Toch interessant wat je allemaal kunt lezen over zo'n term 'adderengebroed'.

Ik ben een beetje aan het nadenken over zo'n term, die blijkbaar (K. Schilder zal zijn bronnen hier wel voor hebben, 'k zou het wel aardig vinden als we wisten waar hij deze dingen heeft gelezen) een geeigende aanspreekmanier was van geleerden onderling.
Ze zijn listig met woorden, niet te vangen etc.
Hoe ik daar over nadenk gaat een beetje als volgt:
- Jezus spreekt negatief over Farizeeen op het moment dat zij worden aangesproken als ' adderengebroed'. Vandaar dat de Farizeeen onder christenen in een negatief daglicht staan.
- Dit zou een verkeerde of iig een eenzijdig-negatieve benadering zijn aangezien de Farizeeen ook veel goede dingen hebben gedaan. Die goede dingen lees je over het algemeen niet zo erg terug in de Bijbel. Wel duidelijk is dat er wel Farizeeen tot geloof kwamen, maar dat was niet de groep als geheel. Die goede dingen waardoor je de 'groep' Farizeeen veel positiever zou gaan beoordelen,
moet je per definitie halen uit o.a. Joodse geschiedenis etc.
Bv:
Adderengebroed was onder de geleerden een 'normale' term om elkaar mee aan te spreken... Aldus Klaas Schilder.
- Met de buitenbijbelse bron, ga je dan die bijbelse term (zo noem ik termen die je in de bijbel tegenkomt voor een bepaalde zaak

) anders bekijken en eventueel dus ook anders invullen dan hoe je dat zou invullen als je puur de tekst bekijkt en wat Jezus allemaal over hen zegt.
Twee benaderingenDe menselijke -overdrachtelijke- betekenis van het woord adderengebroed, is positief: - mensen hebben in bepaalde bronnen opgeschreven dat 'adderengebroed' een normale term was in die tijd, niks negatief, eerder positief: listig met woorden en niet te vangen etc.
Mensen hebben beslist dat n.a.v. die invulling, het positief was.
Objectief-menselijk gezien hebben ze wrs dik gelijk: het is positief om slim te zijn en intelligent met woorden, goede redenaars etc. en zo'n aanspreektitel is dan niet negatief.
Conclusie zou kunnen zijn: Jezus moet het natuurlijk ook positief bedoelen, het was een normale aanspreektitel etc. (wat je dan met de rest moet wat daarna genoemd staat, weet ik dan niet; wordt dat buiten beschouwing gelaten?)
Wat ik dan voor het gemak noem:
de bijbelse -geestelijke- betekenis van het woord 'adderengebroed' kan desalnietemin anders worden ingevuld door Jezus, het kan toch zo zijn dat er in dat woord adderengebroed (wat allang bestond en een normale term was in die tijd in die situatie)
een diepere betekenis ligt die door Jezus wordt ontsluierd; hiermee worden dan ook de negatieve uitspraken helder - die Jezus uit na de aanhef: 'adderengebroed'.
Als je een beetje bijbels onderlegd bent, is de eerste associatie met slangengebroed, kinderen van de slang - geestelijk gezien: kinderen van de satan.
Dit komt zo voor in
quote:
Joh. 8
43 Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij mijn woord niet kunt horen. 44 Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. 45 Maar omdat Ik u de waarheid zeg – Mij gelooft gij niet.
Mijn conclusie is dan: Jezus als Zoon van God is de enige dit tegen hen kan zeggen: Hij kent hun harten. Hij zegt hier dat ze kinderen van de duivel zijn, d.i. van de oude slang.
De term adderengebroed heeft met deze achtergrondinformatie toch niet alleen die onschuldige betekenis van: voorzichtig, en listig, niet te vangen als de slangen.(de postieve kant aan slangen)
Als ik het verder bekijk zie ik in het OT bv dit over adders:
quote:
Ps 140,4
zij hebben hun tong gescherpt als een slang, addervergif is onder hun lippen.
Spr 23,32
ten slotte bijt hij als een slang en spuwt gif als een adder.
Hier zie je de negatieve aspecten terugkomen. Als Jezus waarschuwt voor de leer van de Farizeeen, dan kun je dat toch negatief duiden.
Wat ik voorlopig als conclusie wil trekken is deze:
De bijbel geeft een term die je in de andere literatuur ook tegenkomt.
Objectief gezien is het een positieve term, kun je die positief uitleggen.
In de bijbel zijn er echter naast die positieve uitleg die je wel mee kunt nemen als je de bijbel leest, verscheidene argumenten om Jezus te zien als Degene die welliswaar dezelfde term gebruikt, maar daar bijbels gezien toch een andere lading aan geeft.
