Door het doopsel heeft de christen deel aan de genade van Christus. Als 'aangenomen zoon' kun je dan voortaan God 'vader' noemen in eenheid met de enige Zoon. Bij de doop ontvang je het leven van de Geest die je de liefde ingeeft en de kerk opbouwt.
Wil dat echter zeggen dat je als kind van God zeker bent van je redding? Mijn inziens zeer zeker niet.
Ik zal de lezingen van afgelopen weken hier plaatsen om dat inzichtelijk te maken. Achtergrondinformatie is dat de katholieke kerk het belangrijkste van de Bijbel verdeeld heeft over 3 jaar, een zogeheten A, B en C jaar. Als je elke zondag gedurende drie jaar achtereen naar de kerk bent geweest dan heb je dus alle belangrijke bijbelteksten wel gehoord, inclusief de uitleg/verdieping. Het A jaar loopt bijna ten einde, en een jaar lang hebben we het evangelie volgens Mattheus behandeld. En toevallig sluiten de schriftlezingen van rond deze tijd prima aan bij dit thema. Voor het gemak zal ik enkel de evangelielezingen plaatsen.
Zondag 16 november:
evangelielezing: Mt. 25, 14 - 30
Het is als met iemand die naar het buitenland ging. Hij riep zijn slaven bij zich en vertrouwde hun zijn bezit toe. Aan de een gaf hij vijf talenten, aan een ander twee en aan een derde één, overeenkomstig ieders bekwaamheid. En hij vertrok naar het buitenland. Degene die de vijf talenten gekregen had, ging er meteen mee handelen en verdiende er nog vijf bij. Zo verdiende ook die er twee gekregen had er nog twee bij. Maar die er één gekregen had, ging een gat in de grond graven en stopte daar het geld van zijn heer in. Na lange tijd kwam de heer van die slaven terug en hield afrekening met hen. Degene die de vijf talenten gekregen had, kwam naar voren met nog vijf talenten en zei: “Vijf talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog vijf talenten bij verdiend.” Zijn heer zei tegen hem: “Uitstekend, goede en trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer.” Ook degene die de twee talenten gekregen had, kwam naar voren en zei: “Twee talenten, heer, had u me toevertrouwd. Kijk, ik heb er nog twee bijverdiend.” Zijn heer zei tegen hem: “Uitstekend, goede en trouwe slaaf, in het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Kom delen in de vreugde van je heer.” Ook degene die het ene talent had gekregen, kwam naar voren en zei: “Heer, ik heb u leren kennen als een streng man; u oogst waar u niet hebt gezaaid en u haalt binnen waar u niet hebt uitgestrooid. Uit angst heb ik uw talent in de grond gestopt. Kijk, hier hebt u uw eigendom terug.” Maar zijn heer antwoordde hem: “Slechte, lamlendige slaaf, je wist dat ik oogst waar ik niet heb gezaaid en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid. Je had dus mijn geld op de bank moeten zetten. Dan had ik het bij mijn komst met rente teruggekregen. Neem hem daarom het talent af en geef het aan hem die de tien talenten heeft. Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden en wel overvloedig. Maar aan degene die niet heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft. Werp die nutteloze slaaf in de uiterste duisternis.” Het zal daar een gejammer zijn en een tandengeknars.
De uitleg die mijn pastor (Boerkamp) er over gaf:
WAT HEB JE MET JE TALENTEN GEDAAN?
De laatste woorden van een mens
Heeft Hij nog iets gezegd voor Hij heenging en stierf? Voor nabestaanden zijn dat vaak kostbare en belangrijke woorden. Jezus heeft voor zijn vertrek nog een belangrijke gelijkenis verteld. Het is de gelijkenis van de talenten, die je goed moet gebruiken. Het gaat over een Heer die naar het buitenland gaat. Nog net voor zijn vertrek vertrouwt Hij zijn bezit toe aan ieder naar zijn eigen bekwaamheid en gaat Hij weg. Respectievelijk het loon van vijf dagen, drie dagen en een dag. Hij hoopt dat ieder zorg draagt voor het weinige wat hem is toevertrouwd en je moet je talenten niet in de grond verbergen zoals die derde man doet.
Wat doe je met je talenten die je geven zijn?
