wellicht is het handig om nog eens terug te kijken naar wat De Ruiter zelf heeft gezegd:
(..)
Toen ontdekte ik iets verschrikkelijks: ons gangbare geestelijke voedsel lijkt bedorven! Want we horen steeds: 'Jezus heeft plaatsvervangend onze schuld, onze straf gedragen - dat is de grond van ons heil'. Maar is dit Bijbels? Rationeel is het niet helder, erkennen velen berustend. Maar werpt deze leer feitelijk niet een lelijke smet op God? Want: is Hij een Vader 'die betaling eist' en anders niet kan of wil vergeven? (Heidelbergse Catechismus, zondag 4 en 5) En nog iets: moeten wij vergeven 'zoals Hij' - dus ook betaling eisen? Natuurlijk niet. Maar ... de bange vraag kwam op: is onze gangbare leer dan wel goed?
Velen denken dat de Bijbel de plaatsvervangende betaling overal leert. Maar mijns inziens is het aantoonbaar dat de betalingsleer 'ingelezen' wordt in woorden als verzoening, offer, bevrijding, redden, verlossen, rechtvaardigen, enz. Leert de Bijbel helder dat 'de Grote Ruil' (Luther) de grond van onze redding is? Het omgekeerde staat wel zwart op wit: 'God wil niet dat een rechtvaardige de schuld en straf van een schuldige opgelegd krijgt - dat is Hem een gruwel' (o.a. Spreuken 17:15,26; Exodus 34:7; Ezechiël 18:20; 33:18-20). Zou God Zelf dat dan wel doen met Jezus?
(..) (
ND, 5 dec. 2008)
de rest van het artikel gaat alleen nog kort in op wat weerwoorden, en deze alinea's zijn eigenlijk de enige waar De Ruiter duidelijk zegt waar het om draait volgens hem.
Stap voor stap, wat zegt De Ruiter?
1.)
Toen ontdekte ik iets verschrikkelijks: ons gangbare geestelijke voedsel lijkt bedorven! Want we horen steeds: 'Jezus heeft plaatsvervangend onze schuld, onze straf gedragen - dat is de grond van ons heil'. Maar is dit Bijbels?(..)
Maar mijns inziens is het aantoonbaar dat de betalingsleer 'ingelezen' wordt in woorden als verzoening, offer, bevrijding, redden, verlossen, rechtvaardigen, enz. Leert de Bijbel helder dat 'de Grote Ruil' (Luther) de grond van onze redding is? Het omgekeerde staat wel zwart op wit: 'God wil niet dat een rechtvaardige de schuld en straf van een schuldige opgelegd krijgt - dat is Hem een gruwel' (o.a. Spreuken 17:15,26; Exodus 34:7; Ezechiël 18:20; 33:18-20). Zou God Zelf dat dan wel doen met Jezus?De Ruiter vraagt of het bijbels is dat we in de prediking horen:
"Jezus heeft plaatsvervangend onze schuld, onze straf gedragen - dat is de grond van ons heil". Zoals hij het introduceert:
Toen ontdekte ik iets verschrikkelijks: ons gangbare geestelijke voedsel lijkt bedorven! lijkt het erop dat dit zijn mening is. Uit de inleiding op het artikel (niet geciteerd) blijkt dat hij met deze vragen zit en uit de opmerking over inlezen volgt wat De Ruiter denkt. De betalingsleer wordt "ingelezen", en is dus niet bijbels.
