quote:
Titaan schreef: Vind je dat de Bijbel gezag heeft ?
quote:
Ignatius: Zeker. (..)
Hiermee kunnen we een gemeenschappelijke basis hebben.
Maar de kerk is voor mij geen onderliggende basis voor dit gezag, want de kerk bleek feilbaar omdat telkens profeten en zware straffen, haar moesten bekeren terug naar Gods Woord.
quote:
Ignatius:
(…) Vervolgens goochel je in een brei aan woorden met de termen Woord en Schrift alsof ze inwisselbaar zijn. (…)
We verschillen niet van mening dat onze Here Jezus Christus is: ‘het Woord’. Hij is Gods Woord, Hij is het vleesgeworden Woord. (Joh. 1:14, Openb.19:13, 1Joh.5:7, Joh.1:1, Hebr.1:1, Joh,17:

.
Alvorens hierna in te gaan op specifieke teksten waarbij het gaat over het Woord (als Jezus of als de Schrift), is het goed eerst te beseffen dat ook de Schrift daadwerkelijk is: Gods Woord.
1) De Bijbel is ‘Gods Woord’, (inleiding)Welnu, de Schrift is Gods Woord op de volgende manier:
Zij is de schriftuurlijke mededeling van wat God gesproken heeft.
Haar woorden zijn, al werden ze door mensen opgeschreven, de woorden Gods.
En dit is de Heilige Schrift in de eerste plaats om haar oorsprong en voorts om haar inhoud. Niet om een van beide, als zou alleen haar goddelijke origine haar tot het Woord des Heeren maken, maar om beide, en geen van deze twee mag worden verwaarloosd.
De eerste niet want het is juist de inspiratie door de Heilige Geest waarin het gezag van de Schrift rust, en de laatste niet want dit gezag zou waardeloos zijn wanneer de inhoud en origine elkaar niet dekten. Wat onder de drijving van de Geest tot stand komt moet in overeenstemming zijn met het wonder van de inspiratie, en het is onmogelijk dat de schrijvers wel zouden gestaan hebben onder de bijzondere leiding van God, en dat toch het product van hun schrijven feilbaar en louter-menselijk was.
Her eerste sluit het laatste uit. Omdat, zoals de apostel schrijft in de tweede brief aan Timotheus, al de schrift van God is ingegeven – en dit ziet op haar origine – zij is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardiging is (2 Tim3:16), en dit kan zij alleen door haar inhoud. Om die inhoud is het mogelijk dat de Schrift wijs kan maken tot zaligheid, en zo wijst de apostel duidelijk de eenheid tussen de goddelijke oorsprong en de goddelijke inhoud van de Schrift.
Beide maken haar tot het Woord des Heere.
quote:
Ignatius:
het van God ingegeven ‘schriftwoord’ slaat in dit verband op het OT en kan sowieso niet slaan op het NT want die was nog niet geschreven
2) De Bijbel is ‘Gods Woord’, (de gehele bijbel)De Bijbel is een eenheid. Het gezag geldt niet voor enkel een gedeelte van de Schrift. Maar is kenmerkend voor het geheel. Een eigenschap van het totaal
Toen het NT nog niet was geschreven was gold deze eenheid inderdaad voor het OT. Niet zomaar een eenheid, maar het geheel als het Woord van God.
Later worden NT-geschriften op 1 lijn gesteld met de OT geschriften, waardoor het OT en NT tot 1 geheel tot ons is gekomen met het gezag van ‘Gods Woord’. En vica versa, als Openb.22: 18,19 gezag claimt betreffende het boek openbaring (refererend aan Deut. 4:2; 12:32. Spr. 30:6), dan toont deze tekst aan dat het niet alleen het OT is dat gezag heeft,
maar dan is dit ook kenmerkend voor het geheel waartoe dat boek behoort, namelijk onze Bijbel, Gods Woord.
2a) Christus: OT als eenheid en als Gods Woordzie:
Christus en het OT2b) Apostelen: OT als eenheid en als Gods WoordDe apostelen hebben het spoor van hun Meester en Zender gevolg, doordat zij het Oude Testament als één geheel en als het werk van één goddelijke auteur, de Heilige Geest erkennen.