Waarom zou je talenten in veiligheid brengen door ze te begraven? Ben je misschien verlamd door je boosheid, omdat anderen soms veel meer talenten hebben dan jij zelf? Ben je bang dat je dat ene talent zult verspelen als je het gebruikt en dat je daarvoor achteraf zult worden gestraft? Of is het gewoon gebrek aan vertrouwen in jezelf en in je talent? Maar eens komt Jezus terug en dan gaan de boeken open. Op het uur van afrekenen worden wij uiteindelijk enkel beoordeeld op de liefde, zegt Johannes van het Kruis God zal de zwarte bladzijden van ons leven zo gauw mogelijk overslaan en zo lang mogelijk lezen in de goede pagina's, zegt de Grote Nieuwe Wereldcatechismus. Je moet gewoon vertrouwen hebben en je niet vergelijken met anderen (=tegen 10e gebod) en niet kwaad worden. God is geen hardvochtige Heer die slechts belust is op eigen belang. Het is geen Heer die je zal straffen als je het fout doet; en die alles inpikt als je het goed doet. Durf toch vrij te leven en durf het leven aan en doe iets met je ene talent en speel niet op zeker. Wie niet waagt die niet wint, ja je kun het wel en stop je ene talent toch vooral niet onder de grond. Eigenlijk begraaf je daarmee alleen maar jezelf, levend en wel. Je wilt niets verliezen en daarmee verlies je alles. Zo moet het leven niet geleefd worden. Je bent namelijk voor het licht bestemd of wil je soms in het eeuwige duister eindigen? Dan moet je vooral zo door gaan! Eigenlijk pleit Jezus hier voor een waakzaam en werkzaam leven De liefde van God en de schatten van Jezus, je kunt ze begraven en er dus niets mee doen. Dan leef je arm en dan eindig je ook arm. Je kunt er ook mee werken en dan stapelen de zegeningen zich op en vloeit je beker over.
Maaien waar niet werd gezaaid
Maar geloof en vertrouwen kun je daar zelf wel iets voor doen? Dat kan je toch alleen maar overkomen? Zijn die talenten alleen iets van mijzelf of worden mij die talenten juist gaandeweg van Godswege geschonken? U hoort het antwoord al: als ik zelf niet lui, laf , besluiteloos en bang ben, maar juist in beweging kom en als ik mijzelf engageer met God en de naaste, dan krijg ik talenten en dan ontwikkel ik op dat moment talenten, die ik zelf niet voor mogelijk had gehouden. Kortom, als ik in hoop en vertrouwen het risico aandurf, dan oogst ik dus wat ik zelf niet heb gezaaid ofwel hier heeft een groot wonder plaats gevonden.
Jezus maakt in een gelijkenis dat wonder duidelijk:
Als de Heer Jezus Christus na zijn dood weg is naar het huis van de Vader, dan doen de apostelen in zijn naam grote dingen, die ze zelf niet voor mogelijk hadden gehouden. Als de man zich binnenshuis niet te veel met alles bemoeit, dan kan de vrouw zowel binnenshuis als ook buitenshuis uitgroeien tot een sterke vrouw en een degelijke huisvrouw. Dan kan ze als een zelfstandige zakenvrouw zelf optreden en zelf beslissingen nemen. Dan kan ze levenswijsheid meegeven en onderricht geven aan de kinderen. Dan ontwikkelt zij zich als de spil in het huis om wie alles draait. Dan wordt zij een machtige en verstandige vrouw. Dat is het talent en de lof van de werkzame vrouw (Spreuken 31, 10 e.v.) Dan zie je ook pas dat zij niet zo zeer de vrouw is van, maar dan is haar man de echtgenoot van een aanzienlijke vrouw. Zijn vrouw is dan als een vruchtbare wingerd, die bloeit in het hart van je huis en kinderen staan rondom de tafel als takken van de olijf, zo zegt die mooie psalm 128 vandaag.
Oogsten waar niet werd gezaaid
Heb vandaag maar vertrouwen in gelijkenis van Jezus en in wat Jezus ons vandaag met dit verhaal wil laten zien. Je krijgt dingen te zien die je niet voor mogelijk had gehouden. Je oogst wat je niet hebt gezaaid, zoals b.v. de barmhartigheid van Jezus. Dat is de tegelijk het verschil tussen de eerste twee knechten en de derde. Wees dus wakker, waakzaam, nuchter en gedraag je als mensen van het licht en de dag, zegt Paulus in de tweede lezing. (Tess.5,1-6). Zorg dat de dingen jou niet inhalen en overkomen als een dief in de nacht en als barensweeën een zwangere vrouw. Natuurlijk, uit mezelf ben ik niets en ik heb alles gekregen van God, maar, er moet wel degelijk ook iets van zelf uit gaan. Pas dan kun je oogsten waar je niet hebt gezaaid.
