quote:
Piebe schreef op 13 juli 2010 om 13:22:Als sommige menselijke eigenschappen God vreemd zijn, hoe kon hij de jaloerse en afgunstige mensen dan vergeven? Hoe kon hij de zonden op zich nemen die hem onbekend en vreemd zijn, plus de gelovigen reinigen van
alle (1 Joh 1,9) ongerechtigheid? Ben heel benieuwd naar je antwoord!
Daar moet je dan wel wat voor doen; ik zal het kort houden - ahum..
Het heeft te maken met waarneming. Hoe ver gaat je waarneming.
Stel je voor dat je een schaakprobleem voorgeschoteld krijgt. Je weet wel, zo een van "wit zet mat in drie zetten; los maar op".
Hoewel er slechts een of een paar stukken op het bord de doorslag geven, hebben in een schaakprobleem bijna altijd alle stukken een functie om het geheel van het probleem ook de oplossing te kunnen bieden van -in dit geval- mat in drie. Een schaakprobleem heeft zogezegd altijd een Intelligent Design, waardoor oppervlakkige antwoorden soms tot tegengestelde resultaten leiden. Veel stukken zijn dus niet meer dan ondersteunende stukken die geen duidelijk zichtbare functie hebben, maar toch noodzakelijk zijn om de oplossing te kunnen bereiken of forceren.
Zo is het met het Zoonschap van Jezus. Wij zien slechts een gedeelte van het schaakbord. Dat is onder andere dat Jezus God's Zoon is. En als dan licht wordt geworpen op het feit dat Jezus en God één zijn, dan is dat een waarneming die voor ons zichtbaar is, maar die zich voor een deel buiten ons gezichtsveld afspeelt. Want wat ons wordt gepresenteerd is het Zoonschap van Christus. Met deze gegevens ga je te ver als je dan zegt dat Jezus = God is. Want God en Jezus zijn niet uitwisselbaar. Niemand komt tot de Vader dan door de Zoon. God heeft ons Zijn Zoon gezonden, geboren uit God en uit een mens. God de Vader is niet uit zijn maaksel, de mens, ontsproten. En ook Christus is niet alleen uit het maaksel de mens ontsproten. Want Christus is ook uit God. Het maaksel brengt niet de schepper voort, maar de schepper brengt het maaksel voort. Zo is de orde en anders niet. De Zoon heeft niet de Vader gezonden. En de mens alleen heeft geen God voortgebracht. Deze natuurlijke gang der dingen laat onverlet dat God en de Zoon één zijn en de Zoon uit God voortgekomen is. In het beeld van het schaakprobleem, is dat een deel van het veld dat wij wel zien, maar dat we niet goed kunnen overzien omdat wij meer zicht hebben op het gedeelte dat de Zoon niet God zelf, maar de zoon van God is. En verder is er meer dat wij niet zien, dan dat wij wel zien. Het onttrekt zich gewoon aan onze waarneming. Maar feit staat als een paal boven water, dat de Zoon aan ons is geopenbaard als de Zoon van God, die mensgeworden is, menselijk lijden en beproeving gekend heeft, en zonder zonden is, en uit God is en aan God gelijk geworden is.
Dat feit van zoonschap is wat ons is geopenbaard en daar mogen wij niet aankomen. Daarom is het dat als je moet kiezen uit twee, dat wij niet zeggen dat Jezus en God dezelfde zijn, maar dat Jezus en God niet dezelfde zijn, maar een vader en zoon-relatie hebben. Dat is wat God zelf ons heeft geleerd, en dat is waar wij ons aan moeten houden.
Het beeld van een schaakprobleem biedt naar mijn inzichten meer inhoud, maar is niet eenvoudig. Daarom nu ook een meer dagelijks beeld. De zon komt op en zij gaat onder. Maar we weten dat zij stilstaat en wij zijn het die draaien. Slimmeriken denken dus dat onze weergave van zonsopkomst en zonsondergang onjuist is. Maar dat is niet waar. Hoe goed we ook in staat zijn om de werkelijkheid te beschrijven en te verklaren en te bewijzen, we kunnen er niet omheen dat de zon opkomt en ondergaat. Die waarneming blijft onverminderd waarheid en geen mens kan om haar heen. Want God heeft de zon op deze wijze aan ons geopenbaard. Aan het eind van redengeving en verklaring komen we terug uit bij de werkelijkheid dat de zon gewoon opgaat en zij gaat gewoon onder.
Begrijp je wat ik probeer te duiden? God heeft Zijn Zoon gezonden omdat God zelf geen mens is. Zijn Zoon kent alle menselijke eigenschappen omdat hij deels uit God is en deels uit de mens. Het geheimenis van God's Zoon heeft te maken met de overbrugging van God tot de mens. God's Zoon heeft alles geleden wat een mens kan lijden, en groter lijden was zijn deel waar Hij tijdelijk ook verlaten werd door God de Vader met wie hij in grote verbondenheid is. God de Vader had dit lijden en de aanvechtingen en beproevingen niet kunnen beleven. En het is ook noodzakelijk voor de rechtvaardigheid. In één adam heeft alle mens gezondigd. Als dat zo is naar de natuurlijke ordening van God, dan is het ook zo dat in één adam de hele mens gered kan worden. God schiep de eerste Adam opdat de mens kon leven in genade en vrijheid tot kiezen - die Adam verliet Hem. En daarna bracht God voort de tweede Adam opdat de mens ook kon leven uit genade in gebrokenheid - die Adam bleef Hem trouw. De eerste Adam was naar het maaksel van God, en God kon in zijn rechtvaardigheid geen zonde in hem maken. Die zonde bracht de mens zelf in zich. Maar de tweede Adam was naar het maaksel van de menselijke zonde voortgebracht - maar doordat Hij God gelijk is kon God hem zondenloos doen blijven en tot zoenoffer doen zijn voor alle mens.
