Dit vond ik hierover op internet.
Citaat van A. Remmers:
Markus 16:17
“Hen nu die geloven, zullen deze tekenen volgen: in mijn naam zullen zij demonen uitdrijven, in nieuwe talen zullen zij spreken, 18 en met hun handen zullen zij slangen opnemen, en als zij iets dodelijks drinken, zal het hun geenszins schaden; op zieken zullen zij de handen leg-gen en zij zullen beter worden” (Markus 16:14-18).
In dit gedeelte hebben wij de grote opdracht van de opgestane Heer aan zijn discipelen (vgl. ook Mattheüs 28:18-20). Hij droeg hen op om in de ganse wereld het Evangelie te prediken. Christus was immers gekomen om zondaren te redden. Daarvoor stierf Hij en werd opgewekt (Romeinen 4:25). Allen die geloven en gedoopt werden, zouden gered worden, wie echter niet gelooft gaat eeuwig verloren.
De daarna vermelde dingen, de uitdrijving van demonen (vergelijk hiertoe Handelingen 16:18), het spreken van nieuwe talen (Handelingen 2:4), het opnemen van slangen (Handelingen 28:3-6), het opleggen van de handen (Handelingen 3:7; 5:12), enz., dit alles ging daadwerkelijk in het leven van de apostelen in vervulling. Zij hadden als eerste geloofd en waren van de wens vervuld om zielen te winnen. Maar deze belofte is niet algemeen geldig, alsof iedere christen ze op zich kan laten betrekken. Ze gold in eerste instantie degenen, die de grote opdracht van de Heer vervulden. Wanneer tegenwoordig een gelovige een slang zou opnemen, zou het hem niet zo licht vergaan als in Handelingen 28.
Bovendien is het belangrijk, het onderscheid te zien in de woorden van de Heer aan het slot van het Mattheüs-Evangelie. Daar spreekt Hij ervan dat Hem alle macht in hemel en aarde gegeven is en dat Hij bij ons zal zijn tot de voleinding van de eeuw (Mattheüs 28:18-20). In het evangelie van Markus lezen wij evenwel niets ervan dat de Heer door die tekenen zo lang zou werken. Zoals wij zagen, gingen de voorzeggingen van de Heer bij de apostelen woordelijk in vervulling - en werkelijk allemaal, niet slechts een of twee! Derhalve is het merkwaardig, dat tegenwoordig slechts sommige van deze dingen als bijzondere “gaven” naar voor gebracht worden.
Het gaat hier om tekenen, met welke God bij de aanvang van het Christelijke tijdperk bevestigde dat de verkondiging van het Evangelie onder Zijn opdracht geschiedde. Zo had Hij eertijds Mozes door wonderen en tekenen voor de farao als Zijn dienaar gelegitimeerd. De schrijver van de Hebreeënbrief herinnert zich, omstreeks het jaar 60, deze tekenen met de woorden:
“hoe zullen wij ontkomen, als wij zo’n grote behoudenis veronachtzamen, waarover aanvankelijk gesproken is door de Heer en die aan ons bevestigd is door hen die het gehoord hebben, terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van Heilige Geest naar Zijn wil” (Hebreeën 2:3, 4).
De “nieuwe talen” die de Heer in Markus 16 vermeldt, zijn niet nieuw in de zin, dat ze nog nooit daarvoor gehoord werden, of dat ze voor de hoorders nieuw waren, maar het waren talen die nieuw waren voor de sprekers. Het waren andere talen dan deze die zij tot hiertoe kenden. Dat komt ook in het Griekse woord voor “nieuw” (kainos) tot uitdrukking. Het betekent iets nieuws, in zoverre het er nog niet geweest is, of als tegenstelling tot wat er tot nu toe is geweest. Er is in het Grieks een ander woord, “neos”, dat eveneens “nieuw” betekent, doch in de zin van “jong, fris, nog niet oud”. Dit laatste is in Markus 16 niet bedoeld.