K. Schilder schreef in 1942:
quote:
Als de mystiek zegt: het geloof, de omgang met God, het contact tusschen God en de wereld moet on-middellijk zijn, dan is dit de grondfout der mystiek.
Pas ook op met het gevoel. Het gevoel is, zegt de mystiek, een vermogen tot kennis die onmiddellijk is. De mystiek vind je overal. Ook Boeddha b.v. heeft zijn mystici.
Waarom meent de mystiek, dat het leven met God nooit aan middelen hangen kan? Ter beantwoording van deze vraag moet op verschillende dingen worden gewezen:
Omdat meestal achter de mystiek ligt een wijsbegeerte à la Plato. Deze zegt, dat er twee werelden zijn, er is dus nog een wereld achter deze wereld die ik zien kan, en dat is de eigenlijke wereld; deze zichtbare is slechts een schijnwereld. Daarachter wonen de werkelijkheden, met een eeuwig bestaan, de ideeën; de ziel van de menschen was daar voor de geboorte, en komt tusschen geboorte en sterven een tijdje hier op aarde, en alles wat we hier zien zijn slechts gebrekkige afdrukken van de werkelijkheden boven. Hoe kan ik nu die andere wereld kennen, daarmede contact verkrijgen? Neem als beeld een foto of een standbeeld van een mensch. Als ge deze laat zien aan iemand die nooit een levend mensch gezien heeft, zou hij dan daardoor kunnen leeren wat een mensch is? Neen, op de foto |6| afgaande zou hij meenen, dat een mensch een heel dun ding was, in een papiertje gedrukt, onbewegelijk, met starre oogen enz. En van het standbeeld zou hij de gedachte krijgen, dat een mensch een groote kolos was, koud van steen of van staal, levenloos, geen kwaad en geen goed doende. Op deze wijze zou men dus nooit die menschen uit de afbeeldingen kennen, dit is slechts mogelijk als men éénmaal een mènsch heeft gezien, dan kun je een foto en een standbeeld begrijpen. Zoo is het nu ook met de twee werelden, zegt Plato. Eén keer, voor zijn geboorte, boven, heeft de mensch de echte werkelijkheden gezien in den ideeënhemel, daar is hij uit gebracht, toen hij in het lichaam geboren werd. Nu, in die tijdelijke schijnwereld, kan bij den mensch de herinnering boven komen aan die ideeënwereld. Al die „standbeelden” enz. te zien geeft hem niets, maar die plotselinge schok van de herinnering brengt het verband tot stand tusschen de wereld boven en de wereld beneden. Die opvlammende kennis, die schokmatige, acute, onmiddellijke herinnering is dus het echte.
Dit onmiddellijke, schokmatige kennen, dat we hier dus bij Plato vinden, is een mystiek leerbegrip.
In de middeleeuwen stond de wetenschap van vele kerkvaders sterk onder den invloed van Plato; zij leerden ook dat je de ware kennis niet kunt aankweeken door waarneming van de dingen hier beneden, die ware kennis krijg je alleen schokmatig, je moet vluchten uit deze wereld. De Bijbel, allerlei boeken, preeken enz. zijn geschikt voor de krukken, voor de armen van geest, maar wie God werkelijk ontmoeten wil, die moet daar van af, die moet dat papier enz. missen, het is nooit een a b c, hij moet de sprong wagen naar de eeuwigheid. Alleen zóó komt men tot kennis. Vergelijk het beeld van een parachutist, die van zijn vliegtuig af moet, om tot zijn ware actie te komen.
De mystiek zegt dus: het is nooit de kennis van dominees, schoolmeesters, ambtsdragers, heel die apparatuur; wat heb ik aan kerk, doop enz.; hij keert dat alles den rug toe. Neen, zeggen zij, de ingewijden kijken in de andere wereld, zij raken in vervoering, de mysticus kan zoo gaan liggen op een ijskoude vloer van een |7| kathedraal, zich zelf pijnigen enz., hij moet over zijn zenuwen heen raken en zoo trachten te komen in een andere wereld.
Verachting van het ambt enz. is een van de typische kenmerken van de mystiek. De ziel is steeds in de eenzaamheid, niet in de gemeenschap waar het ambt van spreekt.