Hoe dit ook zij, God heeft dus niet de kwalijke eigenschappen van de mens. Christus heeft daarentegen wel alle kwalijke trekkingen aan de mens in het vlees gevoeld, maar heeft daarin door zijn goddelijke oorsprong niet gezondigd.
Het is daarom dat Christus de beste pleitbezorger en hogepriester is bij God de Vader. Want hij kent de krachten die werken op het vlees. Hoewel ook hij zichtbaar verwonderd is dat de apostelen niet sterker kunnen zijn in het geloof, en ook hij geraakt wordt door de moeite die de mensen om hem heen hebben om in het koninkrijk van God te komen, en ook hij in erbarming verzucht wie de schare zal leiden tot groei in het geloof.
Weet je; ook dit is een discussie die tot andere antwoorden leidt afhankelijk van de mate waarin je treedt in God's Raadsbesluit. Dat God Zijn Zoon zond is geen toevalligheid of een historisch gegroeid gegeven, maar een orde in het spanningsveld tussen goed en kwaad waarin God's almacht en rechtvaardigheid geen duimbreed wijkt, en tegelijk God aan de mens tegemoet komt en verlossing brengt die de mens in zichzelf niet kan volbrengen.
Daarom: als de bijbel spreekt over God de Vader is het niet zuiver om daarvoor te lezen "God de Zoon"; en waar de bijbel spreekt van God de Zoon, is het niet zuiver om te spreken van "God te Vader". Kunnen we wel theorieën over hebben, maar het gaat het maaksel niet aan om te treden in de wijze waarop de maker zichzelf en het maaksel geordend en benoemd heeft.
Wil je dan horen van mij of God en de Vader en de Zoon één zijn of niet, dan is mijn
keuze om te zeggen dat zij NIET één zijn. Want waar zij wel één zijn is dat een éénheid die zich afspeelt buiten de verschijningen om van de Vader en de Zoon. Ik meen ook te mogen stellen dat het geforceerd spreken over de Zoon die tegelijk de Vader is onheilig is en het kunstig heilswerk van God de Vader afbreuk doet. Want God zond Zijn Zoon om Zijn rechtvaardig oordeel te volbrengen, en om ons tegemoet te komen, en om ons te helpen, en om ons een geestelijk koninkrijk te bieden. Dan gaat het niet aan dat wij ons verliezen in bespiegelingen over de macht en Goddelijkheid van de verlosser. Heb heilige eerbied voor je maker en diep ontzag voor zijn heilsplan. Want wie aanstoot neemt aan -wie struikelt over - de wijsheid van God, die zal ook struikelen over de redding die God ons bood.
Dit antwoord is onbevredigend voor jou, omdat ik eerder de onmogelijkheden die jij signaleert herhaal dan er een verklaring voor geef. Daarom nog het volgende: Jezus en God zijn één, daar twijfel jij niet over. Maar niemand kan God zien, houdt de Heilige Schrift ons voor. Wat zegt dat dan over de situatie waarin Philippus vraagt naar God de Vader? Jezus zegt daar: je hebt mij gezien en mijn werken. Hoe kun je nu zeggen dat je God niet hebt gezien?? Daar geeft Jezus een blik in de diepte. Zegt Jezus hier dat Hij God zelf is?? Nee, zeker niet. Dat zou ook in tegenspraak zijn met alle andere woorden die hij spreekt over de Vader. Maar Hij zegt wel dat wat Hij deed was wat de Vader in Hem werkte. Dus alles wat de discipelen in Hem zagen en van Hem zagen kwam rechtstreeks voort uit God. De discipelen zijn daarin zeldzame getuigen van de aanwezigheid van God in hun midden. Weinig anderen op deze aarde hebben dat in die mate meegemaakt. Het is daarom dat Jezus Philippus terecht wijst. Wie in Christus niet de Vader ziet, heeft de zichtbare aanwezigheid van de Vader geheel gemist. Merk op dat dit schriftgedeelte - Joh.14 - suggereert dat als Jezus bij de Vader is, dat zij
temeer één zullen zijn (o.a.: "Wij" zullen in u wonen). Dat dit ook logisch is is een onderwerp apart. Merk ten tweede op dat Jezus niet alleen zegt dat de Vader in hem is (dat kunnen wij begrijpen) maar ook dat Hij in de Vader is. Dat is veel minder door ons te vatten, maar het is wel een feit.
Voordat je nu gaat bewijzen dat er maar één God is, weet dan dat ik dat niet bestrijd. God is één. Maar jij en ik weten beiden dat terwijl God één is, Zijn Geest tegelijk in jou en tegelijk in mij kan zijn. Dan heb je dus al twee verschijningen van de God, die één is. Bij een zodanig duidelijk gescheiden optreden van God die één is in de verschillende gebroken vaten die wij zijn, mogen wij geen dwaze vragen gaan stellen over de eenheid van God bij een gescheiden optreden van God de Vader en God de Zoon, die beiden ongebroken vaten zijn. Want het is hetzelfde schriftgedeelte waarin Jezus zegt dat de Vader meer is dan de Zoon.
Over verdere invalshoeken bij deze discussie en schriftuurlijke inzichten, daaromtrent, is daar niet reeds uitvoeriger over geschreven in de
discussie die je elders startte..?