In de GKv hebben we ooit een predikant (Ds. Hoorn) gehad die artikel 28 NGB op die manier uitlegde. Die is de kerk uitgezet. (hoe cynisch).
quote:
Wij geloven dat niemand, welke positie hij ook heeft, zich van deze heilige vergadering afzijdig mag houden, om op zichzelf te blijven staan. In deze vergadering komen immers bijeen degenen die behouden worden, en buiten haar is er geen heil. Daarom moet ieder zich bij haar voegen en zich met haar verenigen. Zo wordt de eenheid van de kerk bewaard; men onderwerpt zich aan haar onderwijzing en tucht, buigt de hals onder het juk van Jezus Christus en dient de opbouw van de broeders overeenkomstig de gaven die God aan allen verleend heeft, als leden van eenzelfde lichaam.
Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen, en zich bij deze vergadering te voegen op ieder plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan.
Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel.
Uit de acta van betreffende synode: (lang verhaal, toch maar even helemaal gequote)
quote:
I Uit deze stukken blijkt, dat ds. Joh. Hoorn over art. 28 NGB het volgende gevoelen heeft:
1 In art. 28 staat niet geschreven dat er gelovigen zijn onder hen die leven buiten de gemeenschap van de kerk, of iets in soortgelijke bewoordingen. De Schrift geeft ons nergen het recht om te stellen: niet allen die van de kerk zijn, zijn ook in de kerk. (Brief 155)
2 De oproep van art. 28 vermaant hen die tot de kerk behoren, zich als lid van de kerk te gedragen. Deze oproep is niet gericht tot gelovigen die zouden leven buiten de gemeenschap van de kerk om zich (eenmalig) bij haar te voegen. (NV, Brief, vgl. III 14; 161,69)
3 In de zinsnede van art. 27, waar de kerk omschreven wordt als 'een heilige vergadering van de ware gelovigen', ligt opgesloten dat alle gelovigen metterdaad in de kerk (d.w.z.: in haar bijeenkomst, I 18, 20) hun plaats innemen. (I 29) De kerk -als vergadering of bijeenkomst- bevat te allen tijde de door Gods raad bepaalde volheid der gelovigen. (I 5)
Besluit I
dit gevoelen af te wijzen als in strijd met wat naar de Schrift metterdaad in art. 28 beleden wordt.
Gronden:
1 a De NGB gaat in art. 28 uit van de grote betekenis van de kerk, waar immers bijeenkomen "degenen die behouden worden, en buiten haar is geen zaligheid".
b Daarna belijdt zij eerst, dat niemand van welke rang of stand ook zich van haar afzijdig mag houden, maar dat ieder zich bij haar moet voegen en zich met haar moet verenigen, onderhoudende de eenheid van de kerk.
c Vervolgens wijst art. 28 op de plicht van de gelovigen om -zelfs bij gevaar van leven- zich af te scheiden van wie niet van de kerk zijn en zich te voegen bij deze vergadering. De gebruikte termen "zich afscheiden van" en "zich voegen bij" zijn allereerst te verstaan als een oproep aan hen, die bv. in een reformatietijd achtergebleven zijn.
d De slotalinea laat zien dat wie eigen wegen gaan niet slechts menselijke regels overtreden, maar ingaan tegen de norm van God.
2 Art. 28 NGB is zakelijk verwant aan de artikelen 25 en 26 van de Franse Geloofsbelijdenis, waarvoor Joh. Calvijn voor wat de hoofdzaken betreft het ontwerp heeft geleverd, dat door de franse kerken is overgenomen. Zowel Guido de Bres, de opsteller van de NGB als Joh. Calvijn bestreden beiden dwaalgeesten en anderen die zich afzijdig hielden en op zich zelf bleven staan, en de zgn. PseudoNicodemieten, die om hun lijfsbehoud rooms bleven.
3 Het Schriftbewijs bij art. 28 bevestigt deze opvatting, dat wie behouden wil worden zich onder de prediking en de tucht als het 'juk van Christus' moet voegen. Hij wordt daarbij opgeroepen om uit 'Babel' weg te gaan, en zich daar te voegen waar het zuivere evangelie gepredikt wordt. Daarvan mag hij zich zelfs door overheidswetten en lijfstraffen niet laten weerhouden. (Vgl. Jes. 52 : 11; Openb. 18: 4).
4 Dit Schriftbewijs ligt in de lijn van heel de Schrift die wel degelijk spreekt van kinderen van God die doorzonde (Gen. 38; Ruth 1; 1 Kon. 12 : 30, vgl. 11 : 38) of uit onkunde (Hand. 3 : 17; 1 Tim. 1 : 13) zich hebben afgescheiden of zijn weggedwaald van de Here Christus en van zijn kerk. Zij worden door God zelf via oordelen en straffen (Gen. 38; Ruth 1) of door zijn profeten (bv. 1 Kon. 18; Amos 5: 5, vgl. ook 5 : 15 en 9 : l lv.) of door zijn apostelen (Hand. 2; 3; 28 : 17vv; 7 : 60) en ook door de verhoogde Christus (Hand. 9 : 4, vgl. 1 Tim. 1: 13) teruggeroepen of teruggebracht naar Sion, dus naar de kerk.
