quote:
Adinomis schreef op 15 februari 2009 om 22:49:Toen Adam en Eva aten van de vrucht van de “boom van kennis van goed en kwaad” was dit de eerste zonde van de mens tegen God (Genesis 3: 6-8). God slachtte toen Zelf een dier (zie Genesis 3:21) en maakte kleding voor hen. Door het offeren van een dier werd de zondige, nog naakte mens bedekt. Het offeren van dieren neemt de zonde dus niet weg, maar bedekt deze. Dat betekent dat de zonde die mens niet toegerekend wordt. Dit was een voorlopige oplossing die zijn vervulling vond in het offer van Jesoej'a, wiens bloed werkelijk de zonde wegwaste.
De dood van een dier maakte duidelijk dat er een leven werd gegeven om het leven van een zondaar te redden. Met zo’n offer vraag je dus om vergeving van de zonde.
Alweer zo'n bewering. God maakte rokken van vellen voor Adam en Chavah die Hij hen aantrok. En kijk eens wat jij ervan maakt! Volgens mij kom je alleen maar met dit soort dingen om hetgeen het NT beweert, en niet omdat uit Genesis blijkt dat het doden van een dier voor het maken van rokken van dierenvellen voor Adam en Chavah die God hen aantrok een daadwerkelijk offer was en een voorlopige oplossing die zijn vervulling zou vinden in het offer van de toekomstige gezalfde leider van Israel.
Wat staat er in de T'nach? De offers van God zijn
synoniem aan een verbroken geest. Wat staat in de T'nach? Dat wanneer zelfs een goddeloze zondaar zich bekeert van de zonden die hij begaan heeft, God's inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij zeker leven; hij zal niet sterven. En
geen van de overtredingen die hij begaan heeft, zal hem worden toegerekend; vanwege de gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal hij leven. Dat is wat de T'nach zegt. Wat zegt de T'nach? Dat, zelfs als God tegen de goddeloze zondaar zegt: "Je zult zeker sterven", maar hij bekeert zich van zijn zonde en handelt naar recht en gerechtigheid, vergoedt het geroofde, wandelt naar God's inzettingen en bedrijft geen onrecht meer, dan zal hij zeker leven, hij zal niet sterven. En
al zijn zonden zullen hem niet meer worden toegerekend. Enz, enz
Maar waarom ben je niet in staat gewoon uit de T'nach aan te tonen dat het doden van een dier voor het maken van rokken van dierenvellen voor Adam en Chavah die God hen aantrok een offer was voor zonde en een voorlopige oplossing voor zonde die zijn vervulling zou vinden in het offer van de toekomstige gezalfde leider van Israel? Omdat het er niet staat, noch logisch uit de T'nach kan worden herleid.
En er blijkt helemaal niet dat de geit van Jom haKippoeriem verwijst naar het lijden en de dood van de gezalfde leider van Israel, noch dat de losgekochte oudsten verwezen naar het komende offer van de gezalfde leider van Israel, noch dat het lam van pesach een verwijzing is naar het lijden en de dood van de gezalfde leider van Israel die geslacht zou worden voor Israël en de wereld, en zo meer.
quote:
Adinomis schreef op 15 februari 2009 om 22:49:In Genesis 3:15 vinden we ook de z.g. “moederbelofte” in het oordeel dat de slang (satan) wordt aangezegd:.
[...]
Het gaat hier over het “zaad van de vrouw”. Er is maar één mens geboren uit vrouwenzaad, alle andere mensen zijn geboren uit “mannenzaad”. Het zaad van de slang zal de hiel vermorzelen van het zaad van de vrouw: Jesjoe'a.
Als een slang een dier in de hiel bijt is het dier ten dode opgeschreven. Dus, satan beet het vrouwenzaad: Jesjoe'a in de hiel toen hij ervoor zorgde dat Jesjoea gekruisigd werd. Hij dacht dat het dodelijk was en dat hij de strijd om de macht gewonnen had.
