Andere opmerkingen
Gave van tongen
Hierin geeft MDG een vrij accurate toelichting op wat dit inhoudt.
En ook vandaag de dag kunnen wij deze gave vinden,
wanneer mensen een vreemde taal aanleren.
Echter, daar zitten ook beperkingen aan. Bedenkt u maar eens: een Afrikaan en een Nederlander die met elkaar in het engels spreken. Zij spreken beiden in een taal die de hunne niet is. In de vertaling gaan dingen verloren: uitdrukkingen, begrippen, accenten e.d. Zelfs wanneer de afrikaan Nederlands leert of de Nederlander Afrikaans, zal hiervan sprake zijn, tenzij iemand een groot aantal jaren zich in de vreemde taal en de achterliggende cultuur heeft verdiept.
In de taal zit het wezen van een natie verborgen, wij dromen in onze moedertaal, een belangrijk cultureel erfgoed. Taal is méér dan woorden alleen.
Een cursus is voor de meeste mensen nog te volgen, een groot aantal jaren in den vreemde doorbrengen echter niet.
Het lijkt me niet verkeerd om bijvoorbeeld in contacten met asielzoekers te bidden om de gave van tongen, spontaan een taal kunnen spreken.
Want de Geest kent de beperkingen van onze vertaalslag immers niet. Op deze manier kan iemand sterk bemoedigt worden, wanneer hij iemand in zijn taal hoort spreken, zuiver en bezield.
Wat betreft het spreken in talen van engelen: ik geloof dat het mogelijk is zo bezield te zijn dat wanneer wij bidden of lofprijzen, onze eigen taal tekort schiet in de vertaalslag naar het voorwerp van aanbidding: God. De gave van tongen stelt ons in staat deze barrière te overwinnen.
Zegenen
MDG geeft goed aan welke vormen van zegenen bestaan, en dat zegen van boven, van God komt. Die zegen kunnen wij niet afdwingen.
Wij geloven dat God zijn zegen geeft aan de gelovigen die Hem daarom vragen. Wanneer wij door handenoplegging of zegening is het goed om te beseffen dat die zegen niet van ons maar van God uitgaat.
Echter, elkaar zegenen met Gods zegen is nodig als bevestiging van die zegen, eraan herinnert worden dat God nabij is en voor ons zorgt.
Zo ook het avondmaal: bevestiging dat wij gemeenschap met God hebben. Ook de doop is geen magie, daadwerkelijke verzoening zoals dat in Roomse Kerk gebeurt, maar een bevestiging en bezegeling ervan. Wanneer een ongedoopte baby van gelovige ouders overlijdt, twijfelen we niet aan zijn zaligheid.
Het ontbreekt gewone christenen vaak aan de moed om elkaar door middel van zegen, handenoplegging en gebed toe te rusten. We schieten tekort in onze liefde, wanneer wij die niet zichtbaar bevestigen naar elkaar. Vaak leren we wel wat Gods liefde is, maar het toepassen ervan is twee.
Er worden in MDG kanttekeningen bij zegenen gezet zoals dat in ministry wordt gedaan. Hoewel terecht wordt opgemerkt dat God de zegen geeft, denk ik dat bij ministry meestal het gezonde besef er wel is dat het gaat om de bevestiging van Gods zegen met iemand en waarvoor voorbede gevraagd wordt.
Er valt m.i dus heel wat te nuanceren wat betreft ons oordeel over ministry, dat misschien een ander accent kan legt, maar inhoudelijk toch goed werk doet.
Gezag
In hoeverre kunnen wij tegenwoordig spreken van (apostolisch)gezag? Het is duidelijk dat zij een bijzondere taak hadden, zeker wat betreft het voltooien van de canonieke canon.
Maar hoeveel gezag hebben wij om te genezen, boze geesten uit te werpen? Hierover wordt gesproken in MDG Hfst.7. Ik heb nog geen sluitende conclusies hierbij, maar de conclusies van MDG lijken mij onvoldoende onderbouwd.
Er wordt op blz. 98 verwezen naar Marcus 16, en betoogd dat niet alle gelovigen bijzondere tekenen zullen doen.
Maar of dit alleen voor de apostelen gold is sterk de vraag, er staat immers:
“in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs wanneer zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen opleggen en zij zullen genezen worden”
Er wordt hier gesproken over de gelovigen, niet alleen apostelen. Deze wonderen zullen hun navolgen, niet alleen de apostelen(hoewel dezen duidelijk met deze gaven gezegend waren). En Paulus geeft meerdere malen de wens, dat alle gelovigen zo begaafd mogen zijn als hij.
En dat niet alle gelovigen zo begaafd zijn is duidelijk, maar kunnen deze wonderen hen misschien wel navolgen?
En de verleden tijd waarover wordt gesproken(MDG blz. 98, alin.3) is bedoeld om aan te geven dat de verkondiging van de apostelen teneinde loopt, de canonieke openbaring, waarbij God wonderen gaf ter bevestiging.