5 Het werk van Christus in de vergadering van zijn kerk (art. 27 NGB, HC antw. 54) wordt door ds. Hoorn op onverantwoorde wijze versmald, omdat hij over de kerk als vergadering van de gelovigen slechts spreekt in de zin van de bijeenkomst van de gemeente op haar concreet aanwijsbare adres, waarbuiten dan geen gelovigen zouden kunnen worden gevonden. Want de kerk is Kerk van Christus. Hij is door zijn Geest en Woord in zijn voortdurende arbeid breder bezig dan wij dikwijls kunnen opmerken. Reeds wat art. 27 zegt over de zevenduizend die hun knieën voor de Baäl niet gebogen hadden en die bij God, maar niet bij Elia bekend waren, had ds. Hoorn voor een dergelijke versmalling moeten bewaren.
II Het onder 1 aangewezen en afgewezen gevoelen t.a.v. art. 28 NGB brengt ds. Hoorn tot o.m. de volgende opvattingen:
1 Buiten de kerk kan niemand gelovig genoemd worden, want buiten de verzameling van Gods volk valt er niets te geloven. Omdat daar niets is. Omdat daar geen zaligheid is, geen enkele zaligheid. Alleen in de samenkomst van de ware gelovigen is de Here. Hij is daar en nergens anders. (1 30)
2 De belijdenis geeft ons niet het recht sommige of meerdere ware gelovigen aan te merken als: geen lid van de kerk (11 13). Er zijn geen ware gelovigen buiten degenen die zich laten vinden in de telkens opnieuw bijeenkomende vergadering (1 18).
3 Wie niet tot de vergadering behoort is geen gelovige. (1 30) Wie deserteert is hopeloos verloren (132). Hij kan zich niet voor God verontschuldigen, hij vindt dan het ganse Woord van God tegenover zich. (111 19)
4 De kerk zet in art. 28 niet de deur open ter wille van hen, die zichzelf buiten haar gemeenschap hebben geplaatst om dezen daardoor weer binnen te krijgen. Zij houdt in dit artikel de deur dicht ter wille van allen, die door God binnen haar gemeenschap zijn en worden gebracht, opdat niet één van dezen door haar schuld buiten geraakt.
Wie buiten zijn, zijn niet aan haar zorg toevertrouwd. (111, 18) Als ze in trouw en volharding haar ambt bedient door niet zelf anderen te willen afscheiden, maar door
zelf metterdaad zich af te scheiden van hen die niet van de kerk zijn, dan heeft zij,
hoe dwaas ook in het oog van de mensen, een wervende kracht naar buiten toe. (111
21)
5 Ook bij deze ware gelovigen strijdt nog wel het vlees tegen de Geest, maar als ware
gelovigen bieden zij door de kracht van de Heilige Geest altijd sterke wederstand,
totdat zij eindelijk ten enenmale de overhand behouden, HC 127. (1 36) Bij hen kan
het niet komen tot een breken met de kerk. (Verslag; NU 4)
Besluit II
deze opvattingen van ds. Hoorn inzake art. 28 NGB als in strijd met Schrift en belijdenis af te wijzen.
Gronden:
ad 1 In souverein welbehagen heeft God aan zijn kerk het Woord der verzoening toevertrouwd om door haar prediking te redden, wie geloven. (Vgl. Rom. 3 :2; 1 Cor. 4 : 2; 2 Cor. 5 : 19v; Gal. 2 : 7; 1 Tim. 4 : 14; 1 Petr. 1 : 23-25) Daardoor heeft Hij ons aan de kerk en aan haar prediking gebonden. Maar zelf bindt Hij zich toch niet zo aan haar, dat Hij met zijn Woord en Geest nergens anders is dan binnen de concreet aanwijsbare kerk, zoals wij haar in ambten, samenkomsten etc. kennen. Hij is machtig uit stenen Abraham kinderen te verwekken. (Matth. 3 : 9) En de Heilige Geest kan en heeft met zijn niet-geboeide Woord (2 Tim. 2 : 9) buiten de concrete ambtsdienst, soms door het gerucht van zijn Woord, zondige mensen tot wedergeboorte gebracht en tot het levende geloof dat naar Jak. 2 zichtbaar wordt in goede werken. (Hebr. 11 : 31; vgl. Joz. 2 : 10; Matth. 15 : 21, 28; Hand. 8 : 27; 16 14; 18 : 24-28)
Calvijn spreekt ook over iemand buiten de kerk, die "het zaad der reine leer in het hart van vele mensen zaaide." Hij heeft er God voor gedankt. (Comm. Fil. 1 : 16v) Bovendien doet een uitdrukking als "buiten de verzameling van Gods volk valt er niets te geloven", of ook de titel van de brochure 'Een enige Kerk, de troost van de ware gelovigen', tekort aan wat de kerk naar de Schrift belijdt over Jezus Christus als enige Zaligmaker en enige troost. (Hand. 4 : 12; HC Zondag 1, 11; art. 22 NGB)
ad 2 Dit spreken houdt geen rekening met hetgeen we belijden in DL V, dat de gelovigen vanwege de in hen overgebleven zonden (V 1-3) tot zo zware en zelfs afschuwelijke zonden gebracht kunnen worden (V 4), dat ze een tijdlang niet meer leven als gelovigen. ( V 5 ) Bij deel 14 van dit besluit bleek dit ook te kunnen leiden tot een (tijdelijk) breken met de kerk.
