BalkenendeGisteren was ik bij m’n zus in Rotterdam. Ze liet me een ingelijste kindertekening zien. ‘Voor G. van Amélie, bedankt voor de traktatie’ stond er op de tekening, die Sinterklaas en een bups Zwarte Pieten moest voorstellen. Leuk, zul je misschien denken, maar wie is Amélie? De Amélie uit die leuke film? Wel, dit is niet het geval, maar toch is Amélie niet zomaar een meisje. Amélie is het 4-jarige dochtertje van premier Balkenende en zijn vrouw Bianca.
Het toeval wil dat de vrouw van Balkenende een collega is van m’n zus bij de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Dit was ze al voor de opkomst van de Nederlandse Harry Potter. Ik herinner me nog dat ze vertelde dat een van haar collega’s was getrouwd met een hoge pief van het CDA: ene Jan-Peter Balkenende. Ik had nog nooit van de beste man gehoord. Enige tijd later werd Jaap de Hoop Scheffer gewipt als partijleider en werd er een nieuwe lijsttrekker gekozen door de leden. Dat werd dus de tot op dat moment anonieme Balkenende.
M’n zus (en de rest van onze familie eigenlijk ook) heeft sindsdien een zwak voor Balkenende en volgt hem op de voet. Ze hoort van Bianca veel uit de eerste hand en heeft onze premier een keer ontmoet bij een etentje met collega’s. De kleine Amélie wordt soms door haar moeder meegenomen naar de universiteit en ze is de dikste maatjes met m’n zus. Volgens haar is het een heel grappig meisje.
Politiek vind ik persoonlijk nogal saai en de meeste politici zijn in mijn ogen fossielen, die in gewichtige taal de oren van je hoofd kletsen over zaken die me bijna nooit boeien. Balkenende is eigenlijk geen uitzondering, hij praat net zo snel als hij denkt en heeft altijd onmiddellijk zijn woordje klaar. Tamelijk vermoeiend. Toch heb ook ik een zwak voor onze premier. Hij komt op mij vriendelijk, fatsoenlijk en intelligent over, wat je van veel van zijn collega’s niet kan zeggen. Van de venijnige kritiek die in de media wordt uitgegoten over Balkenende moet ik dan ook niets hebben. Alleen om Kopspijkers moet ik wel lachen, vooral als de moeder van Balkie wordt nagedaan. M’n zus vertelde dat Balkenende de laatste uitzending waarin zijn ‘moeder’ kwam opdraven heeft gezien. Hij zat boven tv te kijken en riep naar zijn vrouw beneden: “Bianca, ze doen m’n moeder na!” Hij had er gemengde gevoelens over, maar moest wel toegeven dat de gelijkenis met z’n moeder treffend was…
KerstverhaalHet is de ochtend van 25 december 1914. In de Vlaamse blubber bij Ieper liggen Engelse soldaten te kleumen in hun loopgraven. Enkele tientallen meters verderop bevinden de Duitsers zich achter hun eigen borstweringen. De Eerste Wereldoorlog is nog maar enkele maanden aan de gang, maar op het relatief kleine strijdtoneel rond het Belgische stadje hebben al tienduizenden Duitse, Franse en Engelse soldaten het leven verloren. Neergemaaid door mitrailleurs, tot pulp vermalen of levend begraven door granaatvuur, aan de bajonet geregen, bezweken aan ziektes als dysenterie, etc. etc. De verwachting van de Engelse krijgsheren dat de oorlog nog voor de Kerst beslist zal zijn in het voordeel van de geallieerden, blijkt ietwat aan de optimistische kant: de oorlog zou zich nog drie lange jaren voortslepen.
De soldaten in de frontloopgraven leven echter bij de dag, en proberen zo goed en kwaad als het kan te overleven in de modder en viezigheid. Later zullen veel betrokkenen van het slagveld bij Ieper vooral de verschrikkelijke walm die er hing herinneren: de niet-aflatende stank van rottende lichamen, paarden, koeien, ratten en rottend voedsel, vermengd met de geuren van uitwerpselen, gifgas, ongebluste kalk (die over lijken werd gestrooid) en de bijtende stank van brisantgranaten. Behalve de ellende van het leven in een smerige, natte loopgraaf, liepen soldaten de kans om bij de kleinste onvoorzichtigheid een kogel door het hoofd te krijgen van een sluipschutter, en wanneer zo nu en dan de tegenpartij werd aangevallen, diende men voornamelijk als kanonnenvoer. Kortom, er waren op eerste kerstdag 1914 prettiger oorden om te vertoeven dan Ieper.