Getuigenis van de apostelen over de eenheid van het Oude Testament:
- Als het OT geciteerd wordt dan laten ze hun aanhalingen inleiden met:
Er staat geschreven, of de Schrift zegt, of God zegt, of hetgeen gesproken is door den Heere of door de Heilige Geest. (Matt.1:22; 2:15; Hand.1:16; 3:18; 4:25; 28:25)
De apostel Paulus gebruikt bijna altijd de uitdrukking: “
de schrift zegt” (b.v. want wat de schrift zegt Rom.4:3; 9:17; 10:11; 11:2; Galaten 3:8,22; 4:30).
In de brief aan de Hebreeën heet het:
“
God voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesprokken hebbende door de profeten” (hebr.1:1), en “
Daarom zegt de Heilige Geest”(hebr.1:1; 3:7; vgl.4:3; 5:6 etc.),
En altijd is voor hen het OT één geschrift van één auteur.
Dit licht vooral opgesloten in de bekende uitspraak van de apostel:
“
Alle Schrift is van God ingegeven” (2 Tim.3:16)
Karakteristiek is het citaat in Rom 3:10-18:
“10 Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;
11 Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.
12 Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.
13 Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.
14 Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;
15 Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;
16 Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;
17 En den weg des vredes hebben zij niet gekend.
18 Er is geen vreze Gods voor hun ogen.”Deze ene aanhaling bestaat uit zes onderscheiden citaten uit zes verschillende hoofdstukken:
Vs.10 is een woord uit Psalm 143:2
Vs.11 uit Psalm 14:2,3 en 53:3,4
Vs.12 en vs.13 uit Psalm 5:10 en 140:4
Vs.14 uit Psalm 10:7
Vs. 15 uit Jesaja 59:7,8 en spreuken 1:16
Vs. 16-18 uit Psalm 36:2
Al deze onderscheiden Schriftwoorden worden ingeleidt door “
gelijk geschreven is”, en dus als een eenheid beschouwt. Achter de schrijvers van deze woorden, achter de psalmisten en de profeten staat de Heilige Geest, Die dé auteur is van de Schrift.
De bijbel is niet een woord van mensen maar door God ingegeven; Gods Woord.
2 Tim.3:15, 16, 2 Petrus 1:19-21 (zie verder over deze tekst: H3)
2c) Het Nieuwe Testament completeert het OTzie:
Het Nieuwe Testament completeert het OT2d) NT Schriften op 1 lijn gezet met de Schrift.Het NT is niet voortgebracht door de wil van mensen: zie
deze link.
Verder, uit 2 Petrus 3:15-16 blijkt dat de Schriften van Paulus op 1 lijn gezet worden met de andere Schriften:
“
En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft, Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.”
2e) Conclusie van 2a t/m 2d: De Bijbel is Gods Woord. De eigenlijke auteur van de bijbel is God zelf; Het is Gods Woord.
Dit is de belijdenis van de kerk, en is ook altijd de belijdenis van de kerk geweest.
Een ieder die meent bij schijnbare tegenstrijdigheden of andere zaken die moeilijk door ons mensen zijn te verstaan, gedreven te worden tot kritische uitspraken over de Schrift, dient te beseffen dat zo’n uitspraak gaat over het werk van de Auteur. Het is kritiek over de woorden van de almachtige God.
Daarom is het goed dat er over dit punt ook veel gelijkgezindheid is:
-
Katechismus van de Katholieke kerk:105 God is de auteur van de heilige Schrift. (…)-
Katechismus van de Katholieke kerk:104 In de heilige Schrift vindt de kerk onophoudelijk haar voedsel en haar kracht, want daarin ontvangt zij niet alleen een menselijk woord, maar ook wat ze werkelijk is: het woord van God. 'Want in de heilige boeken treedt de hemelse Vader zijn kinderen vol liefde tegemoet en spreekt met hen'. -
Catholic Encyclopedia: - “God is the author of Scripture, the inspired writer is the organ of the Holy Ghost, Scripture is the Word of God”
- “The words scripture, Word of God, Spirit of God, God, in the sayings and writings of the Apostles are used
indifferently (Romans 4:3; 9:17).”
