quote:
Mijn toon was, omdat je eerder niet op dezelfde argumenten hebt gereageerd en nu wel weer met dezelfde bewering komt. Ik ben blij dat het je deze keer wel uit de tent gelokt heeft. Nu kunnen we zien of de bewering blijft staan.
quote:
Worden gelovige niet-joden christenen genoemd?
In Handelingen 11.26 lezen we, dat de d i s c i p e l e n voor het eerst christenen worden genoemd. Dat geeft onmiddellijk al een beperking, want niet alle gelovigen, zeker niet gelovige heidenen, zijn discipelen. Zoals je weet komt het woord leren (manthano) niet veel voor. Maar het woord discipel of leerling (mathétés en alleen in het boek Handelingen.wel 250 keer). Maar het heeft altijd betrekking op leerlingen van Jezus, Johannes de Doper, de Farizeeën en Mozes. Sommigen beweren, dat Paulus ook discipelen had, maar dat is niet het geval. In Handelingen 19.9 vertaalde de vertalers ‘zijn discipelen’, maar dat moet zijn: de discipelen. Wij zien dus, dat Handelingen 11.26 niet als argument kan gelden om alle gelovige heidenen, christenen te noemen.
Interessant, maar in het zelfde boek handelingen lezen we, al in hoofdstuk 6:
quote:
hand. 6
1 En toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden. 2 En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen. 3 Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen; 4 maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord. 5 En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen Stefanus, een man vol van geloof en heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een Jodengenoot uit Antiochië; 6 hen stelden zij voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegden.
7 En het woord Gods wies en het getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloof.
Wat we in handelingen 6 zien, is dat er gemor is. De tekst geeft aan dat dat gebeurde toen het aantal discipelen talrijker werden. Nu zou deze ene zin op zichzelf nog kunnen betekenen dat de discipelen (in jouw betekenis van het woord) talrijk werden, er gemor ontstond onder de
niet-discipelen, namelijk de grieken, tegen de hebreeën. Wat er echter daarna gebeurt, is dat de
twaalven (discipelen) 'de menigte der
discipelen' bijeen riepen. Tegen die
menigte der discipelen zeggen de 12 discipelen dan 'zie dan uit, broeders,
naar zeven mannen onder u. Die zeven mannen 'onder u' zijn dus zeven mannen uit de
menigte der discipelen. Die 'menigte der discipelen' kiest daarna een zevental, waaronder Nikolaüs,
een Jodengenoot. Die Nikolaüs was dus geen jood, maar een heiden, een proseliet, een niet-jood die zich wel bij een synagoge had aangesloten. Aangezien deze Nikolaüs
uit de menigte der discipelen gekozen wordt als één der zeven mannen geeft aan dat Nikolaüs een discipel werd genoemd.
Overigens zien we vaker in Handelingen dat heidenen discipelen genoemd worden. Een ander mooi voorbeeld is hand.15:
quote:
hand .15
5 Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden.
6 En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen. 7 En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. 8 En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de heilige Geest te geven evenals ook aan ons, 9 zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende. 10 Nu dan, wat stelt gij God op de proef door een juk op de hals der discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij.
Dit is het bekende 'apostelen convent'. Een aantal gelovige joden wil de heidenen die gelovig zijn geworden, ook de besnijdenis opleggen (vers 5). Dat het om heidenen gaat, blijkt nadrukkelijk uit vers 7 waarin Petrus uitlegt dat (mede) door hem de broeders weten dat God het evangelie ook voor de heidenen bedoeld heeft. In vers 10 gaat Petrus verder en stelt dat er met de besnijdenis een last op de
discipelen gelegd wordt die de spreker en toehoorders zelf, noch de vaderen, hebben kunnen dragen. Die discipelen zijn zonder twijfel de heidenen waar petrus het een zin eerder over heeft. Ook hier zien we dat
heidenen toch echt discipelen genoemd worden.
Deze gegevens ontkrachten je beweringen:
'Dat geeft onmiddellijk al een beperking, want niet alle gelovigen, zeker niet gelovige heidenen, zijn discipelen' en eveneens zet het je bewering:
Maar het heeft altijd betrekking op leerlingen van Jezus, Johannes de Doper, de Farizeeën en Mozes' op losse schroeven. De eerder genoemde Nikolaüs is namelijk een H E I D E N en ook geen direkte leerling van Jezus of één van de anderen door jou genoemd, want hij kwam helemaal uit Antiochië. En de heidenen waar Petrus het in hand.15 over heeft worden ook duidelijk discipelen genoemd terwijl het geen directe volgelingen waren van Jezus, maar pas bekeerd zijn nadat Petrus op zendingsreizen ging (na de dood en opstanding van Jezus).
quote:
Dan Handelingen 26.28, waar koning Agripa tegen Paulus zegt:
’Gij wilt mij wel spoedig als christen laten o p t r e d e n’
Was Lucas ervan overtuigd, dat die heiden geen christen kon w o r d e n?
