Laat ik voorop stellen dat ik ernstig bevooroordeeld ben door dit lied. Rondom de doop van de jongste twee van onze drie kinderen is dit lied op ons verzoek gezongen. Bij de oudste hadden we de liedboek-selectie nog niet in de GKv (en kenden we dit lied ook niet). Ik ben dus geneigd om elk bezwaar tegen die lied koste wat kost te willen afwijzen

. Aan de andere kant: bij ons in de gemeente hebben we met elkaar de liederen getoetst voordat we ze gingen zingen, en hebben wij met overtuidiging voor dit lied gekozen. Daar mag ik dan hier ook rustig voor gaan 'staan'.
quote:
op 20 Oct 2003 08:21:29 schreef Qohelet:
Over couplet 8 wil ik nog opmerken, dat het gebed over de dopeling versmald wordt tot spreken: "laat de mond ... met ons belijden". Een versmalling die in het licht van taaltheologie heel goed begrepen kan worden, omdat daarin religie geheel opgaat in menselijke taal. Zónder die interpretatie is de zegewens, zacht gezegd, arm. Vergelijk met de rijkdom in het doopsformulier: "laat het gewillig zijn kruis op zich nemen ... U van harte liefhebben ... met U in de eeuwige heerlijkheid leven ..."
Voor de volledigheid even couplet 8:
En laat de mond
der kindren, die we U wijden,
eens, zelf ontwaakt, met ons uw naam belijden:
wij leven vast in uw verbond.
Ik snap niet wat je hier bedoelt als je zegt dat die zegenwens zonder de interpretatie vanuit de taaltheologie op z'n zachtst gezegd arm noemt. Want wat is de betekenis van God naam belijden? Toch precies jouw citaat uit het doopsformulier? Eigenlijk niet precies, want: zodra je het concreet invult, zoals in het doopsformulier, leg je jezelf beperkingen op.
Als ik de laatstet regel ook nog even mag noemen: daar gaat het over het léven in het verbond. Het leven zal toch zelfs in de taaltheologie (waarmee ik niet bekend ben) niet versmald worden tot de 'mond'? Kortom: ik zie hier leer en leven bij elkaar. En notabene: hier wordt het verbond genoemd. Uitermate vrijgemaakt couplet, zou ik zeggen.

quote:
Ten slotte, couplet 9: het gaat hier over verbondenheid van de kerk in één geloof. Gaat dit over verbonden-zijn in Christus? Misschien. Heel misschien. Een armzalige formulering van de gemeenschap van het lichaam van Christus. Even afstandelijk als de mededeling "Er is gedoopt!" Eén van de twee: òf dit zinnetje betekent niets, een onzinnige constatering van een duidelijk feit; òf het richt de aandacht op een heel bijzondere betekenis van een liturgisch moment, dat zonodig in de lijdende vorm moet worden uitgedrukt, zonder een verwijzing naar Gods goedheid en trouw.
Couplet 9:
Er is gedoopt!
Wij allen zijn verbonden,
het voorgeslacht, de ouders, die hier stonden,
de ganse kerk in een geloof.
Ik schreef hierboven al dat dit lied
rondom de doop van twee van onze kinderen is gezongen. En inderdaad is vers 9 in die gevallen
na de bediening van de doop gezongen. Een achterafje, als je dat zo wilt noemen (zie citaat onder), hoewel mij dat wat denigrerend in de oren klinkt. Ik vind het ook wel wat erg nuchter om dit te karakteriseren als "een onzinnige constatering van een duidelijk feit" (de twee andere mogelijkheden die je noemt blinken ook al niet uit door uitnodigende formulering

). De nuchtere karakterisering spreekt wat mij betreft boekdelen - niet voor niets staat er een uitroepteken aan het einde van de eerste regel van couplet 9. Want het is nogal wat, wat er in de doop naar ons toekomt! (even kort door de bocht geformuleerd, want de doop is 'slechts' (nuchter he?) een symbolisering daarvan).
Beetje flauw trouwens om op te merken dat hier Gods trouw enz. niet wordt genoemd. In het geheel van dit lied komt Gods werk en zijn belofte wel degelijk naar voren. En, zoals gezegd, dát er gedoopt is - dat
simpele feit is toch een teken van Gods trouw. Zie verder hieronder voor de "uitwerking" van de rest can het 9e couplet.
quote:
Wat heel vreemd is -- en ik neem het zwaar op -- is dat het gebed aan de "Heer van de Kerk" blijkbaar is afgelopen na couplet 8. In couplet 9 wordt Hij niet meer aangesproken. Het lijkt erop, dat vers 9 een achterafje is, dat het terugblikt op de liturgische handeling begonnen met de invocatie in vers 1. Dat roept bij mij een gevoel van onbehagen op. Er volgt geen dank- of lofgebed. In het laatste couplet zingt de kerk over zichzelf: "we hebben door het ritueel onze generatie-overstijgende eenheid van een religieuze gemeenschap weer bevestigd". Hoe ernstig je dit moet opnemen, hangt vooral af van de betekenis die je hecht aan het woord "geloof" aan het eind.
't Is maar hoe je het lied gebruikt. Het is heel goed op te knippen zodat je bepaalde verzen voor de doop zingt en andere erna. Daarmee vervalt m.i. ook het bezwaar tegen het feit dat het lied niet eindigt met een lofverheffing. Zeker binnen de praktijk binnen de GKv hoeft dat geen probleem te zijn: het doopsformulier voorziet in een gebed vóór en na de doopsbediening.
Wat betreft de verbondenheid aan de lijn der geslachten en de kerk van alle tijden: waarom dit toch afgedaan met zo'n denigrerende interpretatie? Ikzelf beleef dit heel anders. Zeker als bijv. grootouders en andere familie samen met de gemeente aanwezig zijn, kun je sterk de verbondenheid ervaren en dankbaar zijn voor het werk van God dat Hij laat dóórgaan en dat dit (deels) "in de lijn der geslachten" mag lopen. Dit sluit dus naadloos aan bij het verbond dat aan het einde van vers 8 werd genoemd.