Amen.Afgelopen zondag (23 november) tijdens het hoogfeest "Christus Koning van het Heelal", de laatste zondag van het liturgische jaar:
Mattheus 25, 31-46
Wanneer de Mensenzoon komt, bekleed met zijn heerlijkheid en rondom Hem alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op de troon van zijn heerlijkheid. Alle volkeren zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal Hij aan zijn rechterhand opstellen, de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan zeggen: “Kom, gezegenden van mijn Vader, neem het koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor jullie klaar ligt. Want Ik had honger en jullie hebben Me te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me opgenomen. Ik was naakt en jullie hebben Me gekleed, Ik was ziek en jullie hebben naar Me omgezien, Ik zat in de gevangenis en jullie kwamen naar Me toe.” Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben we U als vreemdeling gezien en U opgenomen, of naakt en hebben we U gekleed? Wanneer hebben we U ziek of in de gevangenis gezien en zijn we naar U toe gekomen?” De koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.” Dan zal Hij zich ook richten tot hen die aan zijn linkerhand staan en tegen hen zal Hij zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien.” Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben we U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis en hebben we U niet geholpen?” Dan zal Hij hun antwoorden: “Ik verzeker jullie, alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan.” Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’
De tekst die de pastoor (van der Vegt) na de evangelie lezing vertelde klinkt als volgt:
Beste vrienden in Christus
Liefde die zich uit in daden van solidariteit; dat is de uiteindelijke grond voor het binnengaan in het koninkrijk van de Vader. Zes soorten van liefdeswerk worden vandaag aan ons voorgehouden:
Hongerigen eten geven
dorstigen te drinken
vreemdelingen opnemen
de naakten kleden
zieken bezoeken en
gevangenen bezoeken. In het oude testament wordt daar in het boek Tobit nog aantoegevoegd:
de doden begraven.
Dit zijn dan de 7 werken van barmhartigheid. Zij kunnen alleen op een zinvolle manier gedaan worden uit liefde, dat wil zeggen: zonder bijbedoeling of gedachte aan eigen voordeel. Wij verdienen daar de hemel niet mee, laat dat duidelijk zijn. De Hemel is voor ons door Jezus Christus verdiend, door zijn lijden, kruisdood en verrijzenis.
Uit het evangelie wordt vandaag duidelijk dat de mens die zich uit liefde instelt en zo in deze wereld staat, zich vaak helemaal niet bewust is van "iets bijzonders gedaan te hebben" De mens die uit liefde handelt, stelt zich al in, heeft al een antenne voor alles wat zich afspeelt rond om hem heen. Deze mens identificeert zich al met allen die bewust of onbewust een beroep op hem doen. Wie vandaag de lezing goed leest , ziet dat het woord Broeder in het centrum staat. Broeder is elke medemens, vrouw, man, jong, oud, ziek, gezond; de medemens, die ik ontmoet en waardoor ik geraakt wordt. Waar zit nu het koninklijke van dit alles? Wie liefde heeft en dat wil uiten in daden van solidariteit gaat opzoek naar de binnenkant van de mens en stuit dan op de waardigheid van iedere mens.
Die waardigheid is het beeld van God dat Hij gelegd heeft in ieder van ons, al voordat wij geboren zijn. Dat is de kracht van het christelijk geloof. Zij gaat uit van Schepping: God is aan het werk en Hij geeft antwoord op het WAAROM van leven. Het begin van de wereld en de kosmos, zoals beschreven in de Bijbel, heeft niets te maken met HOE de wereld tot stand kwam. De Bijbelse Schepping (met een hoofdletter) is het WAAROM ervan. Het geloof peilt niet naar het begin van de wereld, maar naar de zin ervan. Van belang is niet zozeer of God de wereld heeft geschapen, WEL waarom Hij die wereld heeft aanvaard als zijn wereld. Het scheppingsverhaal is dus een verlossingsverhaal en de scheppingsleer een geestelijke evolutieleer: dat God zag dat het goed was, is een oproep tot verdere groei en evolutie. Ruimte en tijd ontstonden bij de eerste materie, de oerknal, en dijen verder uit. Buiten de grenzen van ruimte en tijd deint de eeuwigheid. In die eeuwigheid staan wij als mens. Van levensbelang is daarom om ons beeld van God zijn goed voor ogen te hebben en ook het besef dat de ander- de naaste- datzelfde beeld in zich draagt. Wij kunnen zelf zeggen: In de mate dat je het beeld van God vindt in de ander die je ontmoet en waardoor je aangeraakt wordt, ontmoet je ook je eigen beeld van God zijn.
De spreker van het evangelie, Jezus Christus, Zoon van de levende God, doet hetzelfde. In de mate dat Hij de mens aanraakt en in de ogen kijkt, wordt voor die mens steeds meer duidelijker wie Jezus is en wie Hijzelf is.
