Bij Carlyle: ‘Het apostolische ambt, de oorspronkelijke gestalte, zijn verval en zijn herstel’ kan men onder andere ( dit is dus een uittreksel!) het volgende lezen:
Was het de bedoeling dat dit ambt zou voortbestaan? Er zijn veel redenen voor een bevestigend antwoord. Hier volgen er enkele.
De verbonden en het bestuur van God met de mens kunnen veranderen en we weten dat dit werkelijk gebeurd is. Maar het goddelijke beeld van de kerk kan niet veranderd worden.
Er is geen enkele bijbelplaats te vinden die zou verklaren dat er een of andere ordening van God geweest zou zijn die tijdens het christelijke bestel zou ophouden, of dat onze armzalige toestand de uitdrukking en de openbaring van de goddelijke bedoeling zou zijn. Deze voorstelling van zaken is niets anders dan een louter menselijke uitvinding. Haar wens om zichzelf te rechtvaardigen vindt de oorsprong in zichzelf en welbeschouwd is dit een aanklacht tegen God.
De twaalven hadden een veel degelijker reden om zich te verzetten tegen de toetreding van Paulus dan wij hebben voor de bewering dat het apostolaat met Johannes zijn einde zou gevonden hebben. De Heer wist niets van deze nieuw bedachte theorie, toen Hij zei: ‘Ik ben met u tot aan het einde van de wereld’, niet met gestorven apostelen of met geestelijke zonen van de apostelen, maar met levende apostelen, die de kerk leren.
Zijn apostelen gesteld in de kerk, het Lichaam van Christus, zelfs in de eerste plaats, dan moeten waar het Lichaam wordt gezien, ook apostelen gezien worden (1 Kor. 12:28). Zijn overleden apostelen voldoende, waarom hebben we dan ook niet genoeg aan overleden herders en leraars? Waarom dan niet ten slotte ook aan dode heiligen? Zijn de apostelen zelf overbodig, dan zijn hun geschriften nog meer overbodig, want hun geschriften zijn niet meer dan een noodhulp voor hun persoonlijke tegenwoordigheid, en niemand kan zeggen dat de dode apostelen door middel van hun geschriften net zo bij ons zijn als de levende Jezus bij ons is door de Heilige Geest. Ten slotte, als apostelen de grootste zegen van God voor de kerk waren, dan is God partijdig, omdat hij aan de ene generatie van de christenheid iets schenkt wat Hij alle anderen onthoudt, doordat Hij die eerste christenen met de spijze van zijn maaltijd verkwikte, en de anderen, die toch tot dezelfde bedeling hoorden, slechts de broodkruimels overliet.
Het werk dat eens aan de apostelen was opgedragen was bedoeld voor alle tijden en is nu net zo nodig als in het begin.
Apostelen werden gegeven opdat wij niet langer kinderen zouden zijn die heen en weer geslingerd zouden worden door allerlei wind van leer. Is een dergelijk werk tot bescherming soms niet meer nodig? Dwalingen die door God worden gezonden ( 2 Thess. 2:11) kunnen door niemand anders ontmaskerd worden dan door mensen die ook door Hem gezonden worden.
De arbeid door apostelen is niet alleen nu nog noodzakelijk, maar is uitdrukkelijk ingesteld om voort te duren, tot een bepaald doel is bereikt.
De apostelen werden gegeven om te arbeiden tot wij tot de eenheid van het geloof komen en de erkenning van de Zoon van God, tot de mate van de volle wasdom van Christus. Apostelen moeten blijven tot het einde of voor het einde terugkeren.
Dit gedeelte uit een langer artikel verduidelijkte voor mij erg veel.