Oké, lied 1 uitgeplozen. Waarschuw me als ik teveel in de tekst lees wat er niet in staat.
1.
God heeft het eerste woord.
Hij heeft in den beginne
het licht doen overwinnen,
Hij spreekt nog altijd voort.
Veel mensen zijn gevallen over het licht doen overwinnen, alsof duisternis en licht er al waren en God het licht een extra zetje gaf, i.p.v. schepping uit niets. Inderdaad, niet zo'n zuivere formulering in het licht van Genesis 1. Geen halszaak, wat mij betreft.
"Hij spreekt nog altijd voort" zet bijna een '='-teken tussen schepping toen en nu. Gereformeerde interpretatie: voorzienigheid is ook een soort schepping. Staat niet in het lied. Dichter bedoelde het heel anders. Maar goed, laten we passeren.
2.
God heeft het eerste woord.
Voor wij ter wereld kwamen,
riep Hij ons reeds bij name,
zijn roep wordt nog gehoord.
Wat zegt dit couplet? Je kunt hierin Gods verkiezend werk lezen, ofzo. Andere interpretatie die ook nog eens gereformeerd is lijkt me moeilijk. Wat is het verband met vers 1?
3.
God heeft het laatste woord.
Wat Hij van oudsher zeide,
wordt aan het eind der tijden
in heel zijn rijk gehoord.
Vind ik veel problematischer. Wat God van oudsher zei -- dat zijn profetieën en beloften enzo. (Of het moet om het in 1. genoemde scheppingswoord gaan, maar hoe?) Je zou verwachten: wordt aan het eind der tijden in heel zijn rijk zichtbaar of werkelijkheid. Maar nee, de woorden blijven ook aan het eind der tijden alleen maar woorden. Ik denk niet dat dit zout op slakken leggen is, het is inhoudelijk een heel arm lied. Als je het gereformeerd wilt duiden althans, vanuit gezichtspunt dichter is het lied rijker maar minder gereformeerd.
4.
God staat aan het begin
en Hij komt aan het einde.
Zijn woord is van het zijnde
oorsprong en doel en zin.
"Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen..."? Jawel, maar waarom 'zijn woord' met een kleine letter? Typfout? Alweer, met beroep op theologisch proza van dichter & vrienden kan ik aantonen dat kleine letter opzettelijk is. Wij kunnen braaf interpreteren als Christus, maar staat nergens. Ik mis de rechtstreekse belijdenis!
Waarom trouwens de focus op het fatische, het spreken/horen/woorden/klinken? Alsof God opgaat in woorden. Let wel, ik heb niets tegen een thematisch opgezet lied, maar hier is er niets dan woorden. Vooral in vers 3 blijft het zo bij woorden. Oorspronkelijk was het lied symmetrisch; er zat een (dichterlijk zwak) couplet tussen 2 en 3, "God heeft het laatste woord / voor wij de dood inzijgen / het somber rijk van zwijgen / (laatste regel even vergeten)". Ook hier is dood = zwijgen.
Wat zou er als dubbele bodem hieronder kunnen zitten? De dichters zijn daar zelf wel open over. Van Jan Wit heb ik helaas geen secundaire literatuur in huis. Van zijn collegae Liedboek-dichters wel. Klaas Heeroma (alias Muus Jacobse) in Nader tot een taal theologie, bijvoorbeeld:
Het heeft God beliefd menselijke taal te worden en dat maakt onze religie tot een taalreligie, ons geloof tot een taalgeloof, ons bestaan tot een taalbestaan (p 71).
Het heil dat geschied is, geschiedt ook in ons, doordat het woord dat gesproken is, zich in ons verderspreekt. Als er iets bevestigen kan dat geschiedenis functioneert door taal en als taal, dan zeker de heilsgeschiedenis (p 106).
Als God zich sprekenderwijs aan ons openbaart, is het ongetwijfeld zijn bedoeling dat Hij voor ons God-de-Spreker is ... Wat God buiten zijn zelfopenbaring door de mond van zijn profeten is, òf God eventueel voor zichzelf nog iets anders dan God-de-Spreker is, is een geheim dat on s niet aangaat (p 109).
Taal is lichaam, taal is vlees. Als God voor mensenoor verstaanbare en voor mensenmond naspreekbare taal is gewoden, betekent dat, dat Hij stemband in een menselijke keel en tong in een menselijke mond, dat Hij lichaam, dat Hij vlees is geworden. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond ... (p 115).
Het Woord schijnt immers vervangbaar te zijn door de Schrift, je het spreken schijnt eerst recht voltooid te worden door het opschijven in lettertekens. God het Woord wordt God de Schift, God de Sprekende Mond wordt God de Schrijvende Vinger. En ik kan de namenreeks van de Zoon, het vleesgeworden Woord, de zichtbaargeworden God, nog voortzetten. God de Schrijvende Vinger wordt via God de Heilige Schrift tot God de letter-van-de-Wet, God de Bijbeltekst, God de Stenen Tafel, God het Papieren boek (p 119).
Schrijven is een verzelfstandiging van de logos in het geraamte van het letterschrift. Alle schrift is een grafschrift waaronder het tot een verzelfstandigde logos ontledigde woord begraven ligt. Ik kan met een ander beeld, ook zeggen dat het levende woord aan het schrift gekruisigd wordt, terwijl het zijn adem aan God beveelt (p 119).
Een andere Liedboek-dichter, Ad den Besten in Dichten als Daad:
... En dit 'uit niets maken' van de wereld - dat heet nu 'scheppen'. Het zijn meestal heel bijbelvaste, heel bijbelgetrouwe mensen, bij wie men het zo aantreft, maar ze hebben één ding in elk geval niet in de gaten: dat het zo - zo vlak, zo banaal zou ik bijna zeggen - toch niet in de bijbel staat.
Om te beginnen is er daar geen sprake van, dat God de wereld uit niets zou hebben geschapen [...]
Wonderlijke gedachte voor de moderne mensen die wij zijn: Alles in de schepping hàngt aan het Woord. Het Woord schept. Het Woord scheidt. Het Woord kwalificeert en geeft namen. De dingen bestaan eigenlijk pas, zijn pas 'gestiftet', doordat ze genoemd zijn, doordat ze een naam hebben gekregen (p 17).
* * *
De vragen die er nu liggen: Wat is meer vergezocht: bovenstaande citaten in het lied horen meeklinken of de gereformeerde interpretatie?
En nog een puntje om over na te denken: Waarom staat dit woord-lied zó opvallend programmatisch voorin de bundel, vóór de categorie bijbelliederen? Zou dat kunnen zijn, omdat het lied de toon zet voor de bundel, de diepste motieven van de samenstellers blootlegt, net zo goed als dat Psalm 1 het hoofdmotief van het Psalmenboek aankondigt?