-
Paus“
De Heilige Geest heeft door bovennatuurlijke kracht de auteurs alzo tot het schrijven gedreven en bewogen, en hem alzo bij het schrijven bijgestaan, dat zij al datgene en alleen datgene, wat Hij beval, èn op de juiste wijze in hun geest opnamen, èn getrouw wilde optekenen, èn in geschikte bewoordingen met onfeilbare waarheid neerschreven;
anders zou Hij niet de auteur van de gehele Schrift zijn.”
Encycliek van paus Leo XIII , providentissimus Deus, van 18 nov. 1893.
3) Het profetische Woord, dat zeer vast isNu verder met de tekst 2Petrus 1:19
quote:
Ignatius:
Ten eerste gaat het vers in 2 Petr 1:19 over de Transfiguratie van Christus en Petrus verhaalt over zijn aanwezigheid daar en dat door die ervaring zijn vertrouwen op de woorden van de profeten is toegenomen. Niks over de bijbel als fundament dus. Het verband wat je impliceert is pure inlegkunde. Het vers uit de brief van Petrus heeft geen enkele andere relatie tot het gebed van Hannah uit 1 Samuel 2 dan een semantische.
2 Petrus 1:19-21“
En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op …”
Wat is ‘het profetische woord’ hier?
Hier kan
niet bedoeld worden b.v. de woorden van de profeten Mozes en Elia op de berg tijdens de verheerlijking op de berg (Mat17:3), want hoe kunnen de lezers van deze zendbrief dan “
daarop acht slaan” zoals staat in vers 19, terwijl ze er niet bij geweest waren. Het kan alleen slaan op de Schrift, en dat staat er ook duidelijk bij; een vers later wordt het namelijk genoemd ‘profetie der Schrift’. Het gaat dus heel duidelijk over de Schrift, over de bijbel van die tijd. En zoals eerder in deze bijdrage genoemd: als het NT op dezelfde lijn staat als het OT dan heeft genoemde eigenschap voor het OT ook betrekking op het NT. Oftewel, onze bijbel. [Denk ook aan het gebruik van
‘profetische Schriften”in Rom.16:26 “
Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt;]
De tekst gaat over de waarheid en betrouwbaarheid van hun verkondiging van het evangelie; van de kracht en toekomst van onze Here Jezus Christus.
Zij zijn namelijk geen kunstiglijk verdichte fabelen nagevolgd. Integendeel want:
- Allereerst waren ze zelf oor en ooggetuige, ze hadden het zelf aanschouwt (o.a. refererend aan de ontmoeting bij de verheerlijking op de berg, Matt.17).
- EN ze hebben ‘het profetisch Woord’ dat zeer vast is ( of vaster is). Het geschreven woord is zeer vast. ( zeer vast of vaster, zelfs in vergelijking met Gods stem die sprak vanuit de hemel)
Dus 2 heel duidelijke redenen voor de waarheid en betrouwbaarheid van het evangelie dat ze verkondigen. Op het laatste punt gaat Petrus nog verder in door ook uit te leggen waarom precies het Profetisch Woord zo vast is, namelijk:
Het is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.Dus omdat de Heilige Geest erachter zit. Oftewel het is zo vast omdat de Schrift Gods Woord is. De vastheid is geënt op God. Want god is onze vaste Rots. Logisch dat ik in dit verband de tekst daarbij citeerde waarin staat dat God onze enige rots is.
