quote:
O.m. in dat stukje wat Ulysses citeert. Maar om wat context te schetsen een stukje uit Jezus van Nazaret van B16 dat hier feitelijk ook over handelt:
Er is gezegd... Maar Ik zeg uVan de Messias werd verwacht dat Hij een vernieuwde Thora - zijn Thora - zou brengen. Misschien zinspeelt Paulus daarop in zijn brief aan de Galaten, als hij het heeft over de 'Wet van Christus' (Gal 6,2). Zijn hartstochtelijke pleidooi voor bevrijding uit de Wet culmineert in het vijfde hoofdstuk: 'Voor die vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt. Houd dus stand en laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen' (Gal 5,1). In vers 13 herhaalt hij nog een keer: 'U werd geroepen tot vrijheid.' Daar voegt hij echter aan toe: 'Alleen, misbruik de vrijheid niet als een voorwendsel voor een zondig leven, maar dien elkaar door de liefde.' Hij zet uiteen wat vrijheid is, namelijk vrijheid om goed te doen, vrijheid die zich laat leiden door de Geest van God, die ons vrijmaakt van de Wet. Paulus geeft meteen aan waaruit de vrijheid van de Geest inhoudelijk bestaat en wat daarmee onverenigbaar is.
De 'Wet van Christus' is de vrijheid. Dat is de paradox van de boodschap van de Galatenbrief. Deze vrijheid heeft een bepaalde inhoud, een richting, ze staat haaks op wat de mens alleen maar ogenschijnlijk bevrijdt en in feite tot slaaf maakt. De 'Thora van de Messias' is nieuw en anders, maar op die manier vervult ze de Thora van Mozes.
Het grootste deel van de Bergrede (Mc 5,17-7,27) gaat daarover: na de programmatische inleiding met de zaligsprekingen beschrijft de Bergrede, om zo te zeggen, de Thora van de Messias. Er is een analogie met de Galatenbrief, ook wat betreft de geadresseerden en de bedoelingen van de tekst: Paulus schrijft aan de christenen uit de joden, die in het onzekere zijn of ze toch niet de hele Thora net als vroeger moeten blijven onderhouden.
Ze waren vooral onzeker over de besnijdenis, de spijswetten, de reinheidsvoorschriften en de wijze van sabbat houden. Paulus beschouwt dat als een terugvallen achter het Messiaanse keerpunt, waarbij het wezenlijke van de vernieuwing verloren gaat: het universeel worden van het Godsvolk. Door die universaliteit kan Israël nu alle volkeren van de wereld omvatten.
De God van Israël is de facto volgens de belofte naar alle volkeren gebracht en laat zich zien als de God van alle mensen, de enige God.
Beslissend is niet meer het 'vlees - de fysieke afstamming van Abraham - maar de 'Geest': het horen bij Israëls overlevering van geloof en leven door de gemeenschap met Jezus Christus, die de Wet 'vergeestelijkt' heeft en tot de levensweg van allen heeft gemaakt. In de Bergrede spreekt Jezus zijn volk toe, Israël als de eerste drager van de belofte. Maar door Israël de nieuwe Thora te geven, maakt Hij Israël open, zodat Israël en de volkeren nu één nieuwe, grote familie van God kunnen gaan vormen.
Matteus heeft zijn Evangelie geschreven voor christenen uit de joden en voor de joodse wereld als geheel, omdat hij deze grote impuls van Jezus kracht wilde bijzetten. Door zijn Evangelie spreekt Jezus opnieuw en steeds weer tot Israël. Hij spreekt, het historische moment waarop Matteus staat, in het bijzondel de christenen uit de joden toe. Ze kunnen daardoor vernieuwing en continuïteit vaststellen in de geschiedenis die God, te beginnen bij Abraham, heeft met de mensheid, ook in de wending die Jezus eraan gegeven heeft. Dat is de weg waarlangs zij de weg van het leven moeten vinden.