ad 3 Dit spreken ademt niet de geest van de Schrift die laat zien, hoe God soms eeuwen lang bezig is geweest afvallige kinderen tot bekering te roepen. (Vgl. Hos. 2 : 13v. met Hos. 1-3; 10-12; 1 Kon. 18 : 22; Amos 5 : S) Zelfs een reeds verbannen Israël roept Hij nog tot bekering en Hij belooft heil aan de enkelen die zich bekeren. (Jer. 3 : 12-14) Dezelfde bewogenheid vinden we bij de Here Jezus. Hij wordt verworpen (Matth. 23 : 37) en zelfs gekruisigd. Toch blijft Hij Jeruzalems kinderen zoeken. (Luc. 23 : 28, 34; Hand. 1 : 8; 24) Dit heeft naast de apostelen (vgl. o.a. Rom. 9 : 1-4 met Hand. 28 : 17v.) ook Calvijn en De Brès en de gereformeerden zowel in de Acte van Afscheiding en Wederkeer als in de Acte van Vrijmaking en Wederkeer bewogen hen die achtergebleven zijn, naar de kerk te roepen. Zo heeft de kerk in Nederland en daarbuiten zich ook nooit in zichzelf opgesloten in de gedachte dat buiten haar grenzen geen reformatorisch werk uit kracht van Gods genade zou zijn op te merken. Integendeel: in de Acte van Afscheiding en Wederkeer is er de begeerte "zich te verenigen met elke op Gods Woord gegronde vergadering", vgl. ook de vereniging die plaats vond in het jaar 1869 en inzonderheid in 1892. Steeds is erkend dat de Here in zijn welbehagen nieuw leven kan
werken, ook kerkelijk leven, buiten de grenzen van de kerk, dat in gehoorzaamheid zich heeft geïnstitueerd.
ad 4 Door zo over de taak van de kerk te spreken brengt ds. Hoorn haar in een Dopers isolement, dat in strijd is met o.a. Joh. 17 : 15. De kerk is niet van de wereld, ze heeft wel haar plaats in (Joh. 17 : 11) en een roeping voor de wereld. (Matth. 5 : 13-16; Joh. 17 : 23) De Here Jezus heeft dan ook zijn kerk niet bevolen zich op zichzelf te houden, maar om heen te gaan in de gehele wereld en het evangelie te verkondigen aan de ganse schepping (Mark. 16 : 15). De apostelen moesten daarbij beginnen te Jeruzalem en in geheel Judea. (Hand. 1 : 8 ) De kerk heeft haar zendings- en evangelisatieroeping. Haar poorten staan open naar alle windstreken. (Vgl. Openb. 21 : 22v)
ad 5 Wij belijden met DL V de volharding der heiligen. Maar het is niet naar de Schrift om op de manier van ds. Hoorn over de ware gelovigen te spreken. De kerk vermaant alle leden van de kerk om niet hoogmoedig te zijn maar te vrezen, (Rom. 11 : 20) en om in ootmoed de ander uitnemender te achten dan zichzelf. (Fil. 2 : 3) Ze moeten allen hun behoud werken met vrees en beven (Fil. 2 : 13) en waken en bidden om niet in verzoeking geleid te worden. (Matth. 26 : 41) Het is dan ook in strijd met de strekking van HC 127, wanneer ds. Hoorn dit antwoord gebruikt als een argument om aan te tonen dat ware gelovigen altijd zullen zijn en blijven ware en levende leden van de kerk, n.l. zoals hij haar voortdurend versmalt tot de regelmatige samenkomende bijeenkomst. HC 127 leert niet die zekerheid als een op zichzelf staand gegeven, maar roept de gelovigen op tot voortdurend gebed tot God hen zó te sterken dat ze door de kracht van de Heilige Geest niet het onderspit zullen delven, maar altijd krachtig tegenstand zullen bieden, totdat ze uiteindelijk de overwinning volkomen behalen.
Besluit tenslotte:
uit te spreken dat - alles samengenomen - in het gevoelen van ds. Hoorn aan de breedheid van Christus' werk en aan Gods barmhartigheid in het vergaderen van de kerk op
onaanvaardbare wijze tekort wordt gedaan. Daarom behoort ds. Hoorn dit gevoelen als in
strijd met Schrift en belijdenis publiek te herroepen.