Vergelijk '...zodat zij hun niet meer tot spijs zullen zijn' (Ez 34,10) eens met Jes 65,25b '...en stof zal de spijs der slang zijn.'
De overeenkomsten vind ik opmerkelijk, want met de schapen die God de valse herders uit de monden zou rukken worden mensen bedoelt, maar waar staat het stof voor wat de spijs van de slang zou zijn?
Ps 103,14
Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.
Nu, als het stof staat voor mensen, evenals de schapen, wat maakt dat de huurlingen dan die de schapen in hun monden hadden? Denk daar eens goed over na in alle openheid. Het volgende zei Jezus tegen de valse herders uit de eerste eeuw:
Mat 23,33
Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvluchten?
De misleiders van het volk waren de duivels. Dat Jezus de herders vóór Hem dieven en moordenaars noemde, versterkt die gedachte alleen maar en Hij zei tegen hun opvolgers:
Joh 8,44
Gij zijt uit de vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit wat hem eigen is; want hij is een leugenaar, en de vader der leugen.