Maar hij had geen rekening gehouden met het plan van God: “het ultieme offer” en met de opstanding van Jesjoe'a. Deze is overwinnaar, de Hogepriester in het Heilige der heilige om onze zonden te verzoenen. Hij sprenkelde a.h.w zijn eigen bloed op het verzoendeksel. Satan weet nu dat zijn kop eraan gaat. Hij heeft zijn ware aard laten zien. Hij weet dat hij weinig tijd heeft.
Het begrip "vrouwenzaad" is in de T'nach niets speciaals. Het beperkt zich allesbehalve tot Genesis 3:15. Slechts een klein stukje verder, in Genesis 16:10, staat (ik zal Christelijke Bijbelvertalingen gebruiken): "Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad (זרעך) grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden."
Weer een stukje verder, in Genesis 24:60, staat: "En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad (זרעך) bezitte de poort zijner haters!"
Wat verder, in Leviticus 22:13, staat: "Doch als des priesters dochter een weduwe of een verstotene zal zijn, en geen zaad (זרע) hebben, en tot haars vaders huis, als in haar jonkheid, zal wedergekeerd zijn, zo zal zij van de spijze haars vaders eten; maar geen vreemde zal daarvan eten."
Of 1 Samuel 2:20-21: "En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zeide: De HEERE geve u zaad (זרע) uit deze vrouw voor de bede, die zij den HEERE afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats.
21 Want de HEERE bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuel werd groot bij den HEERE."
Of Genesis 4:25: "En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, [sprak] [zij], een ander zaad (זרע) gezet voor Habel; want Kain heeft hem doodgeslagen."
Enz.
Nu, Genesis 3:15 zegt: "En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen
uw zaad (זרעך) en tussen
haar zaad (זרעה); datzelve (הוא) zal u den kop vermorzelen, en gij (ואתה) zult het de verzenen vermorzelen."
De Hebreeuwse lettercombinatie זרע (zaad) is een zelfstandig naamwoord dat zowel enkelvoudig als meervoudig kan worden, afhankelijk van de context. Het verschijnt honderden keren in de T'nach met verschillende betekenissen, zoals "zaad van een plant" (waaruit een nieuwe plant kan groeien) (bijv. Genesis 1:11); "het zaaiseizoen" (bijv. Genesis 8:22); "graan" (of soortgelijk gewas) (bijv. Genesis 47:24); "nakomelingen" (bijv. Genesis 7:3); "sperma" (bijv. Leviticus 15:32).
Indien de term זרע in de T'nach letterlijk naar kinderen (nageslacht) verwijst dan is dat telkens slechts naar kinderen (nageslacht) in de zin van
biologisch nageslacht.
זרע "(Haar) zaad" in Genesis 3:15 is een niet geidentificeerde generieke verwijzing (bijv. naar de mensheid, of een generatie, of een niet nader genoemde persoon, enz…).
Voornaamwoorden als הוא ("hij") en אתה ("jij"), zoals gebruikt in Genesis 3:15, kunnen naar zeer veel verschillende zaken verwijzen; ook naar een generatie, volk of een groep. Zie bijv. Exodus 1:6: "Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht (ha'dor ha'hoe (הוא))…"
Of Exodus 1:10: "Welaan, wij willen hen met list verdrukken, opdat zij niet zoveel worden; want zo er een oorlog ontstond, mochten zij (הוא hoe) zich ook bij onze vijanden voegen en tegen ons strijden, en uit dit land trekken."
Of Exodus 33:3: "Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij (אתה atah) zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere."
Of Deuteronomium 9:6: "Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want gij (אתה atah) zijt een hardnekkig volk."
Aangezien in Genesis 3:15 de groep of persoon waarnaar זרע (zaad) refereert eveneens niet is geïdentificeerd, zie ik niet in waarom dit naar een maagdelijke geboorte zou moeten verwijzen. Evenmin is "vrouwelijk zaad" een bijzonderheid, noch is het "zaad" gespecificeerd. Het kan daarmee bijv. gewoon naar de mensheid verwijzen, of naar een generatie, of naar een volk, of naar een niet nader genoemd persoon, en zo meer