Een interessante rhetorische vraag, maar geen bewijs dat Paulus Agrippa niet als christen zag.
quote:
hand. 26
25 Maar Paulus zeide: Hoogedele Festus, ik spreek geen wartaal, maar nuchtere waarheid. 26 Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig, want ik kan niet geloven, dat hem iets van deze dingen onbekend is; dit is immers niet in een uithoek geschied. 27 Koning Agrippa, gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft! 28 Maar Agrippa zeide tot Paulus: Gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden! 29 En Paulus zeide: Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, ook zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien.
Het woord wat met 'optreden' vertaald is, heeft allerlei betekenissen die te maken hebben met iets worden
1. Het zegt niks over alleen 'optreden'. Overigens beantwoord Paulus de vraag van Agrippa
bevestigend! Hij zou wel willen dat iedereen werd zoals hij (met uitzondering van de boeien). Paulus was er dus kennelijk wel van overtuigd dat Agrippa christen kon worden.
quote:
Vervolgens 1 Petrus 4.16, waar Petrus schreef:’Indien hij echter als christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam’
Was deze brief aan heidenen gericht, dan zou de bewering, dat gelovigen heidenen nooit christenen genoemd worden, inderdaad onzin zijn, ofwel een vergissing. Maar zoals wij weten, was deze brief alleen gericht aan Joden!
Dit is niet relevant in het licht van het bovenstaande. In handelingen wordt 'discipel' gebruikt voor heidenen, en daarmee wordt in hand.11 ook 'christen' gebruikt voor zowel heidenen als joden.
2quote:
Rest ons nog Romeinen 16.4b. Ik denk, dat dit ook weer zo’n ‘verkapte’ mededeling is, waarin veel meer ligt besloten, dan over het algemeen verondersteld wordt, Nunc. Voor mij heeft zo’n mededeling een verstrekkende betekenis.
Piet, het is heel fijn voor jou dat jij uit rom.16 een boodschap met verstrekkende betekenis haalt, maar die 'boodschap' komt niet overeen met andere gedeelten van de bijbel, zoals ik hierboven heb laten zien.
quote:
Tot slot:
De bijbel ‘verdeelt’ de lezers van de bijbel in twee groepen, namelijk Joden en heidenen. Paulus vroeg in Romeinen 3.29:’Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen’ Het christendom maakte er echter drie groepen van, namelijk Joden, christenen en heidenen. Men spreekt zelfs wel van 'De God van Joden, christenen en heidenen' Hiermee 'plaatste het christendom zich ten onrechte buiten het heidendom!’
Denk hier eens heel goed over na, mensen. Vooral over wélke gevolgen dát heeft gehad.
Waarom is dit relevant?
3
1uit Strongs:
G1096
γίνομαι
ginomai
ghin'-om-ahee
A prolonged and middle form of a primary verb; to cause to be (“gen” -erate), that is, (reflexively) to become (come into being), used with great latitude (literally, figuratively, intensively, etc.): - arise be assembled, be (come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, be done, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought.
2 Als ik alle forumleden aanspreek met 'nederlanders' ontken ik niet dat er nog meer nederlanders zijn. Het feit dat Petrus een brief richt aan joden en die christen noemt, bewijst an sich niet eens dat anderen geen christen genoemd worden, dus is zelfs als het de enige plek was waar 'christen' gebruikt was, geen bewijs.
3 Dat christenen 'hokjes' gebruiken is kwalijk, maar de bijbel geeft zelf als onderscheid al de heidenen vs. de joden, en daarnaast het onderscheid gelovigen (christenen) vs. niet-christenen. Als christenen het over 'joden, christenen en heidenen' hebben dan begaan ze formeel gezien een categorie-fout, ze bedoelen namelijk niet 'joden', maar 'niet christelijke/messiasbelijdende joden' en met 'heidenen' bedoelen ze 'niet christelijke heidenen'. Christenen zijn er zowel uit de joden als de heidenen.