Daarom past bij de bijbel het beeld van een fundament, en sluit goed aan op wat de Schrift zegt in 2 Petr.1:19. En dit alleen omdat Woord en Geest als openbaring van God tot God zelf te herleiden is, want Hij is onze enige rots. (1 Sam.2:2)
Dat is ook de reden waarom in mijn bijdrage “dit fundament” geformuleerde staat als:
“Nu is volkomen waar dat zo’n absoluut gezag alleen God heeft. Hij is de waarheid. Hij is het licht en geen duisternis is in Hem. Maar omdat wij ons aan God als de waarheid onderwerpen, buigen wij ons ook onvoorwaardelijk voor Zijn Woord, omdat wij Hem uit Zijn Woord kennen, en voor de Schrift omdat zij is het door de Geest geïnspireerde en onder zijn onfeilbare leiding te boek gestelde Woord van God, dat niet liegen kan.”
quote:
Ignatius:
Ja, het is zeker door de Geest geïnspireerd omdat de schrijvers en de Kerk die het samenstelde door de geest werden geleid. Vanuit de Traditie dus, (…)
Christus heeft ons voorgehouden het gevaar van traditie. De Traditie is dus geen onfeilbare bron, zij moet getoetst worden aan Gods Woord, aan de Schrift. Telkens opnieuw omdat de tradities telkens ontsporen. Christus wijst heel duidelijk op het gevaar aan van tradities, zie
3b. Ongeijkte traditie is een gevaarquote:
(…) want de Geest dicteerde niet, maar inspireerde de schrijvers.
Ik zie niet het belang van het verschil of de geest de bijbel dicteerde of inspireerde.
Bij beide geldt, zoals eerder betoogt: de Bijbel is het Woord van onze God. Daar is Christus duidelijk over. God is de eigenlijke auteur.
quote:
ook met het oog op het door jou weggelaten vers van 1 Pet 1:20
Klaarblijkelijk vind je het belangrijk deze tekst niet weg te laten. Dus bij deze:
“
Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging;”
bij het lezen en verklaren mag je er dus niet van maken wat je wil; de Schrift geeft zelf aan hoe zij verklaard moet worden. Schrift met Schrift vergelijken. Dit vormt het beginsel voor alle zuivere exegese. (. De schrift ontleent haar gezag niet aan enig menselijke, altijd feilbare wetenschap, maar aan zichzelf, d.i. aan Hem die in haar tot ons spreekt]
quote:
God heeft ons geen index gegeven met welke boeken door Hem zijn ingegeven en opgenomen moeten worden in de canon. Daar heeft Hij een Kerk voor die dat gezag verleend.
De boeken van het Nieuwe Testament zijn in deze canon opgenomen omdat ze van goddelijk origine zijn en in de gemeente gezag hadden.. En niet omgekeerd, en ook de vorming van het Tweede Bijbeldeel heeft plaats gevonden onder leiding van de Heilige Geest. De Geest van God heeft niet alleen de schrijvers geïnspireerd; niet slechts de Schrift tot stand gebracht, maar die boeken ook verder bewaard. En de Kerk bij de aanvaarding van Zijn werk door Zijn goddelijk licht geleid. Zijn werk zou zelfs niet compleet zijn wanneer Hij Zich aan Zijn Kerk bij de vaststelling van de Canon had ontrokken en de producten van Zijn inspiratie had overgegeven aan louter menselijk goedvinden. Nimmer laat de Geest Zijn werk los. Hij “drijft” de profeten als zij het Woord Gods brengen. Hij werkt in hen wanneer zij het gesprokene opschrijven en hun Schrift teboek stellen. Hij leidt de redacteuren en verzamelaars zó dat de Heilige Schriften zo’n gestalte aannemen als dit in de raad des heils onder de middelen van de genade door God voor Zijn Kerk voorbestemd was. Maar hij is ook in het midden van Zijn Kerk wanneer deze de geschriften van het Nieuwe Testament bundelt. Dit blijkt uit de maatstaf (canon is eigenlijk rietstaf of meetroede) die de Kerk aanlegt.
De canon is niet een menselijk oordeel. De norm ligt niet in wat de Kerk goedvindt, maar de beslissende factor is of een geschrift in zichzelf goddelijke autoriteit bezit.
Voor haar heeft van de aanvang af gegolden de vraag, of de boeken zie zij bezat boeken waren die haar van Godswege toekwamen en waarvoor ze om die reden zwichten moest. En de beantwoording van deze vraag was de enige leidraad bij de vaststelling van de lijst van canonieke boeken.
