Gen.41:8(..
farao heeft een vreemde droom..)
8 En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars
(1) van Egypte, en al de wijzen
(2), die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Faraö uitlegde.
(..
de schenker herinnert zich dat Jozef misschien kan helpen..)
15 En Faraö sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegt; maar ik heb van u horen zeggen, als gij een droom hoort, dat gij hem uitlegt.
16 En Jozef antwoordde Faraö, zeggende: Het is buiten mij! God zal Faraö’s welstand aanzeggen.
(..
droom over de komende hongersnood wordt uitgelegd..)
28 Dit is het woord, dat ik tot Faraö gesproken heb: hetgeen God doende is, heeft Hij Faraö vertoond.
29 Zie, de zeven aankomende jaren, zal er grote overvloed in het ganse land van Egypte zijn.
30 Maar na deze zullen er opstaan zeven jaren van honger; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren.
31 Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege die honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn.
32 En wat betreft, dat die droom aan Faraö ten tweeden male is herhaald, is, omdat de zaak door God vastbesloten is, en dat God Zich haast, om die te doen.
33 Zo zie nu Faraö naar een verstandige
(3) en wijze
(2) man, en zette hem over het land van Egypte.
34 Faraö doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel van het land van Egypte in de zeven jaren van de overvloed.
35 En dat zij alle spijs van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Faraö, tot spijs in de steden, en het bewaren.
36 Zo zal de spijs zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren van honger, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga.
Jozefs verhoging
37 En dit woord was goed in de ogen van Faraö, en in de ogen van al zijn knechten.
38 Zo zeide Faraö tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, in wie Gods Geest is?
39 Daarna zeide Faraö tot Jozef: Nu God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig
(3) en wijs
(2), als gij.
40 Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan gij.
41 Voorts sprak Faraö tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.
42 En Faraö nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals;
43 En hij deed hem rijden op de tweede wagen, die hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.
44 En Faraö zeide tot Jozef: Ik ben Faraö! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.
(..
iets over Jozefs vrouw en kinderen..)
47 En het land bracht voort, in de zeven jaren van de overvloed, bij handvollen.
48 En hij vergaderde alle spijs van de zeven jaren, die in Egypteland was, en deed de spijs in de steden; de spijs van het veld van elke stad, dat rondom haar was, deed hij daar binnen.
49 Alzo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.
(..
weer iets over z'n familie..)
53 Toen eindigden de zeven jaren van de overvloed, die in Egypte geweest was.
54 En de zeven jaren van de honger begonnen aan te komen, zoals Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in gans Egypteland was brood.
55 Toen nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Faraö om brood; en Faraö zeide tot alle Egyptenaars: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.
56 Toen er dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaars; want de honger werd sterk in Egypteland.
57 En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.
(..
de hereniging van Jozef met z'n broers en vader..)
Gen. 4715 Toen nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän uitgegeven was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;
16 En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.
17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, dat jaar, voor al hun vee.
18 Toen dat jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld uitgegeven is, en de bezitting der beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezicht van mijn heer, dan ons lichaam en ons land.
19 Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Faraö dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!
20 Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Faraö; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, omdat de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Faraö’s eigendom.
21 En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste van de grens van Egypte, tot het andere uiterste ervan.
22 Alleen het land der priesters kocht hij niet, want de priesters
(4) hadden een hun bescheiden deel van Faraö, en zij aten het hun bescheiden deel, dat Faraö hun gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.
23 Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor Faraö; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.
24 Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Faraö het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad voor het veld, en tot uw spijs en van hen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.
25 En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen van mijn heer, en wij zullen Faraö’s knechten zijn.
26 Jozef dan stelde dit in tot een wet, tot deze dag, over het land van Egypte, dat Faraö het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesters
(4) van Faraö niet werd. 27 Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.
Handelingen 720 In welke tijd Mozes werd geboren en was uitnemend schoon; die drie maanden opgevoed werd in het huis van zijn vader.
21 En toen hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Faraö op, en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon.
22 En Mozes werd onderwezen
(5) in alle wijsheid
(6) der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
23 Toen hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken.
(1)* diviner, magician, astrologer
* engraver, writer (only in derivative sense of one possessed of occult knowledge)
+ strongs 2748 - From the same as H2747; a horoscopist (as drawing magical lines or circles): - magician.
(2)+ Strongs 2450 - From H2449; wise, (that is, intelligent, skilful or artful): - cunning (man), subtil, ([un-]), wise ([hearted], man).
* wise, wise (man) , skilful (in technical work), wise (in administration) ,shrewd, crafty, cunning, wily, subtle, learned, shrewd (class of men) , prudent , wise (ethically and religiously)
* In de Septuagint (LXX) vertaald met sophos:
wise
skilled, expert: of artificers
wise, skilled in letters, cultivated, learned
of the Greek philosophers and orators
of Jewish theologians
of Christian teachers
forming the best plans and using the best means for their execution
(3)+ Strongs 995 - A primitive root; to separate mentally (or distinguish), that is, (generally) understand: - attend, consider, be cunning, diligently, direct, discern, eloquent, feel, inform, instruct, have intelligence, know, look well to, mark, perceive, be prudent, regard, (can) skill (-ful), teach, think, (cause, make to, get, give, have) understand (-ing), view, (deal) wise (-ly, man).
(4)+ strongs 3548 - Active participle of H3547; literally one officiating, a priest; also (by courtesy) an acting priest (although a layman): - chief ruler, X own, priest, prince, principal officer.
* priest, principal officer or chief ruler, priest-king (Melchizedek, Messiah), pagan priests, priests of Jehovah, Levitical priests, Zadokite priests, Aaronic priests, the high priest
(5)+ strongs 3811 - From G3816; to train up a child, that is, educate, or (by implication) discipline (by punishment): - chasten (-ise), instruct, learn, teach.
(6)+ strongs 4678 - sophia - From G4680; wisdom (higher or lower, worldly or spiritual): - wisdom.
* wisdom, broad and full of intelligence; used of the knowledge of very diverse matters
the wisdom which belongs to men
spec. the varied knowledge of things human and divine, acquired by acuteness and experience, and summed up in maxims and proverbs
the science and learning
the act of interpreting dreams and always giving the sagest advice
the intelligence evinced in discovering the meaning of some mysterious number or vision
skill in the management of affairs
devout and proper prudence in intercourse with men not disciples of Christ, skill and discretion in imparting Christian truth
the knowledge and practice of the requisites for godly and upright living
Supreme intelligence, such as belongs to God
to Christ
the wisdom of God as evinced in forming and executing counsels in the formation and government of the world and the scriptures
bronnen * =
interlinear study bible op 'searchGodsWord.org+ = Strongs nummers, te vinden in ongeveer elke studiebijbel