Terug naar de frontloopgraven. Het is een koude, zonnige ochtend. De Tommies (bijnaam voor Engelse soldaten) zijn gewend geraakt aan de dagelijkse Duitse beschietingen, maar opeens is het stil. Geluiden van kerstmuziek komen aanwaaien over het niemandsland tussen de loopgraven: Duitse muziek, voor een deel begeleid door een orkest, en Duitsers die ‘Stille Nacht’, ‘O Tannenbaum’ en andere kerstliederen zingen. De Britten gluren over de borstwering en zijn stomverbaasd, maar al gauw beginnen ook zij kerstserenades ten gehore te brengen. Tot hun verbijstering zien ze Duitsers op de rand van hun loopgraven klimmen. Ze zijn ongewapend en zwaaien naar de overkant, enkelen steken een kleine kerstboom in de lucht. Kort daarop beginnen er een paar, grijnzend en lachend, richting de Britse linies te lopen.
De mannen lijken, hoewel ze elkaar de voorbije maanden onafgebroken naar het leven hebben gestaan, te worden bevangen door een vreemde sfeer van hartelijkheid. Even later klauteren Engelsen en Duitsers met duizenden uit hun loopgraven, om het niemandsland over te steken en de tegenpartij op de heiligste dag van het jaar het beste toe te wensen. Ze gaan in groepen bij elkaar staan en beginnen geschenken uit te wisselen. De soldaten geven elkaar wat ze toevallig bij zich hebben: horloges, ringen, sigarettendoosjes en tubes met zalf. De Duitsers hebben ook bier en schnapps en geven een deel van hun sigaren weg. De Britten geven sigaretten en plumpuddingen. Er worden namen en adressen uitgewisseld, en ook uniformknopen en baretinsignes. Ze nemen foto’s van elkaar en proberen een gesprek aan te gaan. In ten minste één sectie van het niemandsland wordt een voetbal tevoorschijn gehaald, waarna er tussen de manschappen van de strijdende legers een levendige wedstrijd op gang komt. Officieren nemen de gelegenheid te baat om enkele lichamen van soldaten en karkassen van dieren te begraven, iets waartoe ze tot op dat moment geen kans hadden gezien.

Een officier van de Scots Guards zei later over de Duitsers: ‘Ze bezwoeren dat ze absoluut geen vijandige gevoelens jegens ons koesterden, maar dat alles in handen lag van hun gezagsdragers en dat ze als soldaten moesten gehoorzamen. Ik geloof dat ze de waarheid spraken toen ze dit zeiden en dat ze nooit meer een schot wilden lossen.’ De officier verstuurde zelfs een ansichtkaart die hij had gekregen van een Duitser die voor de oorlog een Engelse vriendin had in Suffolk, hoewel ‘ze waarschijnlijk niet echt staat te springen om hem nog een keer te zien.’
Terwijl de dag vordert, verbroedert men zich in allerlei activiteiten. De Duitsers nodigen een aantal Tommies uit in hun loopgraven en zetten hun een kerstmaaltijd voor, compleet met bier, wijn, worst, zuurkool en kerstbomen. Op een gegeven moment schiet er een konijn tevoorschijn uit de restanten van een korenveld. Het wordt gezamenlijk gevangen. Nog een konijn schiet tevoorschijn en ook die krijgen ze te pakken, zodat iedere partij een konijn mee terug kan nemen naar de loopgraaf. Het ene lied volgt op het andere, het is een gezellige boel.
Op de hoofdkwartieren zijn ze hier niet echt blij mee. Wanneer er berichten beginnen binnen te sijpelen over het onofficiële staakt-het-vuren, worden aan beide zijden in allerijl koeriers naar de loopgraven gestuurd met de order om een einde te maken aan de uitwisseling van vriendelijkheden. Tegen officieren die het allemaal op z’n beloop lieten, wordt gedreigd met strenge maatregelen. De soldaten gehoorzamen. De volgende ochtend begint het bloedvergieten weer van voor af aan...
Herschreven fragment uit:
Storm over Vlaanderen: triomf en t