Vooral in de Westerse Kerk is op deze betekenis van canoniek alle nadruk gelegd en zij heeft telkens weer met grote nauwkeurigheid gevraagd naar de
aard van de geschriften die zij te beoordelen had.
Zo heeft eigenlijk niet de Kerk een canon gemaakt. Die canon lag in de Heilige Schrift zelf en de Kerk heeft alleen beleden wat als geïnspireerde en canoniek geschrift in de gemeente reeds lang vast stond en gezag had.
Indien de kerk enig geschrift dat feitelijk niet geïnspireerd was, toch tot de rang van een geïnspireerd boek verheven had, zou zij aan een leugen zich schuldig maken.
4) De Bijbel, Gods Woord is krachtigMogen we de
Schrift met het
Woord Gods vereenzelvigen en kan alles wat van dit
Woord gezegd wordt, in dezelfde mate toegepast worden op de Bijbel?
Geldt van de Schrift, wat van het des Heeren Woord betuigt wordt, dat het blijvend, levend, krachtig, scherpsnijdend is en een kracht tot zaligheid (Jes.55:11, Hebr.4:12, 1 Petr.1:25)?
Op deze vragen zij eerst geantwoord dat de Schrift en het Woord Gods niet mogen vereenzelvigd worden, want dat de Schrift zelf in allerlei betekenissen van het Woord Gods spreekt. Het kan duiden de kracht Gods, waardoor Hij de wereld schept en onderhoudt, en het het woord van de kracht dat uit Jezus’mond uitging om de duivelen uit te werpen, de stormen tot stilte te brengen en de doden te doen verrijzen. Het wordt, zoals vanzelf spreekt, gebezigd als de openbaring van God aan de profeten en de apostelen. Het is ook hetgeen de profeten en apostelen zelf verkondigen. En valt ook meermalen samen met hetgeen reeds op schrift is gebracht en wij als Heilige Schrift bezitten. En in al die gevallen is het Woord Gods krachtig en levend, en het middel waardoor God werkt op geestelijk en zedelijk gebied.
Maar hieruit volgt terstond dat het
Woord en de
Schrift niet precies hetzelfde zijn, en dat het Woord Gods veel ruimer en breder van omvang is dan de Schrift.
Wanneer de Heere begint te spreken, b.v. in het paradijs en tot de aartsvaders, is er nog geen Schrift, en kan alleen het gesprokene en overgeleverde Woord het middel zijn van de genade, en wanneer Jezus Christus Zijn Evangelie doet uitgaan tot de Joden staat er van dat Evangelie nog geen letter op Schrift.
Wie dan ook het Woord Gods zou beperken tot de Schrift zou aan dat Woord te kort doen, en de heerlijkheid van de sprake des Heere niet aanschouwen in haar volle luister.
Maar deze onderscheiding geeft in geen enkel opzicht vrijheid om tussen de Schrift en het Woord Gods te scheiden, of vrijheid de Schrift alleen op te vatten als het getuigenis van het spreken van God. De Schrift is
zelf het Woord Gods. De schrift komt zelf tot ons als het Woord van God. Wat God gesproken heeft en door Christus is verkondigd, is zo “geschreven” dat de bijzondere werking van de Heilige Geest, die wij inspiratie noemen, die Schrift waarborgt te zijn het Woord des Heeren. En omdat die Schrift niet alleen het werk
was van de Heilige Geest maar nog altijd zijn werk
is; omdat de inspiratie in deze zin voortgaat dat de Geest Zijn eigen werk draagt en met Zijn actie vergezelt, belijden wij niet minder van de Schrift wat de Heilige Israëls spreekt:
Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende. (Jes.55:11)
Wanneer de Heilige Geest het Evangelie niet heiligt aan onze harten, dit Evangelie niet is een kracht tot zaligheid. De Geest werkt door het Woord, en zonder de werking van de Geest is het Woord ongenoegzaam tot zaligheid.
