Zoals Bharatti Petter, zomaar een jonge vrouw van 26 uit Amsterdam, die in haar vrije tijd buddy is voor een drugsverslaafde aidspatiënte.
Een buddy biedt gezelschap aan mensen die doodziek zijn. U zult haar niet kennen, ik eigenlijk ook niet. Ik las haar verhaal in het gratis krantje dat je elke dag in de trein wordt uitgereikt en heb het eruit gescheurd en bewaard. Een gewoon verhaal van een gewone vrouw, zoals er ongetwijfeld veel meer zijn. Ze eindigen in de afvalbak op het station.
‘Het is natuurlijk afschuwelijk om zo’n aftakelingsproces te zien’, zegt ze.
‘Ik doe het vanuit het gevoel dat ik zelf zo goed heb. Ik ben geadopteerd, heb een hartstikke leuke jeugd gehad en heb veel mensen om mij heen die om mij geven. Er zijn zoveel mensen in Nederland dier het veel minder goed hebben. Sommigen creëeren die situatie zelf, maar de verhalen die er achter zitten, zijn vaak schrijnend. Die mensen verdienen het niet om in een klein kamertje in hun eentje dood te gaan’.
Is het nu zoveel bijzonders wat ze doet?
‘Eigenlijk stelt het helemaal niet zoveel voor wat ik doe, maar mijn cliënt hecht er heel veel waarde aan.’
Een gewone vrouw, zonder het heilige aureool van een Florence Nightingale. En toch.
Misschien hebben we wel helemaal een fout beeld van barmhartige Samaritanen. Zijn het helemaal geen superhelden, geen morele body builders, maar huis-tuin-en-keuken-mensen.
Waarom schiet je een ander te hulp?
Uit een ander verhaal over Amsterdamse buddies hoorde ik één van hen zeggen: ‘omdat ik niet kon weigeren.’ Hetzelfde hoor je van mensen uit de oorlog en het verzet. Waarom deed je het? Omdat ik niet kon weigeren. Dat is het misschien wat een Samaritaan van je maakt. Niet dat je iets kunt wat anderen niet kunnen, maar omdat je iets niet kunt: weigeren, redenen verzinnen om onder het beroep dat een ander op jou doet uit te kunnen, je ogen sluiten, je hoofd afkeren, afstand houden.
Zoals die Priester en leviet die aan de overkant voorbijgingen wèl konden.
Je naaste helpen is niet een extra krachtsinspanning, iets voor morele helden. Integendeel, weigeren, je afsluiten voor de ander, smoezen verzinnen, excuses bedenken – dat vraagt energie en kracht.
De priester had vast belangrijke religieuze verplichtingen waar hij niet onder uit kon, droeg een zware verantwoordelijkheid, de hele cultus in Jeruzalem was misschien van zijn aanwezigheid afhankelijk. Hij kón eenvoudig niet te laat komen.
En de leviet (een soort hulppriester), misschien had hij een vorige keer wèl hulp verleend, maar bleek het toen een hinderlaag waarvan hijzelf het slachtoffer was geworden. Hij had zijn lesje geleerd. Zo worden de goeden misschien de dupe van de kwaden’, maar het is niet anders.
De excuusmachine in de hoofden van de Priester en leviet werken op volle toeren. Zij moeten zich extra inspannen om niet te luisteren naar hun binnenste. Zij luisterden niet naar hun ‘ingewanden’ – zo staat het er letterlijk – , die de Samaritaan wèl liet spreken.
Híj werd ‘met innerlijke ontferming bewogen’, staat er. Letterlijk: zijn ingewanden roerden zich.
Ethiek is een zaak van het lichaam, van je ogen, je buik, je hart en je handen.
Het hoofd wordt vaak alleen maar ingezet om de roepstem van het hart te smoren.
Soms moet dat wel even, nee zeggen met je verstand als je gevoel ja zegt.. Ik laat nog een keer buddy Bharati Petter aan het woord. ‘Het moeilijkste van het werk vind ik om nee te zeggen, als mijn cliënt bijvoorbeeld van mij vraagt of ze geld kan lenen. Dan denk ik: “Die 15 gulden wat maakt mij dat nou uit?” Maar ik ga haar natuurlijk geen geld geven om drugs te kopen.’
Ook een Barmhartige Samaritaan moet zijn nuchtere verstand laten werken. Maar dat is dan wel blijkbaar een nuchterheid die het hart een handje helpt, en niet het zwijgen oplegt.
Nogmaals: als je dit verhaal onbevangen aanhoort, met wie voel jij je dan het meest verwant?