"Zou God Zelf dat dan wel doen met Jezus?" -- Hier stelt De Ruiter een nogal rhetorische vraag (vanuit zijn perspectief). Hij concludeert eerst dat het ingelezen wordt en dan daarna dat
het omgekeerde zeker wel bijbels is, met daarna dus de rhetorische vraag of God het dan Zelf wel zo zou doen met Jezus. De Ruiter bedoelt:
"nee, dat zou God Zelf niet zo doen met Jezus" -----------------------
dus wat De Ruiter hier volgens mij meedeelt:
*
"Jezus heeft plaatsvervangend onze schuld, onze straf gedragen - dat is de grond van ons heil" &
"Maar is dit Bijbels?"*
Maar mijns inziens is het aantoonbaar dat de betalingsleer 'ingelezen' wordt in woorden als verzoening, offer, bevrijding, redden, verlossen, rechtvaardigen, enz.*
'God wil niet dat een rechtvaardige de schuld en straf van een schuldige opgelegd krijgt - dat is Hem een gruwel' & "
Zou God Zelf dat dan wel doen met Jezus?"2.)
Maar werpt deze leer feitelijk niet een lelijke smet op God? Want: is Hij een Vader 'die betaling eist' en anders niet kan of wil vergeven? (Heidelbergse Catechismus, zondag 4 en 5) Feitelijk
vraagt hij dit slechts, maar de vraag stellen is hem beantwoorden. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat De Ruiter van mening is dat onze ("bedorven"!) leer een
lelijke smet op God werpt.
3.)
En nog iets: moeten wij vergeven 'zoals Hij' - dus ook betaling eisen? Natuurlijk niet. --> moeten wij vergeven zoals God vergeeft?
4.)
Velen denken dat de Bijbel de plaatsvervangende betaling overal leert. Het kan zijn dat "velen" dat denken. Ik ken die "velen" persoonlijk niet, maar ik kan meegaan in zijn beeld. Op dezelfde manier denken velen (heb ik het idee) dat de bijbel zo ongeveer op elke pagina systematisch de drie-eenheid leert. Het is dan altijd weer een deceptie als ze gevraagd worden het nu eens zelf a.h.v. de bijbel te laten zien. Het punt is, dat het er wel degelijk staat, maar niet overal, en niet systematisch. Als "velen" dit inderdaad zo denken, dan is dat een misvatting van die "velen". Dit ismeer een kwestie van evenwichtiger prediken, beter uitleggen dat wat je in de prediking hoort, niet altijd zomaar zonder moeite allemaal in één versje terug te vinden is, maar dat het soms een stuk ingewikkelder ligt.
verder met wat De Ruiter aan concrete punten aandraagt:
Punt 4 sla ik over omdat het niet over "de leer" gaat maar over wat mensen ervan opgepikt hebben.
Punt 2 is een emotie-argument en zoiets kan ik als bijbels argument niet serieus nemen. Wellicht werpt het sturen van mensen naar de hel, óók wel een lelijke smet op God (tenminste, volgens alverzoeners, atheisten en anderen, zeker wel). Idem voor een God die (Exodus) de eerstgeboren doodde, of die op overspel de doodstraf had staan. Idem voor de doodstraf op moord, etc, etc. Het "werpt een lelijke smet" is niet een logisch of bijbels argument.
Dat betekent natuurlijk niet dat De Ruiter niet heel erg met dit punt zit. Dat is vaak zo met dingen die emotioneel botsen met ons verstand. Maar dat is een "pastoraal" probleem, niet een probleem met de leer an sich. Wel kan het zijn dat de leer erg ongelukkig uitgelegd is. Niet voor niets hoor je nog wel eens de karikatuur van de bloeddorstige God die bloed wil zien. De christelijke leer leent zich er uitstekend voor om ongenuanceerd verkeerd begrepen te worden. Punt 2 is net als punt 4 een uitleg probleem en niet een probleem met de leer.
Punt 1 en 3 dus. Eerst punt
3, omdat dat m.i. een karikatuur is, die eerst uit de weg geholpen mat worden:
En nog iets: moeten wij vergeven 'zoals Hij' - dus ook betaling eisen? Natuurlijk niet..
Is het zo dat vergeven gaat zonder "betaling"? Het lijkt heel logisch, maar als je er even over nadenkt niet meer. Als er iets mis is tussen twee mensen (ruzie, diefstal, de één heeft de ander pijn gedaan of beledigd) dan staat er als het ware een muur tussen die twee. Het slachtoffer heeft geleden onder wat de dader deed en/of zei. De dader heeft iets
kapot gemaakt.