In de Bijbel op zichzelf ligt geen kracht om te bekeren. Het is instrument, genademiddel, en evenmin als de doop zelf de wedergeboorte of het avondmaal zonder meer de versterking van het geloof werkt, maar deze zijn alle middelen in de hand van de Geest om het werk van Christus toe te passen. Zo is ook de Schrift geen kracht tot zaligheid wanneer niet de Geest Zijn werking paart aan het woord.
Mits men dit niet verkeerd verstaat. En de kracht van de Bijbel niet miskent.
Mits men niet beweert dat de Schrift, dat het boek niets is.
En deze bewering niet grondt op de bekende tekst uit 2 Kor.3:6 “
de letter doodt, maar de Geest maakt levend”. Men leest dan alsof er stond: de letter
is doodt, en men heeft het dan over de
dode letter waaraan vele bekrompen mensen nog vasthouden en die wijken moet voor de
levende stromen van de Geest.
Maar dit alles zegt Paulus helemaal niet. Hij zegt niet dat de letter dood is, maar doodt, dood maakt, verdoemt, en zonde, toorn, vloek en dood werkt, en dat kan door dode dingen niet uitgericht worden. De letter
leeft dan ook terdege.
Paulus heeft het hier over de oud-testamentische bedeling, en van die wettische bedeling zegt hij hier dat zij een bediening der verdoemenis was (vs.9); in Rom.4:15:
de wet werkt toorn; en in 1 Kor.15:56:
de kracht der zonde is de wet. Er is dus geen sprake van dat wij in de letter zouden te doen hebben met iets doods; nee, die letter leeft en is krachtig, en wanneer er geen geloof is in de harten en de Schrift wordt verworpen, zal zij de zondaar verdoemen voor het heilig aangezicht van God.
Bovendien, in hetzelfde hoofdstuk schrijft Paulus de volharding van Israël niet toe aan een “dode letter”,
maar tot de huidige dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart (vs.15). En niet de Schrift die gelezen wordt (d.i. dus de veel versmade letter), valt weg voor de Geest, maar eenmaal wordt het deksel weggenomen (vs.16) en de Schrift blijft.
Hieruit volgt reeds dat het Woord Gods niet is een dood Woord. Het is volkomen waar dat de Heilige Geest Zijn werking moet paren aan het Woord om onze harten te vernieuwen, maar de Schrift is geen
dood boek.
Dat blijkt reeds uit die teksten waarin speciaal van de Schrift gesproken wordt als:
Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden (Rom.15:4).
En dit is nog duidelijker in die uitspraken van de Schrift waar van het Woord Gods en van de prediking van dat Woord wordt gesproken. Van het evangelie wordt gezegd dat het is
een kracht Gods tot zaligheid (Rom.1:6); het woord des kruises wordt genoemd
een kracht Gods ons, die behouden worden (1 Kor.1:18); de apostel zegt van zijn prediking dat zij was
in betoning des Gestes en der kracht ( 1 Kor.2:4); hij stelt het Evangelie als
de kracht Gods tegenover de wijsheid van mensen ( 1 Kor.2:5); door het Evangelie, dat hij verkondigd heeft, is er heil want:
door hetwelk gij ook zalig wordt ( 1 Kor.15:2) en:
nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt (Ef.1:13); hij dankt God zonder ophouden,
dat, als gij het woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft ( 1 Thess.2:13). En in deze laatste woorden drukt de apostel zich sterk uit dat de prediking
werkt in degene die geloven. Deze werking kan niet uitblijven want het Woord is
levend en blijvend ( 1 Petrus 1:25); het schijnt als een licht in een duistere plaats ( 2 Petr. 1:19); het wordt door de Heiland vergeleken met een zaad dat in de harten gestrooid wordt (Matt.13:3); van het woord dat de apostelen spraken wordt gezegd dat het
wies en vermenigvuldigde (Hand.12:24); Paulus vergelijkt de prediking en zijn arbeid, met planten en natmaken (1 Kor.3:6), en in Hebreën 4:12 leze wij deze woorden:
Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. Het Woord Gods wordt
levend genoemd tegenover alle doodsmacht in deze wereld. Het heet
krachtig omdat het werkt als een krachtig medicijn. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard, en waar het treft is het raak. Het gaat door tot het innerlijkste van ons zieleleven, en legt de diepste roerselen van ons hart bloot. Het is een oordeler, rechter, een criticus van onze gedachten en velt over ons geen licht vonnis, en zonder te sparen wijst het alle ongerechtigheden en vormenreligie en schijnvroomheid aan. En dat kan ook niet anders. Want het is het Woord van God, Die in Zijn Woord tot ons spreekt en niet duldt dat wij Zijn Woord bekritiseren, maar in dat Woord ons kritisereerd.