Zoo komt men ook tot de verachting van het Woord. Het is altijd een menschelijk woord, en dat is altijd verkeerd. Het menschenwoord immers werkt altijd met begrippen van beneden. Hierbij denken wij weer aan hetgeen bij de bespreking van de theologie van Barth is uiteengezet aan de hand van de volgende teekening. A is de stelling, B de tegenstelling. B.v. goed — kwaad, God — Satan, waar — valsch enz.
De mystiek zegt nu: alles goed en wel, dat is alles jouw begrippen-wijsheid, wijsheid van schoolmeesters en dominees, begrippen van de menschelijke schijnwereld. Goddelijke en menschelijke begrippen zijn tegenstellingen, b.v. slecht is een tegenstelling van goed, zooals wij dat in onze begrippen zien. Maar in werkelijkheid is het zoo, dat niet A, noch B goed is, het is beide van deze wereld, de waarheid moet in het midden liggen, en dan ook niet in de lijn C, die in hetzelfde vlak ligt als A en B, maar daar bovenuit. C ligt in het vlak van aardsche, menschelijke begrippen. A en B hooren tot de menschelijke begrippenwereld, C evenzoo. Men moet afspringen van dit geheele vlak, dan kom je met een sprong in de waarheid aan, die in een geheel ander vlak, in een geheel andere wereld ligt. Aldus de mystiek.
(...)
Zoo moet de mystiek dus niets van de gemeenschap hebben, de ware wijsheid ligt niet in de gemeenschap, maar in den enkeling. Men hoopt eens een keer verwaardigd te worden contact met God te krijgen. Vergelijk de onder meer eenvoudige mystieke wel gehoorde uitdrukking: Och, mocht het nog eens een keer gebeuren . . . In dat „och, mocht het” ligt een wensch uitgedrukt, die ontkent, dat God het reeds gedaan hééft; in het „nog eens een keer” ligt de oogenbliksgedachte.
De mystici zijn altijd de stoute kinderen van de kerk geweest. Rudolf Otto (onlangs gestorven) heeft gezegd, en terecht, dat de mystieken van alle tijden en plaatsen en van alle godsdiensten op elkaar lijken als twee druppels water.
Alle aanvallen op de kerk beginnen steeds met de mystiek. Ook in dezen tijd. Men weet dat de mystici in de kerk (ten onrechte) vaak de favorieten zijn. Men ziet er iets bijzonder heiligs in, er is iets geheimzinnigs aan. En van belang is, dat de mystiek altijd de tegenstellingen wil wegdoezelen; noch Remonstrant, noch contra-Remonstrant, noch A, noch B, de mystiek moet het altijd zoeken in de leer, dat alle tegenstellingen zijn verzoend, bij God is dat immers ook zoo . . . Daarom haalt Rosenberg een streep door Genesis 1, waar een tegenstelling uitkomt tusschen God, den Schepper en het geschapene, tusschen God en mensch. Zoo gaat het overal. Oost en West zoeken vandaag elkaar en vinden elkaar in de mystiek. Goed en kwaad zijn geen tegenstellingen, leert men |9| vandaag.
De mystiek zit dus met de vraag: hoe moet ik toch tot God komen. Dat moet, antwoordt men, liggen in een bewuste poging om van deze wereld af te raken, en door een sprong met God contact te krijgen. De mystiek beschikt over geraffineerde middelen: verdooving, zelfkwelling. Op kennisgebied heeft men hierover een geheele techniek in cultuur gebracht. Men kwam tot drie stations op dezen weg, die de mensch moet passeeren:
1. men is nog in de wereld van vandaag, heeft nog zijn moraal, enz., met tegenstellingen;
2. men verliest alle tegenstellingen en gelooft niet meer aan de aangeleerde kennis;
3. men is ook dit te boven gekomen en waagt den sprong in het oneindige, om daar met God een te worden.
en dan kiezen Schilder - Archief - teksten - de Mystiek) verder lezen.
Dit heb ik hier neergezet om te laten zien dat Iris iets aansnijdt wat van alle tijden is en wat ons allen tot bezinning kan brengen. Ik denk niet dat Iris iemand is die aan het handje gehouden wil worden, daarvoor is dit stuk citaat ook niet bedoeld. Misschien wel om iets meer inhoud te geven aan bepaalde veel gebruikte termen.