Dwaalleraars zijn exemplaren van een wat bredere familie die in de bijbel veel aandacht krijgt. Hun naam bestaat uit pseudo -- dat betekent leugen, sterker dus dan dwaling -- en daarachter iets wat te maken heeft met Gods Waarheid:
-- leugen-broer, pseud-adelfos (2 Kor 11, 26; Gal 2, 4)
-- leugen-gezant, pseud-apostolos (2 Kor 11, 13)
-- leugen-onderwijzer, pseudo-didaskalos (2 Pet 2, 1)
-- leugen-getuige, pseudo-martys (Mat 26, 60; 1 Kor 15, 15)
-- leugen-profeet, pseudo-profetes (Mat 7, 15; Mat 24, 11.24; Mar 13, 22; Luk 6, 26; Hand 13, 6; 2 Pet 2, 1; 1 Joh 4, 1; Op 16, 13; 19, 20)
-- leugen-gezalfde, pseudo-christos (Mat 24, 24; Mar 13, 22)
Judas zet het verschijnsel dwaalleraar in zijn briefje neer als een expositie van schilderijen van verraderlijke dingen. Een scheldkanonade, niet mooi meer (wel heel beeldend, trouwens). 2 Petrus werkt het wat praktischer uit. In 2 en 3 Johannes is het nog praktischer. Iemand die ontkent dat Jezus niet de Christus is, in het vlees gekomen, moet je niet eens in je huis ontvangen.
Toe maar!