Jezus gaat zelfs een stap verder, een hele beslissende stap. In zijn handelen verwijst Hij niet naar zichzelf, maar altijd naar de Vader in de hemel. Daar zetelt de barmhartigheid. Daar is de troon van het leven.
Mensen die omgaan met verstandelijk gehandicapten spreken wel eens van een bijzondere ervaring. Je werkt met hen, spreekt met hen, kijkt hen recht in de ogen aan. Zij doen het zelfde met jou. Zij leven, wij leven, zij voelen en wij. Zij mogen hun eigen gezicht laten zien. (beeld van God) Het heeft iets koninklijks, naar elkaar toe. Een heel bijzonder gevoel. Daarom: als ik moest kiezen tussen kijken op t.v. naar een optreden van de jostiband, of de melodies uit raalte, (ze raken een gevoelige snaar) en het hele soap gebeuren, wist ik het wel. De jostiband of de melodies. Maar dat was U al wel duidelijk.
Amen.Je kunt je afvragen of je plaatsje in de hemel zeker is, daar kun je verschillende antwoorden op geven met verschillende verwijzingen.
Ja ik ben al reeds gered:
Romeinen 8
24 In deze hoop zijn wij gered. Maar men spreekt niet van hopen, als men het voorwerp van zijn hoop al ziet: wie kijkt nog uit naar wat hij al ziet?
Efeziërs 2
5 ons die dood waren door onze overtredingen, met Christus ten leven gewekt. Aan zijn genade dankt u uw redding. 6 Hij heeft ons samen met Hem laten opstaan en laten zetelen in de hemelse regionen, in Christus Jezus, 7 om in de toekomstige eeuwen de overgrote rijkdom van zijn genade te tonen, door zijn goedheid jegens ons in Christus Jezus.
8 Inderdaad, aan die genade dankt u uw redding door het geloof; en dat dankt u niet aan uzelf. Gods gave is het;
Ter overweging:
Maar ik wordt gered:
1 Korintiërs 1
8 Hij zal u laten standhouden tot het einde, zodat u geen verwijt kan treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus.
2 Korintiërs 2
15 Ja, voor God zijn wij een reukoffer van Christus, zowel onder hen die gered worden als onder hen die verloren gaan,
Filippenzen 2
12 Daarom, geliefden, omdat u altijd naar mij geluisterd hebt, niet alleen in mijn aanwezigheid maar nog veel meer nu ik afwezig ben: bewerk uw redding met eerbied en ontzag.
En ik heb ook zeker de hoop dat ik gered wordt:
Romeinen 5
9 Des te zekerder is het dat wij, eenmaal gerechtvaardigd door zijn bloed, dankzij Hem gered worden van de toorn. 10 Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder is het dat wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven.
1 Korintiërs 3
12 Of men nu op deze grondslag verder gaat met goud, zilver, kostbare stenen, of met hout, hooi en stro, 13 ieders werk zal aan het licht komen. De oordeelsdag zal het aantonen, want die verschijnt met vuur, en het vuur zal uitwijzen wat ieders werk waard is. 14 Houdt het bouwwerk dat iemand optrok stand, dan zal hij loon ontvangen. 15 Verbrandt het, dan zal hij schade lijden; hijzelf zal gered worden, maar, om het zo te zeggen, door het vuur heen.
Als de apostel Paulus ben ik aan het werken voor mijn verlossing:
Filippenzen 2
12 Daarom, geliefden, omdat u altijd naar mij geluisterd hebt, niet alleen in mijn aanwezigheid maar nog veel meer nu ik afwezig ben: bewerk uw redding met eerbied en ontzag.
Met hoopvol vertrouwen in Christus:
Romeinen 5
2 Hij is het die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid van God.
2 Timoteüs 2
11 Dit woord is betrouwbaar: Want als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij met Hem leven. 12 Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons verloochenen. 13 Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw: zichzelf verloochenen kan Hij niet.
Dat toont wel weer is aan dat de Bijbel allerminst een makkelijk of eenduidig boek is, en voor mij toont het aan dat het niet zwart of wit is. Als kind van God kan ik er niet zonder meer vanuit gaan dat mijn plaatsje in de hemel gereserveerd is. Daar heb ik verder geen moeite mee oid, ik ben ook niet bang voor de hel of het vagevuur. Gods oordeel zal rechtvaardig zijn, en mocht ik door noodlottig toeval (wat dan aan mijzelf zal liggen) aan de linkerhand bij de bokken ingedeeld worden, dan heb ik het daar maar mee te doen. Tot die tijd zal ik mijn leven zo goed mogelijk proberen te leven in Christus proberen te zien in de ander.