Maar hoe ziet deze Thora van de Messias eruit? Meteen aan het begin staat een uitspraak die kan gelden als titel en als sleutel tot goed verstaan. Het is een uitspraak die ons steeds weer verrast en die Gods trouw aan zichzelf en Jezus' trouw aan het geloof van Israël ondubbelzinnig verwoordt: 'Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de
Profeten af te breken. Ik ben niet gekomen om af te breken, maar om te vervullen. Want Ik verrzeker jullie: eer hemel en aarde vergaan, zal er niet één punt of komma van de wet afgaan voor het allemaal gebeurd zal zijn. Wie één van die geringste geboden ontkracht en dat de mensen leert, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen' (Mt 5,17-19).
Het gaat niet om opheffing maar om vervulling. Deze vervulling vraagt niet minder maar méér gerechtigheid, zoals Jezus meteen daarop ook zegt: 'Als jullie gerechtigheid niet méér betekent dan die van de schriftgeleerden en farizeeën, zul je het Koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan' (Mt 5,20). Gaat het dan om een drastische aanscherping van de gehoorzaamheid aan de Wet? Wat houdt die grotere gerechtigheid eigenlijk in?
Bij het 'herlezen' - het met nieuwe ogen lezen van kerngedeelten van de Thora valt eerste instantie de nadruk op consequente trouw, op ongebroken continuïteit op. Als we langer luisteren valt op dat Jezus een tegenstelling schept tussen de Thora van Mozes en de Thora van de Messias: 'Tot de ouden is gezegd ( ... ) maar Ik zeg jullie ( ... )' (Mt 5,21v). Het Ik van Jezus klinkt met een gezag dat geen wetsleraar zich mag toeeigenen. De menigte voelt dat aan - Matteus zegt dat het volk schrikt van zijn onderricht. Hij onderricht hen als iemand met 'gezag' en niet zoals hun schriftgeleerden (Mt 7,28; vgl. Mc 1,22; Lc 4,32). Dat slaat natuurlijk niet op Jezus' sprekerstalent, maar op de aanspraak dat Hij zelf het niveau van de wetgever - van God - vertegenwoordigt. Hun schrik komt voort uit het feit dat een mens durft te spreken met het hoogste gezag van God zelf. Ofwel Hij vergrijpt zich daarmee aan Gods majesteit, wat onvergeeflijk zou zijn, ofwel Hij staat werkelijk op het niveau van God, en dat is nauwelijks voorstelbaar.
Hoe moeten we deze Thora van de Messias nu begrijpen? Welke weg toont ze ons? Wat zegt ze ons over Jezus, over Israël, over de Kerk, over onszelf, en wat zegt ze tegen ons? Bij het zoeken naar een antwoord heb ik veel hulp gehad van een boek van de joodse geleerde Jacob Neusner: A Rabbi talks with ]esus. An Intermillennial Interfaith Exchange (Doubleday 1993).
Neusner, een gelovige jood en rabbijn, is in vriendschappelijke betrekkingen met katholieken opgegroeid. Hij doceert samen met christelijke theologen aan de universiteit en heeft groot z respect voor het geloof van zijn n christelijke collega's. Tegelijkertijd blijft hij echter ten diepste overtuigd van de geldigheid van de joodse uitleg van de Heilige Schriften. Zijn eerbied voor het christelijk geloof en zijn trouw aan het jodendom waren aanleiding voor hem om met Jezus in gesprek te gaan. In dit boek gaat hij bij de groep leerlingen van Jezus zitten op de berg in Galilea. Hij luistert naar Jezus en legt diens woorden naast de woorden van het Oude Testament en van de rabbijnse overleveringen in Misjna en Talmoed, werken die de neerslag vormen van de mondelinge overlevering vanaf het begin. Voor hem zijn die de sleutel tot het verstaan van de Thora. Hij luistert, hij vergelijkt en hij spreekt met Jezus zelf. Hij is geraakt door de grootheid en de zuiverheid van Jezus' woorden. Tegelijk is hij ook onrustig over de uiteindelijke onverenigbaarheid met het jodendom die hij aantreft in de kern van de Bergrede. Hij loopt dan verder met Jezus op de weg naar Jeruzalem, hij hoort hoe bij Jezus dezelfde thematiek weer terugkeert en verder ontvouwd wordt. Steeds weer probeert hij het te begrijpen, steeds weer ontroert hem de grootheid ervan en steeds weer gaat hij in gesprek met Jezus. Maar uiteindelijk besluit hij Jezus niet te volgen. Hij blijft - zoals hij het uitdrukt - bij het 'eeuwige Israël'.
