ik had gezegd dat ik in de Apocalyps van Abraham wat interessants en relevants had gevonden, dus bij deze....
quote:
Esther.bat.Mordechai schreef op 01 januari 2010 om 18:58:Nunc,
Jaho'el neemt in de
Apocalyps van Avraham 11:1-4 de plaats van God in:
waar in Dani'el 7:9, 10:5-6 en Ezechi'el 1:26-28 God de Persoon in kwesie is, daar neemt in de Apocalyps van Avraham 11:1-4 Jaho'el Zijn plaats in (zoals volgens het NT Jezus God's plaats inneemt in T'NaCh teksten). Ook, in 10:3-4, wordt Avraham gezegend en kracht gegeven door God's naam: Jaho'el.
Jaho'el betekent "J.H.W.H en God." En Jaho'el beschrijft zichzelf eveneens als drager van God's naam. Met andere woorden: Jaho'el wordt synoniem gemaakt met God, met Zijn naam en beschreven als drager van Zijn naam.
De relevante passages uit de Ap-van-A zijn (uit de engelse vertaling van G.H. Box vanuit het slavisch):
X. And it came to pass, when I heard the voice of Him who spake such words to me, (and)1 I looked hither and thither and lo! there was no breath of a man,2 3and my spirit was affrighted, and my soul fled from me, and I became like a stone, and fell down upon the earth, for3 I had no more strength to stand on the earth.4 5And while I was still lying with my face upon the earth,5 I heard the voice of the Holy One speaking: “Go, Jaoel,6 and by means of my ineffable Name raise me yonder man, and strengthen him (so that he recover) from his trembling.” And the angel came, whom He had sent to me, in the likeness of a man, and7 grasped me by my right hand, and set me up upon my feet, and said to me:8 “9Stand up,9 [Abraham,]10 Friend of God who loveth thee; let not11 the trembling of man seize thee! For, lo! I have been sent to thee to strengthen thee and bless thee in the name of God—who loveth thee—the Creator of the celestial and terrestrial. Be fearless and hasten to Him. I am called Jaoel 12 by Him who moveth that which existeth with me on the seventh13 expanse upon14 the firmament,15 a power in virtue of the ineffable Name that is dwelling in me.16 I am the one who hath been given to restrain (...)
XI. And I rose up and saw him who had grasped me by my right hand and set me up upon my feet: and the appearance of his body5 was like sapphire, and the look of his countenance like chrysolite, and the hair of his head like snow, and the turban upon his head6 like the appearance of the rainbow, and the clothing of his garments like purple; and a golden sceptre was in his right hand. 7 And he said to me: “Abraham!” And I said: “Here am I, thy servant.” And he said: “Let not my look affright thee, nor my speech, that thy soul be not perturbed).8 Come with me and I will go with thee, until the sacrifice, visible, but after the sacrifice,9 invisible for ever. Be of good cheer, and come!” (..) (uit hoofdstuk 10-11, nummers zijn voetnoten uit de PDF, geen 'versnummers').
Het is inderdaad zo, dat Jaho'el verschijnt in een visuele vorm die doet denken aan Daniel 10:
4 Op de vierentwintigste dag van de eerste maand, toen ik mij aan de oever van de grote rivier de Tigris bevond, 5 sloeg ik mijn ogen op en zag een man, gekleed in linnen, met om zijn lendenen een gordel gemaakt van goud uit Ufaz. 6 Zijn lichaam was als turkoois, zijn gezicht leek een bliksem en zijn ogen waren als fakkels van vuur. Zijn armen en voeten glansden als gepolijst koper en zijn stemgeluid leek door een mensenmenigte te worden voortgebracht. 7 Alleen ik, Daniël, zag de verschijning. De mannen in mijn gezelschap zagen de verschijning niet, maar werden wel bevangen door een grote angst, zodat zij wegvluchtten en zich verborgen 8 en ik alleen overbleef. Toen ik die indrukwekkende verschijning zag, verloor ik al mijn kracht; ik werd lijkbleek en was niet in staat nog iets te doen. 9 Ik hoorde zijn stem, maar zodra ik die hoorde verloor ik het bewustzijn en viel voorover op de grond. 10 Toen raakte een hand mij aan en deed me al bevend op handen en knieën steunen. 11 Hij zei tegen me: ‘Daniël, geliefde man, luister naar de woorden die ik tot je spreek en sta op, want ik ben naar je toe gestuurd.’ Nadat hij dit gezegd had, stond ik bevend op.maar daar is niet sprake van JHWH die aan Daniel verschijnt, maar van een niet nader geidentificeerde verschijning. We weten alleen dat hij naar Daniel toe gestuurd is, en dat hij eruit ziet als een 'man'. Een zelfde soort onderscheid zie je bij Jaho'el, die ook meermalen duidelijk maakt dat hij gestuurd is door God. De tekst maakt ook meermalen duidelijk dat hij een engel is.