Maar het is de vraag of de wonderen zelf ook verleden tijd zijn geworden, aan de hand van deze tekst is durf ik dat niet uit te sluiten.
Ik wil ook wijzen naar Marcus 9:38-41, Lucas 9: 49-50. Hier wilden de discipelen iemand die niet tot hun kring behoorde, het uitdrijven van boze geesten beletten. Jezus keurde deze houding af en staat het toe. Over de motieven van deze buitenstaander rept Hij geen woord, maar wel over de houding van de discipelen.
Wie in zijn naam krachten doet, is geen tegenstander maar een medestander.
In Numeri 11:26-30 lezen we van oudsten, die door de Geest worden aangegrepen ook al zijn zij afwezig bij de vergadering. Mozes is niet afwijzend, maar zou wensen dat iedereen zo gegrepen zou worden.
Deze afwezigen behoren weliswaar toe aan een groep van 70 oudsten die werden aangegrepen, maar het is wel een signaal dat de Geest verder reikt dan gebondenheid aan een vergadering of samenkomst.
Wat oudsten betreft, dit zijn wijze mensen, vaak op leeftijd, met enige mate van geloof, geestelijke groei en leiderschap, waardoor zij in staat zijn de gemeente van God goed te leiden. En mogen spreken met gezag maar in 1Petrus 4:11 wordt dat aanbevolen bij alle gelovigen. Zie ook 1 Col.3:17.
Het lijkt me dus veilig om te zeggen dat christenen enig gezag hebben van Christus, met de notie dat deze zich niet hoeft te openbaren in bijzondere bedieningen. Daarbij mogen we zeker toetsen, maar wel met enige terughoudendheid in veroordeling naar onze medestanders in Christus.
Over de mate van gezag valt dus nog het een en ander te overdenken.
Slotoverwegingen
Deze discussie gaat meer dan over alleen een geschil op de wijze van werken van de Heilige Geest.
Er wordt in MDG terecht gewaarschuwd voor excessen en ruimte gegeven voor gebrokenheid. Er gaat alleen niet zoveel appél van uit voor verdere toerusting van gereformeerde kerken.
In onze kerken ervaar ik nog veel individualisme. Vaak is er een kleine groep actieve leden die steeds de kar moet trekken naast de kerkenraad.
Zonder activistisch te worden is het goed om na te denken over hoe wij onze gemeenschappen breed kunnen mobiliseren voor Gods koninkrijk en onze positie als bruid van Christus.
De vraag wordt vaak gesteld: hoe maken we de kerk aantrekkelijker voor buitenstaander, verlagen we drempels?
Ik denk dat we meer energie moeten stoppen in het aantrekkelijker maken van de kerk voor onszelf, d.i een ware gemeenschap van Gods kinderen. In hoeverre rusten we elkaar toe, zijn we echt met elkaar begaan?
Mogen we elkaar daarin verantwoordelijk houden, ieder tijd vragen voor de kerkelijke gemeenschap of is dat te activistisch?
Kijkend naar het financiële aspect van een kerk zijn we aanspreekbaar.
Elke kerk is nou eenmaal gedwongen om financieel orde op zaken te houden om in stand te blijven. Daarom hebben we weinig schroom om gemeenteleden aan te sporen tot structurele bijdragen aan de kerkelijke kas.
Mogen we dat dan ook niet op geestelijk gebied? Elkaar aansporen om tijd en energie voor de kerk te reserveren? Omdat we anders geestelijk verarmen hoe goed onze financiën ook op orde zijn. Is de energie die we in de kerk steken
en aan elkaar geven een sluitpost van ons leven?
Ik denk dat er meer potentieel in de gemeente van een kerk zit dan we denken, maar omdat er onvoldoende geestelijke toerusting plaatsvindt, komt dat niet vrij en zijn we te afhankelijk van kerkenraad, voorgangers en enkele actieve leden.
Van ministry en luisterend bidden kunnen we zeker leren wat betreft het stimuleren tot geloofsgroei, naast bijbelstudie en andere vormen van geestelijke toerusting. Ik dat de verschillende stromingen in onze kerken elkaar nodig hebben om een degelijk antwoord de geven op de uitdagingen van deze tijd, elkaar aanvullend, waarschuwend of bemoedigend, corrigerend of aanvurend.
Gelukkig zien we in veel kerken al grotere bewustwording en ontwikkelingen om een verzameling individuen om te vormen tot ware gemeenschappen van Gods kinderen.
Daarin ligt dan ook uitstraling naar buiten: ontdekken dat in de kerk een alternatieve manier van samenleven bestaat, waar mensen met elkaar begaan zijn en elkaar aansporen in geloof, hoop en liefde. Waar Gods genade waar we over spreken en zo sterk voor staan in de gereformeerde leer, ook zichtbaar is in ons leven en omgaan met elkaar. Waar door goed om te gaan met Gods talenten en de gaven van zijn Geest, ook echte vruchten van de Geest groeien.
Laten we daarin voor onze eigen gemeente blijven bidden, wetend dat de kracht niet uit ons komt, maar uit de kracht en liefde van Gods Geest.