Om nog maar eens op het verschil tussen een letterlijke betekenis en overdrachtelijke betekenis van "brood en wijn" terug te komen; en in dit geval van "het eten van het levende brood dat uit de hemel is neergedaald":
Twee voorbeelden vanuit de Alexandrijnse exegese (Origenes) waarbij "het brood eten dat leven geeft en uit de hemel is neergedaald" (Joh 6:51) overdrachtelijk wordt uitgelegd.
Origenes, Peri Archon (De Basis, Damon 2009)
Boek I 1.9 Nu kan iemand ons de passage voorleggen waar staat geschreven: "Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien". Ik denk dar dit mijn opvatting juist nog meer ondersteunt. Want "God zien in je hart" is toch niets anders dan wat ik zojuist zei, "Hem met je verstand begrijpen en kennen"? Vaak worden namelijk de benamingen van zintuigen toegepast op de ziel. Men zegt dan dat zij ziet "met de ogen van het hart", dat wil zeggen: zij krijgt met de kracht van het kennen inzicht in iets geestelijks. Zo wordt ook gezegd dat zij hoort met de oren, wanneer er een dieper begrip van iets tot haar doordringt. We kunnen op dezelfde manier ook zeggen dat zij de tanden gebruikt, wanneer zij het brood eet dat leven geeft en uit de hemel neerdaalt. Zo kun je ook zeggen dat de ziel gebruik maakt van de andere lichaamsfuncties; de benamingen van het lichamelijke worden overdrachtelijk toegepast op de krachten van de ziel, zoals Salomo zegt: "je zult goddelijk inzicht verwerven". Want hij wist dat er twee manieren zijn om inzicht te krijgen: een sterfelijke, vergankelijke, menselijke manier, en een onsterfelijke, geestelijke manier, die hij hier "goddelijk" noemde. Met dit goddelijke vermogen om inzicht te krijgen, dat niet eigen is aan de ogen, maar aan "het zuivere hart" (dat wil zeggen: het verstand), kan God gezien worden door hen die dit waard zijn. "Hart" tref je overal in het Oude en Nieuwe Testament vaak aan als aanduiding voor "verstand", dat wil zeggen: de kracht van het denken.
Origen, Homilies on Leviticus (FOTC vol. 83)
Homilie 16 5(4)
Over: "Gij zult uw brood eten tot verzadiging", Lev. 26:5
"And you will eat your bread in abundance." I do not take that to be a physical blessing, as if he who keeps the Law of God obtains this common bread in abundance. Why? Do not the impious and wicked eat bread not only in abundance but even in delights? Therefore, if we turn our attention more to him who said, "I am the living bread which descended from heaven, and whoever should eat this bread will live forever," and if we consider that he who said this was "the Word" by which souls are nourished, then we understand about which bread it was said in the blessings from God, "And you will eat your bread in abundance." In Proverbs, Solomon also proclaims similar things about the just person when he says, "When the just person eats, he will fill his soul; but the souls of the impious will be in extreme poverty." If you take it according to the literal sense that, "when the just person eats, he will fill his soul but the souls of the impious will be in poverty," it will appear false. For the souls of the impious take food with eagerness and strive after "satiety"; but the just meanwhile are hungry...
...But if you consider how "the just person" always and "without interruption" eats from "the living bread" and fills his soul and satisfies it with heavenly food which is the Word of God and his Wisdom, you will find how the just person "eats his bread in abundance" from the blessing of God.
Beste Ignatius. Klinkt er in onze discussie niet de oude controverse tussen Alexandrië en Antiochië door, en zou er in de Kerk niet ruimte moeten zijn voor beide scholen (is die er niet al gewoon)??!! En probeert Augustinus in zijn uitleg van Johannes 6 niet (terecht) het beste van beide scholen te verenigen?