Dit sluit op zich niet uit dat Daniel hier op e.o.a. manier God te zien kreeg. Denk ook aan Abraham die God 'op bezoek' krijgt of aan de wolk en vuurkolom in de woestijn. Verder heeft Jezus in Openbaring 1 een gestalte die ook veel weg heeft van deze man. Maar de tekst dwingt het zeker niet af, en als God in Daniel 10 aan Daniel verscheen, dan was dat in een nogal onherkenbare vorm, als 'man' die gestuurd was door God.
In Daniel 7 is sprake van de 'oude van dagen' (God).
9 Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. 10 Een rivier van vuur welde op en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend. (Dan.7)
De Daniel-7 verschijning lijkt echter niet op die van Jaho'el. In Dan.7 is een troon aanwezig, er is vuur en oordeel, en een hele massa/hofhouding die 'hem' dient.
Ook in Ezechiel 1 zien we een visioen dat meer wegheeft van Daniel 7, dan van de verschijning van Jaho'el in de Ap-van-A
26 En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. 27 Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. 28 Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit.
Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de HEER, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grondDus de constatering dat Jaho'el synoniem gemaakt met God, is op basis van de
verschijning m.i. erg vergezocht. Wel wordt Jaho'el omkleed met heel veel schoonheid en luister, met symbolen van wijsheid en macht. Dit is dan ook niet een voorbeeld zoals ik bedoelde met Jezus die in oudtestamentische teksten de plek van JHWH inneemt.
Ook de stelling dat Jaho'el Gods naam draagt, lijkt me niet echt verdedigbaar (op basis van de vertaling die ik gezien heb)
I heard the voice of the Holy One speaking: “Go, Jaoel,6 and by means of my ineffable Name raise me yonder man, and strengthen him (so that he recover) from his trembling.” And the angel came, whom He had sent to me, in the likeness of a man, and7 grasped me by my right hand, and set me up upon my feet, and said to me:8 “9Stand up,9 [Abraham,]10 Friend of God who loveth thee; let not11 the trembling of man seize thee! For, lo! I have been sent to thee to strengthen thee and bless thee in the name of God—who loveth thee—the Creator of the celestial and terrestrial. (uit hoofdstuk 10)
Wat ik lees, is dat God de opdracht geeft om 'by means of', dus 'door middel van' de onuitspreekbare naam Abraham te helpen, en dat dat Jaho'el zelf zegt dat hij Abraham is komen versterken en zegen in de naam van God.
Ook het gebruik van de naam is verre van doorslaggevend. Jaho'el krijgt of draagt die naam niet, hij mag door middel van Gods naam Abraham helpen. Ook hier kan ik met de beste wil van de wereld niet zien dat Jaho'el hier synoniem wordt gemaakt met God.
quote:
Wat betreft het Woord van God: in de T'NaCh zelf rent het Woord van God als een persoon (Psalm 147:15), vetrekt vanuit God en keert terug naar God als vervuller van God's wil. Dan is het niet verwonderlijk als in de Joodse Targoemiem (Joodse religieuze Geschriften) God's bevel en Zijn handelingen worden weergegeven als uitgevoerd door Zijn Woord ("memra" is Aramees voor "woord" en komt van het werkwoord "amar", wat "spreken" betekent). Het memra was God's woord, maar werd ook beschreven als God zelf; het memra was een instrument in de schepping, maar het memra werd ook beschreven als een individu; het memra was er voor de schepping, vanaf het begin tot aan het laatste. Johannes volgde een Joods model.
heb je de teksten waarin de Memra beschreven wordt 'als God zelf'? het lijkt me instructief om die te bestuderen.
Nu een algemene opmerking over 'synoniem aan God'. De bron die jij gebruikt, lijkt zeer lage eisen te stellen aan 'synoniem'. Het lijkt mij, dat deze definitie van 'synoniem' of 'gelijk aan God' dusdanig ruim is, dat ze simpelweg niet ontkracht kan worden. Zelfs al zou er expliciet sprake zijn van een tweede God, dan nog zou die volgens deze ruime definitie boodschapper of personificatie of wat dan ook kunnen zijn van God. Ik zie niet echt in, hoe je uberhaupt zo'n ruime notie zou kunnen weerleggen. Ze is zo ruim, dat in principe alles eronder lijkt te kunnen vallen.
Verder, het lijkt mij dat er een sterk onderscheid is tussen dingen die God doet, maar die eventueel ook in Zijn opdracht door anderen gedaan kunnen worden, en dingen die God is. Wat je 'bent', kun je niet overdragen. Entiteit X kan wel namens God iets doen, en als vertegenwoordiger van God of rechter namens God wellicht zelfs een verheven status krijgen, maar dat maakt je niet God. Maar als entiteit X iets
is dat uniek is voor God, dan lijkt mij dat een totaal andere situatie. Een mens kan bijvoorbeeld niet 'de Eerste en de Laatste' zijn, zoals in Jesaja beschreven. Dat is nu juist hoe God zichzelf omschrijft,
in contrast met mensen die dat niet zijn.