quote:
willemr schreef op 07 februari 2012 om 21:17:Ik zat zelf nog eens na te denken over het laatste punt uit mijn bericht, namelijk het lijden dat komt uit de natuur. Dit is natuurlijk lijden dat voortkomt uit de zondeval. Ik geloof dat de natuur voor de zondeval anders was, zie Genesis:
‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last,
zwoegen zul je als je baart.
Dorens en distels zullen er groeien,
toch moet je van zijn gewassen leven.
Verder geloof ik dat de aarde eerst geen continenten had, er was één continent (pangea).
Ook schijnt er een hemelkoepel geweest te zijn evenals een heel ander klimaat. Denk bijvoorbeeld ook aan de oude leeftijden van de eerste mensen en de dinosauriërs die erg groot konden worden.
Vanuit dit oogpunt geloof ik dat de aarde zodanig anders was dat het lijden in de natuur toen inderdaad afwezig was.
Dan blijven er nog wel een paar open eindjes: wat gebeurt er als je in het paradijs per ongeluk op een insect trapt, stierf die dan? En wat als er ooit een meteoriet op de aarde af zou zijn gekomen....
Verder heeft God door middel van Jezus inderdaad ingegrepen. Een dergelijk argument gaat bij andere religies niet op. Het beste argument om niet te geloven is dus juist eigenlijk een goed argument om christen te worden.
Ik heb daar ooit een artikel over geschreven voor een gemeenteblad:
De tijger en zijn tanden, de wesp en de angel.
Een vraag die de mensheid op één of andere wijze bezig houdt: had de tijger al een vleesetersgebit voor de zondeval zijn intrede deed (idem dito de angel van de wesp, de beet van de schorpioen enz. enz.). Reeds eeuwen wordt er gezocht naar de feitelijke betekenis van de eerste hoofdstukken van Genesis. (Augustinus had al hele debatten met Osorius hierover. Het gaat te ver om daar nu op in te gaan maar het is zeker de moeite waard om de reflecties van Augustinus eens tot je te nemen.)
Ik ga er van uit dat we de eerste delen van Genesis moeten lezen als neerslag van de grote daden van God. Als een lofprijzing op Gods werk: Kijk eens wat onze Grote God kan en heeft gedaan! Dat is een manier om de teksten te duiden. En dat laatste is wat wij mensen alleen maar kunnen: duiden wat er staat. Het feitelijke inzicht zal ons altijd ontbreken omdat wij leven na de zondeval en onder de zonde. Bedenk daarnaast dat het verhaal van de schepping NA de zondeval is neergeschreven en er dus toen sprake was van wild en tam. Dat zegt niet dat God de dieren “wild” geschapen heeft maar dat de schrijver van dit boek de termen wild en tam kende.
Kenmerkend in de schepping is dat God eerst de hele aarde met alles er op en er aan formeert voor hij een mens maakt. God maakt een plek voor de mens om te leven. Hij werkt aan een groter geheel dan we in eerste instantie lezen. Heb je er wel eens over nagedacht dat God bijvoorbeeld alle dieren in een tweespan van mannelijk / vrouwelijk schiep en dat bij de mens niet deed? Dat God alleen bij de mens laat beschrijven dat deze Zijn adem meekreeg? Dat alleen (en dat is essentieel!) van de mens gezegd wordt dat deze naar Zijn beeld geschapen is? Gelijkend op Hem?
Bij de dieren wordt er gezegd dat ze gemaakt zijn naar hun eigen aard en op aarde geplaatst werden. De vissen en vogels eerst, de dieren die in de wildernis leven daarna. Er zit een maanstonde tussen. Meer niet. God is de wereld aan het volmaken met dieren. Die dieren werden niet bezield, niet voorzien van Gods adem en misschien wel niet eens in de hof van Eden geplaatst. Immers, er staat alleen vermeld dat de mens Zijn adem kreeg en in de hof geplaatst werd en dat God later de dieren bij de mens langs liet gaan.
God schiep de dieren die in de wildernis leefden, de tamme en de wilde. De vogels waren in de lucht, de vissen in de zee en de andere dieren in de wildernis. Niet in de hof want die was er nog niet, die werd later pas gecreëerd. En die dieren in de wildernis die aten wat God hen voorschotelde: groen. Of het gebit daar nu wel of niet op gebouwd was doet er niet toe. Het groen werd hen toebedeeld en dat aten zij, gehoorzaam aan de Schepper. En de bij had een angel maar werd niet uitgelokt tot enig kwaad en gebruikte die angel dan ook niet om te steken. Want alles was goed. Het stáát er immers: GOD ZAG DAT HET GOED WAS!
We maken even een uitstapje de natuur en de geschiedenis in.
De tanden van de pandabeer schijnen redelijk gelijk te zijn aan de tanden van andere beren en technisch gesproken kan de pandabeer met zijn scherpe tanden een levend wezen verscheuren en opeten. Toch eet de pandabeer gewoon bamboe. Naar zijn aard eet hij groenvoer, ondanks dat zijn tanden voorbereid zijn op of kenmerkend zijn voor ander voedsel. Ik zeg met opzet “voorbereid zijn op” omdat God in Zijn schepping wel degelijk dingen heeft gelegd die ontwikkeling kunnen ondergaan. Meerdere vondsten van fossielen wijzen uit dat er krokodillen zijn geweest die groente aten terwijl hun nazaten vlees aten. God heeft in Zijn grote plan meerdere mogelijkheden gelegd die wij niet kennen. Eeuwen geleden waren onze voorouders kleiner (loop eens door het Muiderslot ☺ ). Ingesteld op de omgeving die God hen had gegeven. Er is van enkele schildpadden bekend dat ze hun formaat aanpassen aan de omgeving waarin ze leven. Is er weinig ruimte (bv een kleine vijver) dan groeien ze minder groot dan in een grote vijver of de vrije natuur. De schepping ontwikkeld zich verder onder het toeziend oog van God.
De wesp heeft na de zondeval ontdekt dat zijn angel ook een verdedigingswerk is, de tijger leerde dat hij vlees kon verdragen, ook de mens ontdekte dat hij vlees kon eten. In die doorontwikkeling laat God Zijn schepping niet los, Hij is bij de voorduur aanwezig bij ons.
De vraag over de tanden en de angel is eeuwenoud en zal in de loop der tijden steeds terugkomen. Alleen als Christus ons verlost met Zijn wederkomst zullen wij volledig weten. Tot die tijd moeten wij het doen met het weten van een God die in Zijn schepping blijft werken aan een toekomst.
Wij mensen kunnen de meest vreemde vragen bedenken bij wat God met ons wil maar als we goed kijken en luisteren naar wat Hij in Woord en Schepping aan ons vertelt dan weten we dat God nog steeds scheppend werkt. Zoals Adam en Eva mochten ontdekken dat een lamskotelet voedzaam is en de tijger ontdekt dat een geitenbokje zijn honger opheft omdat GOD dat in de schepping heeft gelegd. Zo mogen wij ook steeds weer ontdekkingen doen.
In een ver verleden deed Job met betrekking tot al onze vragen óók een ontdekking:
2 ‘Inderdaad, U kunt alles, voor U is niets onuitvoerbaar.
3 Hoe durft onze kortzichtigheid uw plan te verdoezelen? En ik maar spreken zonder iets te weten, over wondere dingen die ik niet begreep
(Job 42: 2 &3 (WV) )
Riemer Lap