K. Schilder heeft hier ook wat over te melden:
quote:
Bron: DE REFORMATIE jaargang 24, no 41, 9 juli 1949, p.342-343
Tweeërlei zaad, - tweeërlei mystiek lichaam, tweeërlei ,,community.”
Het allereerste wat benadrukt wordt is dat de vijandschap tussen vrouw en slang, het thema is van de eerste evangelieverkondiging op aarde. De vijandschap was niet bij de schepping ,,gezet’’ maar ze is door de singuliere zorg van God na de zondeval ,, in – gezet”. God wilde de weggelopen bondspartners weer in het gelid brengen, en kwam hen van over de démarcatielijn weer terug trekken. Deze vijandschap was geen biologisch natuurgegeven maar een christologisch geschenk. Ze betekende officiële oorlog tussen verleider en verleide.
Nu door Gód deze vijandschap – deze oorlog – is ingezet is er geen kwestie van dat er gedeserteerd kan worden: dienstplichtigen hebben geen vrije keus, het zijn geen losse individuen die er nog eens rustig over na kunnen denken of ze nu wel of niet mee gaan doen. Nee, ze zijn opgenomen in een rijks of staatsgemeenschap en vormen in en met haar een publiekrechterlijke grootheid.
De door God gezette vijandschap is een aangelegenheid van een zaad–dat–volk- is of van een volk dat een mystiek lichaam is:
JAHWEH ,,zet” vijandschap tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. Dat wil zeggen dat in dit volk de zichtbare eenheid niet verankerd is in natuurlijke en zichtbare verbindingen maar in geestelijke en onzichtbare verbindingen. Dit lichaam krijgt zijn ,,joints”, zijn verbindingsschakels aangevoerd langs verborgen wegen.
Wanneer Jaweh hier vijandschap “zet” tussen twee volken dan brengt dat rechtsgevolgen met zich mee – het is immers gebaseerd op de eerdere – maar door de mens geschonden – souvereine rechtsbepalingen van God. Juist vanwege deze door Jahweh gezette bepaling
gaat het hier níet om een biologische optelsom van afgegrensde ,,soorten’’ hetzij van slangendier hetzij van ,, mens-zoogdier’.’ Geen biologisch optelsom maar:
“Zaad móet hier betekenen geestelijk zaad, zaad als volk. ,, Volk” niet zoals het gegroeid is door natuurlijke samenwoning op een geografisch, of kosmografisch bepaald plekje, doch gelijk het samengevat en geregeerd is in een rijksverband , dat zijn laatste gronden vindt in de verordening van den (rechtmatigen, dan wel onrechtmatigen) Koning of ,,koning,” het Goddelijke Hoofd, dan wel ongoddelijke overste, de ,,overste van deze wereld,” de slang, de oude duivel.
Principiële positiekeus
De bijbel gebruikt herhaaldelijk het woord ,,zaad” in deze zin, en ‘begrip ,,volk’’ eveneens. Dat wil zeggen dus in deze politieke of staats-rechterlijke zin.
In dit verband worden we wel gedwongen daar aan te denken. Men heeft n.l. om de messiaanse strekking van Gen.3:15 te kunnen loochenen, vaak zo heel naïef gevraagd: hoe kan eerlijke exegese nu bij ,,zaad der slang” aan iets anders denken dan aan reptielen? Aan ander gebroed dan letterlijk op te vatten adderengebroed? Wij keren echter de zaak om: wij vragen op onze beurt: hoe kan men nu juist waar de masjaal, de raadselspreuk van Gen.
3:15 (naar de aard van een – nog wel in dichtvorm – gesproken gelijkenis) van een ,,dier’’ spreekt aan de jongen van een dier denken?
Zet Jahweh hier vijandschap tussen een natuurlijk adderengebroed in onderscheiding van een geestelijk ,,adderengebroed” ?
Let wel: In de Schrift wordt verder nergens gesproken zoals in Gen. 3:15 over zaad wanneer het gaat om nakomelingschap van dieren – dit is een ongebruikelijke verbinding.
Kijken we naar het geheel van de Schrift dan grenst de Schrift als zij van zaad spreekt - zie bijv. Jesaja 65 : 23 -25 , Galaten. 4 : 26 en Rom. 9 : 6, 7, 8 - daarbij groepsvorming uit natuurlijke afstamming duidelijk af van groepsvorming uit principiële positiekeus. De Schrift
wil een zaad – een volk – dat een door Christus verkoren gemeenschap is tot in alle eeuwigheid (Zie ook Joh. 1:12/13 STB).
Hier heeft Schilder het toch duidelijk over adderengebroed als term voor geestelijke nakomelingen van de oude slang, die vijandschap hebben tegen het zaad van de vrouw.