Om de relatie weer goed te maken, zou de dader op e.o.a. manier weer
heel moeten maken wat hij kapot heeft gemaakt. Maar wat kan het slachtoffer doen? Wat gebeurt er als het slachtoffer de dader vergeeft? In feite slikt het slachtoffer dan datgene wat pijn heeft gedaan. In plaats van genoegdoening accepteert hij de afwezigheid van genoegdoening.
Bij vergeving is het niet de dader die betaalt, maar het slachtoffer! Ter illustratie: De Ruiter schrijft:
Strengholt doet een poging de gelijkenis van de verloren zoon Egyptisch uit te leggen (ND 22 november). Maar ook bij hem gaat de vader zonder meer voorbij aan de gepleegde kwetsingen (geen vergoedingsregeling!)..
Maar De Ruiter mist hier het hele punt van de gelijkenis (en van wat Strengholt uitlegt). De zoon
zou genoegdoening aan de vader moeten geven. Hij had immers effectief gezegd dat z'n vader dood was, want hij wilde de erfenis alvast hebben en vertrok met de noorderzon. Het is de zoon die flink in de schuld staat bij de vader, maar het is de
vader die uiteindelijk betaalt. Het is de vader die eroverheen stapt en op de zoon wacht. Het is de vader die (zwaar vernederend!) in z'n mantel naar de zoon toe rent! Het is de vader die een feest viert in plaats van z'n zoon de les te lezen.
idem bij de gelijkenis van de koning en de slaaf die schulden heeft{
Mat.18:
21 Daarop kwam Petrus bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’ 22 Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven. 23 Daarom is het met het koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. 24 Toen hij daarmee begonnen was, bracht men iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. 25 Omdat hij niets kon terugbetalen, gaf zijn heer bevel dat de man samen met zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat verkocht moest worden, zodat de schuld kon worden ingelost. 26 Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal u alles terugbetalen.” 27 Zijn heer kreeg medelijden, hij liet hem vrij en schold hem de geleende som kwijt. 28 Toen deze dienaar naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!” 29 Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “Heb geduld met mij, ik zal je betalen.” 30 Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangenzetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald. 31 Toen de andere dienaren begrepen wat er gebeurd was, waren ze zeer ontdaan, en gingen ze naar hun heer om hem alles te vertellen. 32 Daarop liet zijn heer hem bij zich roepen en hij zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar. Heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je me erom smeekte. 33 Dan had jij toch zeker ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar, zoals ik medelijden heb gehad met jou?” 34 En zijn heer was zo kwaad dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. 35 Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft.’ Het is de slaaf die z'n schulden (terecht) moet betalen, maar het is de koning die de schuld incasseert (kwijtscheldt). De koning doet afstand van z'n recht op genoegdoening.
Als De Ruiter zegt:
En nog iets: moeten wij vergeven 'zoals Hij' - dus ook betaling eisen? Natuurlijk niet. dan mist hij het hele punt van vergeving. Bij vergeving eis je als slachtoffer geen betaling meer, maar je betaalt het juist uit eigen zak.
En ja, zo moeten wij inderdaad vergeven! Paulus geeft dat in Rom.3 aan:
22 God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid. 23 Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; 24 en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost.
Dat is het hele punt van wat God doet: betaling uit eigen zak om schuld goed te maken die juist niet de zijne was maar de onze!
