846
107 KKK 391
108 Lateranen 4: de fide catholica
109 Psalm 86,5
110 Psalm 51,19 (vertaling getijdengebed)