En, zo gaat de Hebreënbrief verder,
en daar is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen desgenenen, met Wie wij te doen hebben (vs.13).
Om al die redenen is Gods Woord nooit ledig en ijdel.
Het keert, zoals de profetie van Jesaja zegt, niet ledig tot God weer.
Het doet al wat Hem behaagt en volvoert steeds Zijn wil.
De Heilige Schrift noemt dan ook tal van werkingen op, die de vrucht zijn van het Woord, en die de Heilige Geest door middel van het Woord tot stand brengt. In de eerste plaats is telkens sprake van de wedergeboorte, van vernieuwing van de mensen, als vrucht van het Woord.
Ik heb u, zegt de apostel Paulus,
door het Evangelie geteeld (1 Kor.4:15), en de apostel Petrus roept de ‘verstrooide’ Christenen toe: Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God ( 1 Petrus 1:24). Verder wordt het
geloof genoemd als gewrocht te worden
uit het gehoor, en het gehoor uit het Woord Gods (Rom.10:17). Van de
verlichting des verstands heet het:
…
om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, en allen te verlichten etc. (Ef. 3:8,9; vgl. 2 Kor.4:4-6).
Ook zijn
onderwijzing verbetering, vertroosting, etc. vruchten van de werking van het Woord en bijzonder van de Schrift (Rom.15:4; 1 Kor.14:3; 2 Tim.3:15),
En het Nieuwe Testament raakt niet uitgejubeld over deze Godverheerlijkende uitwerking van het Woord. En ook de donkere, zwarte kant van de dood en de verderfenis wordt niet vergeten. Het Evangelie oefent ook zijn werking uit in degenen die verloren gaan. Het keert immers nimmer ledig weer, en het doet ook in hen, wat god behaagt, en dan is de werking van het Woord ontzettend:
Het woord des kruises is dengenen, die verloren gaan, dwaasheid, en de Joden een ergernis ( 1 Kor. 1: 21, 23). Het Evangelie is in degene die verloren gaan,
een reuk des doods ten dode ( 2 kor. 2:16). Degene die ongehoorzaam zijn, stoten zich aan het Woord ( 1 Petr.2:

, gelijk de prediking van het Evangelie een sleutel van de hemelen is, niet alleen om het koninkrijk te ontsluiten, maar ook om het toe te sluiten en de deuren toe te vergrendelen.
Het woord is geen ijdele klank, geen ledig teken, geen koud symbool; maar alle woord, ook van de mens, is een macht, groter en duurzamer dan de macht van het zwaard; er zit gedachte, geest, ziel, leven in. Indien dit geldt van het woord in het algemeen, hoeveel te meer van het woord dat van Gods mond uitgaat en door Hem gesproken wordt? Dat is een woord, dat schept en onderhoudt, oordeelt en doodt, herschept en vernieuwt, altijd zijn werking doet en nooit ledig wederkeert.
Bij een mensenwoord maakt het een groot verschil of het geschreven of gedrukt is, gelezen of gehoord wordt; en bij het gesproken woord is wederom de vorm en voordracht van de grootste betekenis. Ook hangt de macht van een mensenwoord af van de mate waarin iemand zijn hart, zijn ziel, erin neergelegd heeft, van de afstand die tussen de persoon en zijn woord bestaat.
Maar bij God is dit anders. Het is altijd Zijn Woord; Hij is er altijd bij tegenwoordig. Hij draagt het steeds door Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht; Hij is het altijd zelf die in wat vorm en door wat middelen dan ook het tot de mensen brengt en er hen door roept.