punt 1*
"Jezus heeft plaatsvervangend onze schuld, onze straf gedragen - dat is de grond van ons heil" &
"Maar is dit Bijbels?"*
Maar mijns inziens is het aantoonbaar dat de betalingsleer 'ingelezen' wordt[/u] in woorden als verzoening, offer, bevrijding, redden, verlossen, rechtvaardigen, enz.*
'God wil niet dat een rechtvaardige de schuld en straf van een schuldige opgelegd krijgt - dat is Hem een gruwel' & "
Zou God Zelf dat dan wel doen met Jezus?"Eerst het laatste deel: "
Zou God Zelf dat dan wel doen met Jezus?" --> Jezus was niet alleen mens. Als Jezus mens (of engel) was, dan is wat De Ruiter aanhaalt m.i. wel van toepassing, maar Jezus is veel meer. Jezus is God die uit eigen zak de schuld betaalt, zelf accepteert dat er van menselijke kant geen genoegdoening komt. Vanwege Jezus' goddelijk karakter kun je niet zomaar alles wat over mensen en offers wordt gezegd, op Jezus toepassen.
Dan over de plaatsvervanging:
"Jezus heeft plaatsvervangend onze schuld, onze straf gedragen - dat is de grond van ons heil".
straf op zonde:
19 Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt alleen tot degenen spreekt die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20 Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen. (Rom.3)
"22 Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven. 23 Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.10 Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11 En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. 12 Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. 13 Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. (Galaten 3)
A.) God straft zondaren met de doodzonder zonde:
14 Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. 15 Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. (Hebr.4) en bv. ook 2 Kor.5:21 (
"Hem, die geen zonde gekend heeft")
B.) Jezus was zonder zondetot zonde gemaakt:
18 En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, 19 welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd.
20 Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. 21 Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. (2 Kor.5)
C.) Christus werd door de Vader tot zonde gemaakt.
vervloekt:
12 Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. 13 Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. (Galaten 3)
Paulus refereert aan Deut.21:22-23:
22 Wanneer iemand een zonde begaat, waarop de doodstraf staat, en hij wordt ter dood gebracht en gij hangt hem aan een paal, 23 dan zal zijn lijk gedurende de nacht niet aan de paal blijven, maar gij zult hem dezelfde dag nog begraven, want een gehangene is door God vervloekt. -->
Christus was als gehangene
vervloekt door God, en je kwam als gehangene in je benarde positie vanwege zonden waarop de doodstraf stond. Vervloekt en gehangen als straf voor de zonde.
D.) Christus was als gehangene vervloekt door GodOp zich zijn deze drie (A., B., C. en D.) voldoende. Iedereen staat schuldig tegenover God (vanwege de zonde). Christus was zonder zonde, maar werd (voor ons) tot zonde gemaakt zodat wij gerechtigheid kregen
in Hem, terwijl Christus (door God) vervloekt was als straf voor (dood)zonde. Die elementen zijn (ruwweg) de rechtvaardigingsleer. Christus in plaats van ons, vanwege Gods toorn over onze zonde.
Het resterende punt, over "inlezing":
Maar mijns inziens is het aantoonbaar dat de betalingsleer 'ingelezen' wordt[/u] in woorden als verzoening, offer, bevrijding, redden, verlossen, rechtvaardigen, enz. -->
ongetwijfeld zal er soms "ingelezen" worden. Niet elk "offer" in het NT gaat over een schuldoffer. Jezus' dood wordt ook ergens een reukoffer genoemd, en de betekenis van Jezus' dood wordt óók in termen van bevrijding, overwinning en loskopen beschreven. In een beeld dat gaat over het vrijkopen van slaven is het vrij zinloos om dingen uit een ander beeld (zoals betalingsleer, rechtvaardiging) in te lezen. Als Jezus' dood als betaling voorgesteld wordt, gaat het om een bepaald aspect. Als Jezus' dood als overwinning (bv. op de dood, op de zonde, op de satan) wordt voorgesteld, gaat het om een militair beeld, en gaat het weer niet over het vrijkopen van slaven, etc.
Maar als het bv. in Hebreeën over
verzoening gaat, dan gaat het wel degelijk om plaatsvervanging, zonde en toorn. In Hebr. 9 staat het volgende:
1 Nu had ook wel het eerste (verbond) bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. 2 Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; 3 en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, 4 met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds; 5 daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden; hierover kunnen wij nu niet in bijzonderheden treden. 6 Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, 7 maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven. 8 Daarmede gaf de heilige Geest te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond.