De dialoog van de rabbijn met Jezus laat zien hoe het geloof in Gods Woord in de Heilige Schriften de basis vormt om elkaar, door alle tijden heen, te vinden: op grond van de Schrift kan de rabbijn in gesprek treden met Jezus, en op grond van de Schrift komt Jezus met ons in deze tijd in gesprek. Deze dialoog heeft plaats met kracht van argumenten. De dialoog laat zien hoe sterk de verschillen zijn, maar hij wordt ook gekenmerkt door grote liefde: de rabbijn aanvaardt het anders-zijn van Jezus' boodschap, en als hij afscheid neemt van Jezus gaat hij weg zonder haatgevoelens. In de harde waarheid blijft ook plaats voor de verzoenende kracht van de liefde.
Proberen we de kern van dit gesprek te hernemen, om Jezus scherper in beeld te krijgen en om onze joodse broeders beter te begrijpen. Waar het om gaat, wordt naar mijn idee heel mooi zichtbaar in een van de meest indrukwekkende scènes die Neusner in zijn boek schetst. Neusner was - in zijn innerlijke dialoog - de hele dag in Jezus' gezelschap geweest. Nu trekt hij zich terug met de joodse bewoners van een klein stadje om te bidden en de Thora te studeren en om wat hij gehoord heeft te bespreken met de plaatselijke rabbijn - steeds volgens het uitgangspunt dat men eeuwen overbruggen kan. De rabbijn haalt een tekst aan uit de Babylonische Talmoed: 'Rabbijn Simlaj sprak: 613 voorschriften zijn aan Mozes overgeleverd: 365 (verboden) voor de dagen van het jaar, en 248 (geboden) voor de gewrichten van de mens. Toen kwam David en maakte er 11 van. ( ... ) Daarna kwam Jesaja en maakte er 6 van. ( ... ) Toen kwam Jesaja nog een keer en maakte er een enkele van. ( ... ) Beter gezegd - toen kwam Habakuk en maakte er een enkele van, want er staat: de rechtvaardige blijft leven door zijn geloof (Hab 2,4).'
In Neusners boek volgt daarop deze gedachtewisseling: 'En was dit het', vraagt de meester, 'wat Jezus, de schriftgeleerde, te zeggen had?' 'Niet precies zo, maar wel ongeveer', zeg ik. 'Wat heeft hij weggelaten?' vraagt hij.
'Niets', zeg ik. 'Wat heeft hij toegevoegd?' vraagt hij. 'Zichzelf, zeg ik (p. 113v). Hier ligt de kern waarom de gelovige jood Neusner terugschrikt voor Jezus' boodschap. Dit is de reden waarom hij Jezus niet wil volgen, maar bij het eeuwige Israël wil blijven: vanwege de centrale plaats die de persoon van Jezus inneemt in zijn boodschap, die alles een nieuwe richting geeft. Neusner citeert op deze plaats, als bewijs voor deze 'toevoeging', wat Jezus zegt tegen de rijke jongeman: 'Als u onverdeeld goed wilt zijn, ga dan uw bezit verkopen ( ... ). Kom dan terug om Mij te volgen (Mt 19,20; zie p. 114). Volmaakt zijn, heilig zijn zoals God heilig is - voorschrift van de Thora (Lv 19,2; 11,44) bestaat er voortaan in, Jezus na te volgen.
(viavia uit het KN geciteert)