Daarom al is het woord van God, dat in toespraak, boek of geschrift tot de mensen gebracht wordt, wel uit de Heilige Schrift genomen maar niet met die Schrift gelijkvormig, toch is het een woord van God dat van Godswege tot de mensen komt door de Heilige Geest gesproken wordt en daarom ook altijd zijn werking doet.
Het woord van God is nooit los van God, van Christus, van de Heilige Geest;
Zo is dan het Woord des Heeren altijd een kracht Gods en een zwaard des Geestes, en dit blijkt ook duidelijk bij het gebruik van de Heilige Schrift.
Van de prediking kan niemand zich ooit losmaken. Wanneer Christus door Zijn Kerk en nader door Zijn dienstknechten Zijn Evangelie tot ons heeft doen uitgaan, bindt dat Evangelie ons, omdat in die prediking een boodschap was van de Zender Zelf, die ons blijvend verantwoordelijk stelt. Geloven wij deze boodschap en nemen wij haar vertrouwend aan, de belofte van het Evangelie wordt aan ons vervuld, maar wijzen wij haar af, ook al kwam ze slechts eenmaal tot ons, God laat geen enkele dreiging welke Zijn Woord bevat, tegen ons allen vallen.
De apostel Paulus noemt dit een reuk des levens ten leven en een reuk des doods ten dode, of zoals er letterlijk staat: een reuk uit leven tot leven en een reuk uit de dood tot dood. En dat zegt Paulus niet van Christus, maar van de verkondigers van Christus.
Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; Dezen wel een reuk des doods ten dode; maar genen een reuk des levens ten leven. (2 Kor.2:15,16)
De verkondiger van het Evangelie is door het Evangelie dat hij predikt, en door de Schrift die hij opent, het uitgangspunt van een leven of dood-aanbrengende macht. Hij is in de vervulling van zijn ambt enkel en alleen door het Woord dat hij bedient, als een reuk, die voor de een tot een adem des levens , voor de ander tot een dodend vergif wordt.
Precies dezelfde gedachte vinden wij in de profetie van Ezechiel, waar dit woord des Heren tot de profeet komt, een woord waarin voor alle dienstknechten en predikers een machtige roeping van de de Heeren ligt:
Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.
Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?Zo ernstig is de prediking van het Woord.
Voor die ze brengen en die ze horen.
En zalig is hij die dit hoort en het bewaart.
Want naar dat Woord zal God in dit en in het toekomende leven oordelen.
Het evangelie zal de maatstaf zijn voor onze hemelse Rechter.
Hij zal vragen of u Zijn getuigenis en dus ook Zijn Schrift hebt aangenomen of verworpen,
en
indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.( Openb.22:19)
Mits wij de kracht van het Woord van de Heeren niet beperken tot de ambtelijke verkondiging of tot welke prediking van het Evangelie dan ook. Er is naast deze bediening van het Woord ook een persoonlijke gebruik in de gezinnen en voor het eigen individueel leven. Elke lezing en overdenking van de Heilige Schrift in de kring van het gezin of in het particuliere leven is een openen van Gods Woord. En in dat openen komt de Heere met een boodschap tot ons, die niet ledig tot Hem terugkeert. En sterker nog, Zijn Woord is zelf de goddelijke aankondiging, dat Hij geen lust heeft in onze dood, maar daarin dat wij ons bekeren en leven.
En ieder die dit aanbod van de genade versmaadt, versmaadt het leven en kiest voor de dood.
Indien deze dingen sterker onder ons leefde, zouden wij voorzichtiger en tederder met de Schrift omgaan, en zouden wij Gods Woord meer en heilig bewaren.
Op dezen zal Ik zien, spreekt de Heere; op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft (Jes.66:2).
En dit beven voor Gods Woord wordt geboren, ja door de wederbarende werking van de Heilige Geest, maar ook uit het besef dat dit Woord is een kracht ten leven of ten dode, en dat zij nooit werkloos blijft. Zij spreekt zalig of zij verdoemt. Zij opent of zij sluit; indien zij niet is tot een opstanding, is zij tot een val.