(..)
24 Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen; 25 ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat, 26 want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld; maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen. 27 En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, 28 zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten. In Hebr. 9 (en 10:2-3) wordt Jezus' dood vergeleken met wat de hogepriester éénmaal per jaar deed in het heilige der heiligen. Wat deed de hogepriester daar eenmaal per jaar?
Grote Verzoendag (
Yom Kippur)!
Leviticus 16:
2 De HERE nu zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde kome in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterve; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel. 3 Slechts op deze wijze zal Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer. 4 Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft. 5 En van de vergadering der Israëlieten zal hij twee geitebokken ten zondoffer en één ram ten brandoffer nemen. 6 Dan zal Aäron de stier van zijn eigen zondoffer brengen en verzoening doen voor zich en zijn huis. 7 Hij zal de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht des HEREN stellen bij de ingang van de tent der samenkomst, 8 en Aäron zal over de beide bokken het lot werpen; één lot voor de HERE, en één lot voor Azazel. 9 Dan zal Aäron de bok waarop het lot voor de HERE gevallen is, brengen en hem ten zondoffer bereiden. 10 Maar de bok waarop het lot voor Azazel gevallen is, zal men levend voor het aangezicht des HEREN stellen, om daarmee verzoening te doen, door hem voor Azazel de woestijn in te zenden. (..) 15 Dan zal hij de bok van het zondoffer, voor het volk bestemd, slachten en zijn bloed naar binnen, achter het voorhangsel brengen, en met dat bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft: hij zal het op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen. 16 Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden; aldus zal hij doen met de tent der samenkomst, die bij hen verblijf houdt te midden van hun onreinheden. (..) 20 Wanneer hij de verzoening van het heiligdom en van de tent der samenkomst en van het altaar voleindigd heeft, dan zal hij de levende bok brengen, 21 en Aäron zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen in al hun zonden, belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen en die door iemand, die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten brengen. 22 Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land, en hij zal die bok in de woestijn vrijlaten. (..) 29 Dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn: in de zevende maand op de tiende der maand zult gij u verootmoedigen en generlei werk doen, zomin de geboren Israëliet als de vreemdeling, die in uw midden vertoeft. 30 Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht des HEREN. 31 Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen, het is een altoosdurende inzetting.Jezus' offer wordt in Hebreeën gelijkgesteld aan het offer op grote verzoendag (maar dan beter, eeuwigdurend), zie Hebr. 2:17 (
(..) opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. ). Op Grote Verzoendag werden de zonden plaatsvervangend door het bokje weggenomen en gedumpt in de woestijn. Toen Jezus stief scheurde het voorhangsel:
En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden. (Mar 15:38, ook Mat.27:51, Luc.23:45). De auteur van Hebreeën noemt Jezus' vlees (Hebr. 10:20) het voorhangsel.
Voor wat "verzoenen" precies doet, zie Exodus 32 (na het gouden kalf):
30 De volgende dag zeide Mozes tot het volk: Gij hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik opklimmen tot de HERE, misschien zal ik voor uw zonde verzoening bewerken. 31 Toen keerde Mozes tot de HERE terug en zeide: Ach, dit volk heeft een grote zonde begaan, want zij hebben zich een gouden god gemaakt. 32 Maar nu, vergeef toch hun zonde – en zo niet, delg mij dan uit het boek dat Gij geschreven hebt. 33 Maar de HERE zeide tot Mozes: Wie tegen Mij gezondigd heeft, zal Ik uit mijn boek delgen. 34 Maar ga nu heen, leid het volk naar de plaats waarvan Ik u gesproken heb; zie, mijn engel zal voor u uit gaan, maar ten dage van mijn bezoeking zal Ik aan hen hun zonde bezoeken.
35 Zo sloeg de HERE het volk, omdat dit het kalf gemaakt had, dat Aäron vervaardigd had. Verzoenen draait om het wegdoen van schuld en zonde.