Over het "reukoffer" heb ik eigenlijk nog niet zo veel nagedacht. Ik ben dus eerst eens het één en ander erover gaan lezen. De Katholieke visie zag ik niet zo gauw in de gegeven link. En of ik “de protestantse visie” geef weet ik niet. Ik probeer een bijbelse visie te geven.
Allereerst heb ik Maleachi 1 gelezen om de tekst in zijn context te zien.
Het hoofdstuk begint ermee met te zeggen dat God Israël zo liefheeft. Maar het volk ervaart dat niet. Het vraagt: “waaraan kunnen we dat dan merken?”.
Dan zegt God dat men in de wereld liefde bewijst aan zijn aardse vader en dat een knecht zijn werkgever hoog acht. Maar waaraan kan ik merken dat jullie mij liefhebben?
De “gelovigen” brengen offers, dat wel. Ze voldoen toch netjes aan de voorschriften? Nou dan. God kan daar niets van zeggen.
Maar uit het brengen van die offers blijkt dat het de mensen alleen om zichzelf gaat. Ze zoeken niet het allermooiste, het beste om de Here te offeren. Als er wrak vee is kan dat wel als offer dienen, dan voelen ze dat tenminste niet in hun portemonnee en ze hebben toch mooi aan hun plicht voldaan. Maar is dat liefde tot God?
Maar God heeft een ander beeld voor ogen. Dat blijkt uit vers 11.
Zijn naam zal verheerlijkt worden vanwaar de zon opgaat tot waar de zon ondergaat. Onder alle volken.
Die verheerlijking wordt uitgebeeld in een spijsoffer, wat ook een reukoffer is. In Lev. 6 wordt aangegeven waaruit dat offer bestaat: fijn meel of ongezuurd brood. Hierin wordt de zondeloze menselijke openbaring van God uitgebeeld in Jezus zijn Zoon. Het moest met olie overgoten worden, waarin de Heilige Geest wordt uitgebeeld. De wierook vormde de aanbidding, de verheerlijking.
Al deze elementen ontbraken aan de offerdienst.
Voor ons bevat het natuurlijk ook een les. Zijn onze gebeden reukwerk van aanbidding en verheerlijking? Of zijn we in ons gebed alleen met onze eigen noden bezig en vergeten er onze dank en liefde uit te spreken?
Ik las eens een voorbeeld van een kind dat uit school komt en meteen zegt: “Mama mag ik een koekje?” Dan zegt mama: “mag ik eerst eens een dikke knuffel?”
God heeft in vers 11 een ander beeld voor ogen. In het jaar 70 na Chr. Is de tempel verwoest. Er is geen “Heilige” meer met het reukofferaltaar. Maar er is nu een geestelijke tempel:
quote:
4 Voeg u bij hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, 5 en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn. 6 In de Schrift staat immers: ‘In Sion leg ik een hoeksteen die ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’ 7 Kostbaar is hij voor u, die erop vertrouwen. Voor wie er niet op vertrouwen, geldt echter: ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.’ 8 En: ‘Het is een steen waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.’ Zij struikelen omdat ze Gods woord niet gehoorzamen, daartoe zijn ze bestemd. 9 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. 10 Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken.
We mogen nu als priesters het wierook van aanbidding in de geestelijke tempel brengen.
quote:
psalm 142:2:
2 Laat mijn gebed voor u zijn als reukwerk,
mijn geheven handen als een avondoffer.
Openbaring 8 vs 3 en 4:
3 Toen kwam er een andere engel, die met een gouden wierookschaal bij het altaar ging staan. Hij kreeg een grote hoeveelheid wierook om die op het gouden altaar voor de troon te offeren, samen met de gebeden van alle heiligen.
4 De rook van de wierook steeg met de gebeden van de heiligen uit de hand van de engel op naar God.