Mijn visie op Job, overigens gesteund door wat ik er over heb gelezen:
Het boek is niet historisch, er is geen enkele aanwijzing dat het dat wel is. Het is eerder tot de wijsheids-boeken te rekenen denk ik. Eigenlijk is het een soort Socratische bespreking van de toendertijd geldende vergeldingsleer. Het lijden moet verklaard worden, in het licht van Gods goedheid. Job zelf vertegenwoordigt het verzet tegen het al te simpele beeld dat het oude joodse geloof kenmerkte, het idee dat goedheid beloond werd en slechtheid gestraft. De andere sprekers vertegenwoordigen oplossingen, waarbij het aardig is te zien hoe "de vrienden" ahw dicht bij de oude verklaringen blijven:
Elifaz vertegenwoordigt het standpunt dat je nog zo vaak hoort: "Kan een sterveling rechtvaardig zijn voor God?"(Job 4;17)
Bildad vertegenwoordigt het idee dat als je je maar tot God richt, je maar vroom bent, je gelooft, God je uiteindelijk wel goed terecht zal laten komen.
Sofar tenslotte staat voor de almachtige afstandelijkheid van God.
Job verzet zich tegen dit drietal, dat in drie personen eigenlijk drie onderdelen van één leer laat zien. Job doet dit niet door zich tegen God te verzetten, in tegendeel, hij erkent Gods grootheid en almacht, maar hij wijst er wel op dat hem gewoon geen verwijt treft.
In de tweede gespreksronde zie je een ander bekend argument terugkeren bij Elifaz: "je eigen woorden klagen je aan - niet ik" (Job 15;6), een bekend argument niet? "Natuurlijk oordeel ik je niet, dat doe je zelf al".
Na al de wisselingen van argumenten loopt het dispuut vast. Job stelt de zaak immers op scherp, volgens een gedachte die je niet onbekend kan voorkomen van atheïsten, een gedachte waarop christenen zo zelden een antwoord hebben, zoals ook de vrienden van Job dat niet hebben: als Job onschuldig is, dan moet God wel schuldig zijn.
Hoofdstuk 28 is een soort intermezzo dat in gaat op deze impasse. Immers, nu de menselijke inzichten zijn vastgelopen, is wijsheid nodig. Waar die te vinden? Dit hoofdstuk geeft aan waar niet, en uiteindelijk waar wel: bij God.
Dan komt de ommezwaai op gang: Job daagt God direct uit, en Elihu verschijnt. Hij vertegenwoordigt iets nieuws, hij is jonger dan de vrienden en heeft tot nu toe gezwegen (hfst 32). Hij veegt de vrienden met hun argumenten van tafel. De oude vergeldingsleer heeft afgedaan, ze deugt niet. Maar dat maakt niet dat Job gelijk heeft, en dus God schuldig is. Integendeel, God gebruikt het lijden, en loutert daarmee de mens. Het is als het ware een pedagogisch gebeuren, dat lijden. Hij benadrukt ook de grootheid van God, en de totale andersheid, die maakt dat de regels van een rechtsgeding niet van toepassing zijn. Het is onzinnig om te praten over òf Job heeft gelijk, òf God. Ja, en dan is het echt kassa, God zelf komt aan het woord, waarmee de beslissing in dit debat gaat vallen. God roept nu Job ter verantwoording, niet over diens zonden, maar over diens claim in zijn recht te staan tegenover God. Het betoog van God is de invulling van wat Elihu al heeft aangekondigt: Zijn grootheid is zo verpletterend, zo volledig, dat Job helemaal geen recht van spreken heeft. En dan valt de beslissing in dit theologisch debat. Job, die het debat begonnen is, trekt nu de conclusie waar het hele boek om draaide, waar alles naar toe wees: "Alleen van horen zeggen kende ik U, nu heb ik U gezien met eigen ogen. Alles herroep ik, over alles heb ik spijt, neergezeten in stof en as."
Job heeft, hoe je het ook draait, een bij uitstek mystieke ervaring gehad, maar het was niet de gezellige hippie-mystiek van LSD en wierookstokjes. Het was een totale, het bestaan van zijn ankers losrukkende ervaring. En in deze mystieke ervaring ligt het antwoord op het lijden besloten: er is helemaal geen menselijk antwoord. Het lijden van de mens is door Elihu nog naar menselijke termen vertaald, maar eenmaal in de mystieke ervaring met God zelf blijkt zelfs de menselijke uitleg van Elihu nog maar een al te menselijke weergave. Overigens, zo laat de epiloog zien, God verwerpt de oude uitleg, de drie vrienden, volstrekt, en keurt op zichzelf de Godsbeelden van Job die hem tot zijn vraag dreven, goed. Elihu noemt God helemaal niet meer (wat mij doet vermoeden dat Elihu God zelf is).
Wat is dus het schema van dit Socratische debat?
- Tegenover het lijden heeft de mens een verklaring nodig
- Die verklaring vindt de mens, menselijk redenerend, in een leer van rechtvaardiging:
- Ieder mens overkomt lijden, dus blijkbaar is geen enkele mens onschuldig voor God
- Vroomheid, geloof, is de weg voor de zondige mens
- God is totaal afstandelijk en onbereikbaar, maar wel een rechtvaardige rechter
- Dit beeld voldoet echter niet
- In een werkelijk zien van God, in de Godsontmoeting, ontdekt de mens de werkelijke grootheid van God waarin het lijden het menselijke overstijgt. Het lijden laat zich niet langer vangen in menselijke schema's, het is iets dat wel aanvaardbaar wordt voor wie Gods grootheid ten volle aanvaardt
Overigens, christelijk gezien, is het dan vervolgens wel goed om vast te stellen dat de laatste stap uit "Job" gezet wordt door Gods aanwezigheid in de geschiedenis, in Jezus Christus. We kunnen God zien, en in de meest intieme vorm denkbaar kennen in de Eucharistie. Het lijden kan voor een christen zo worden aanvaard, niet verklaard, door het te verbinden met het Kruis.