quote:
elle schreef op 16 maart 2009 om 18:08:Zie hier:
elle in "homoseksualiteit binnen de gkv"Homoseksualiteit in romeinen 1 gaat over een situatie bij ongelovige heidenen. Niet over gelovige christenen-uit-de-heidenen. Die zijn in Christus gerechtvaardigd, dat is: dood voor de wet, levend door de Geest (rom 6-8). Wanneer homoseksuele christenen handelen uit liefde voor God en hun naaste, is er geen wet die daar iets tegen heeft (rom 13). Het betoog is kort samengevat in bijv de galatenbrief.
Imho.
Ik heb deze discussie even laten gaan. Ik heb een andere zienswijze en interpretatie en wil die graag delen...
Het gaat niet om een situatie van ongelovige heidenen op zich, maar het gaat over mensen die God KUNNEN kennen, maar dit naast zich neerleggen. Ze hebben een eigen wijsheid ontwikkeld en van schepselen goden gemaakt. Wanneer je het over heidenen hebt moet je eigenlijk een grote boog spannen van de schepping tot het moment dat Paulus dit schrijft. Ze hebben geen verontschuldiging.
om die reden heeft God hen aan hartstochten en onreinheid overgegeven. Ze hebben de waarheid vervangen voor leugen. En dan staat er het woordje AMEN.
Daarom (om die reden) zo vervolgt de tekst, heeft God hen overgegeven aan:
- het vervangen van de natuurlijke omgang (onrein handelen)
En daar zij (zie het verbindingswoordje
en wat koppelt aan de passage vanaf het woord
daarom) God niet erkennen heeft God hen overgegeven aan:
- het verwerpelijk denken (verblind denken)
- verwerpelijke daden (vruchten van het kwaad)
Dat zij daardoor gaan doen
wat niet betaamtIn vers 23 krijgt alles zijn beslag omdat dit vers weer terugwerpt op de passage vanaf vers 18, dat hoewel de Gods rechtseis kenden (het verdienen van de dood) doen ze het niet alleen zelf,
maar schenken ook nog bijval aan wie ze bedrijven. Het doen, maar ook het bijval schenken wordt kritisch omschreven.
Het romeins heidendom zat vol met religies. Het christendom, het evangelie van jezus Christus onderscheidde zich juist van al die religies. Ook op gebied van de natuurlijke omgang.
Als in dit stuk over heidendom wordt gesproken wordt niet in hoofdzaak gedoeld op de onreine tempeldiensten. Er wordt gewezen op het feit dat de heidenen Gods wegen moeten kunnen kennen. Ze dit bewust niet hebben gedaan. Dat de gevolgen daarvan zijn uitgelopen in de daden waar God hen aan overgegeven heeft.
Maar er word vervolgd in hoofdstuk 2 (die bijbelindeling verhinderd vaak de context lezen) Kennelijk hadden de joden er met de wet in de hand nogal een oordeel over. Daar maakt paulus dus kortemetten mee en zegt eigenlijk dat deze dingen ook onder hen voorkomen. Er staat dan ook dat God oordeelt zonder aanzien des persoons. Dat het wel of niet hebben-kennen van de wet niet het punt is, maar wat men van nature doet wat de wet gebiedt. Niet het horen, maar het doen van de wet. Zie leviticus 18 vers 22 en 23.
dagelijkse navolging van God kun je niet scheiden in kerk en staat.
(vandaar ook mijn vraag elders over de plaats van moraal en ethiek binnen de kerk en de rol van de kerk binnen de samenleving. We kunnen zeggen dat kerk en staat gescheiden zijn, maar de kerk maakt wel onderdeel uit van de samenleving en dient haar roepstem op deze terreinen te laten horen)
Wat mij betreft zou je als kerkgemeenschap om de homosexsuele broeder / zuster heen moeten gaan staat om hem te helpen niet te struikelen en wanneer dat gebeurt weer op te richten,
telkens weer. Niet louter toezien, maar betrokken zijn. Een open deur, geen gegiechel, geklets en geroddel. In dat licht is Romeinen 13 ook een goede richtingwijzer. De liefde doet de naaste geen kwaad. Maar hier staat het woord agapé. Dat is geen lichamelijke liefde, maar de onbaatzuchtige hemelse liefde die je kunt geven door de Kracht van de Heilige Geest, juist in de ondersteuning en bemoediging. Dat is heel iets anders dan ons calvinistische

vermanen. (beide vertalingen zijn overigens toepasbaar)