OK, ik ga een poging wagen: uiteraard halen we eerst de tekst er bij, Psalm 16 vs. 5,6:
HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
u houdt mijn lot in handen.
Een lieflijk land is voor mij uitgemeten,
ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld.
Op zich duidelijk genoeg, dan nu de berijmde versie:
Getrouwe Heer, gij zijt mijn enig goed
In deze zin heb ik 'goed' nooit als 'bezit' gelezen, meer in de zin van 'U bent de enige die goed voor mij is' of 'U bent de enige die voor mij kan zorgen'. Interessant en misschien wel bewust gedaan van de dichter.
Gij zijt mijn heil, mijn erfdeel en mijn beker
Redelijk duidelijk. We zien hier al een stukje herhaling: 'Gij zijt mijn erfdeel' refereert zowel naar 'Gij zijt mijn enig goed' als 'het erfdeel tot bekoring mij gegeven'.
Wat Gij mij toeweest wordt door U behoed
'U beheert mijn bezit', 'U zorgt voor mij', 'U hebt mijn lot in handen'.
Ik weet bij U mijn toekomst eeuwig zeker
Hier gaat de dichter volgens mij eschatologisch spelen met de psalmtekst, refererend naar heilszekerheid waar de psalmist spreekt van 'U houdt mijn lot in handen'. Ook zien we hier de versterkende herhaling, achter de derde regel had een dubbele punt kunnen staan.
Het meetsnoer viel voor mij in schone dreven
De meest onbegrijpelijke zin in het psalmvers, maar ik moest al snel aan land denken. De Bijbeltekst bevestigt dat. Met het meetsnoer wordt een akker uitgemeten, het erfdeel van David en bestaande uit verschillende dreven. Als je weet wat een dreef is, is het natuurlijk allemaal ietsje makkelijker. Ik denk dat het verwijst naar een geploegde akker en dat de dreven de rijen tussen de voren voorstellen. De dreven zijn erg 'schoon', een mooie akker dus.
het erfdeel tot bekoring mij gegeven
En wederom een stukje herhaling van de vijfde regel. De psalmist prijst de HEER die hem een prachtig erfdeel heeft uitgemeten, en ik vraag me af of je dit in de oorspronkelijke Bijbeltekst als letterlijk zou moeten zien. Veeleer wijst de psalmist (David) naar een erfdeel in de toekomst (niet per se een geestelijk erfdeel).
Ik vind het altijd typisch gereformeerd om elementen uit psalmen zo te berijmen dat ze prima passen binnen het christelijke geloofsleven. Een kerkganger zal deze psalm van David zingen denkend aan het heil dat hem/haar wacht in de eeuwigheid. Een voorbeeld hoe het OT na Jezus' komst compleet anders geïnterpreteerd kan worden (al is het hier niet heel veel anders). Mooi is trouwens ook dat Petrus deze psalm aanhaalt in zijn toespraak na de uitstorting van de Heilige Geest:
Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,
mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.
U levert mij niet over aan het dodenrijk
en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.
U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.
(ps. 16:9-11, Hand 2:25-28)
Tuurlijk zingt David niet over zichzelf, zegt hij vervolgens, want hij is allang dood en begraven. David sprak profetisch over Jezus. Dat zet wel tot denken aan wat er dan nog meer over Jezus gaat in deze psalm, wat nog meer profetisch is...