elkaar is iedereen
34 Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand
zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders,
beerft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging
der wereld af.
35 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten
gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken
gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij
hebt Mij gehuisvest,
36 naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij
bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt
tot Mij gekomen.
37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende:
Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien
en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U
te drinken gegeven?
38 Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en
hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed?
39 Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis
gezien en zijn tot U gekomen?
40 En de Koning zal hun antwoorden en zeggen:
Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van
deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het
Mij gedaan.
41 Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn,
zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het
eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen
bereid is.
42 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij niet te
eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij
niet te drinken gegeven;
M a t t e ü s 2 5
43 Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij
niet gehuisvest, naakt en gij hebt Mij niet gekleed,
ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet
bezocht.
44 Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen:
Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of
dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in
de gevangenis, en hebben wij U niet gediend?
45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar,
Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze minsten
niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij
niet gedaan.
M a t t e ü s 2 5