Priester, leviet, of Samaritaan?
De plek van de Barmhartige Samaritaan, kunnen we vaststellen, hoeft dus niet leeg te blijven. Er zijn er die het zijn en misschien ben je het zelf.
Maar er is nog een vierde hoofdpersoon in het verhaal, ook al lijkt hij tot een figurantenrol veroordeeld.
Dat is het slachtoffer, de reiziger die afdaalt van Jeruzalem naar Jericho, wordt overvallen, en halfdood aan de kant van de weg blijft liggen tot hij door de Samaritaan wordt gered.
Het is vreemd dat, als je vraagt met wie lezers van het verhaal zich vereenzelvigen, bijna niemand kiest voor het slachtoffer. Dat gold ook voor de studenten, met wie ik naar de schilderijen keek.
Dat zegt weer veel over onszelf.
Niemand ziet zichzelf blijkbaar graag in de positie van de loser, totaal afhankelijk van de hulp van anderen. Wij zijn het liefst sterke mensen, die onze eigen boontjes weten te doppen. Wij staan overeind, volgen onze eigen weg, en liggen niet aan de kant. Wij doen ons het liefst voor als onkwetsbaar en als we onderweg in het leven wonden oplopen, dan verbergen we die. Neen, laat de rol van slachtoffer maar door iemand anders spelen. En laat niemand ons ongevraagd te na willen komen, zich neerbuigend over ons heen buigen.
Toch zou het wel eens zo kunnen zijn dat het verhaal van de Barmhartiuge Samaritaan uiteindelijk vooral om het slachtoffer cirkelt.
Dat gold in elk geval voor de joodse wetgeleerde, aan wie Jezus het vertelt.
Een mens wiens ethiek alleen maar morele actoren kent.
Een ethiek die alleen bestaat uit verplichtingen, regels voor Wie Wanneer Iemand (Die en Die wel en Die en Die niet) moet gaan helpen. Geholpen worden, moreel patiënt zijn, afhankelijk zijn, niet handelen maar ondergáán – die begrippen komen in het morele woordenboekje van wetgeleerden niet voor.
Als hij de vraag stelt: ‘wie is mijn naaste?’ bedoelt hij vanzelfsprekend: ‘vertel me wie moet IK helpen?’
Als Jezus het verhaal van de Barmhartige Samaritaan heeft vertelt is het perspectief echter precies omgedraaid: ‘ Wie van deze drie is de naaste geweest voor het slachtoffer?’
Hij vraagt aan de wetgeleerde om zich in de schoenen van het slachtoffer te verplaatsen, om de wereld vanuit zijn perspectief te zien.
Blijkbaar is dan de naaste niet degene die wij helpen, maar degene door wie wij geholpen worden. Dat is een eerste pijnlijke les, die deze wetgeleerde moet leren.
Een tweede les is misschien nog pijnlijker.
Namelijk dat we degene die ons helpt niet voor het uitkiezen hebben, maar best wel eens onze vijand kan zijn. Het slachtoffer, ongetwijfeld een jood, wordt nota bene door een Samaritaan, een verachtelijk soort mens waar hijzelf nota bene een boogje voor om zou lopen, geholpen.
Jij, wetgeleerde, jij hoorder van dit verhaal, hóór je dat, vóel je dat: ook jij kunt zomaar een slachtoffer worden dat door vrienden in de steek wordt gelaten maar dan door schijnbare vijanden wordt geholpen.
Zo schudt Jezus het morele huishoudboekje van deze wetgeleerde danig door elkaar.
Je was op zoek naar een sluitende ethische theorie, waar je zelf buiten schot zou kunnen blijven? Nou, je krijgt een verhaal waardoor je ander mens wordt.
Slachtoffer en helper, vriend en vijand – al die rollen kunnen zomaar stuivertje wisselen.
Hecht er niet teveel aan, het ene moment ben je slachtoffer, het andere priester, leviet of Samaritaan.
Alle mooi beschilderde decors van goed en kwaad die we er in onze samenleving op na houden zijn in feite gemaakt van bordkarton, elke rol kan zomaar weer door iemand anders gespeeld worden.
Wat blijft is de ene mens die op de innerlijke ontferming van de ander is aangewezen.
Ik eindig daarom met een verhaal naar de amerikaanse schrijver Stephen Mitchel, die een vervolg op de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan bedacht (Parables and Portraits, 1990).
De priester, Leviet, Samaritaan en de man die in rovershanden viel, ontmoeten elkaa