De kwestie Melchisedek vs Jezus lijkt enige verwarring op te leveren. Wat valt hier nog over te zeggen?
Wat staat er in het OT vermeld over Melchisedek? Weinig, is de conclusie:
Genesis:
14:17 Toen Abram na zijn overwinning op Kedorlaomer en de andere koningen terugkeerde, kwam de koning van Sodom hem tegemoet in de Sawevallei, de Koningsvallei. 14:18 En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste, 14:19 en sprak een zegen over Abram uit:
‘Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste,schepper van hemel en aarde.
14:20 Gezegend zij God, de Allerhoogste: uw vijanden leverde hij aan u uit.’
Abram gaf aan Melchisedek een tiende van wat hij had heroverd.
En:
Psalm 110:
110:4 De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug:
‘Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek was.’
Piebe linkte al naar Wikipedia (zaterdag 19 december 2009 14:40). Het vertalen van dit psalmvers blijkt lastig; het levert geen 100% eenduidige tekst op:
Verschillende (christelijke) vertalingen (oa NBG51, NBV) lezen: Priester naar de orde van Melchisedek, naar de wijze van Melchisedek, zoals Melchisedek was...
JPS 1917 meldt: 'Thou art a priest for ever {N} after the manner of Melchizedek.'
Maar de New Jewish Publication Society of America Version (van 1985) geeft:
You are a priest forever, a rightful king by My decree.
Naardense bijbel:
Gezworen heeft de ENE en het zal hem niet berouwen:
'jij bent príester voor éeuwig,
krachtens mijn úitspraak
een Mélchisedék!'
de Hebreeënbrief geeft ("kiest", gaat voor, leert...): jij bent hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was. Neemt dus stelling in de kwestie.
Wat zegt Hebreeën nu over Melchisedek?? En wat over Jezus??
Over Jezus:
* 2:14 Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel,
* 2:17 Daarom moest hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden.
* 5:9 En toen hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd hij voor allen die hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding, 5:10 omdat God hem heeft uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchisedek dat was.
Hier staat dus: de Zoon is mens geworden, om door zijn dood definitief af te rekenen met de duivel; Hij kon alleen optreden als bemiddelaar, als hogepriester, als Hij in alles gelijk was geworden aan de mens; en toen hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was werd Hij uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchisedek dat was. De brief betoogt dus dat het hogepriesterschap van Jezus een aanvang heeft in de tijd... (dit gesteld tegenover andere beweringen in dit topic...)
Maar wat bedoelt de schrijver met dit hogepriesterschap zoals van Melchisedek?
In 6:2 gaat hij in op de weergave van Psalm 110:4 "hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was". Hier start een betoog dat doorloopt t/m hoofdstuk 10. Wat zijn de lijnen van dit betoog?
Over Melchisedek:
* 7:2 Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’, en verder is hij ook koning van Salem, dat is ‘koning van de vrede’.
* 7:3 Hij heeft geen vader of moeder, geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en lijkt op de Zoon van God – hij is priester voor altijd:
ἀφωμοιωμένος δὲ τῷ υἱῷ τοῦ θεοῦ, μένει ἱερεὺς εἰς τὸ διηνεκές.
ἀφωμοιοω: sterk lijken op, maken als...
slaat het "hij is priester voor altijd" nu op Mechisedek of de Zoon van God?!
NB: dit vers sluit een gelijkstelling van beide personen uit!!
2e opmerking: het is Melchisedek die lijkt op de Zoon van God, en niet andersom!! Het is een gelijkenis die op de Zoon van God vooruitwijst...
De Korte Verklaring van Grosheide legt uit: deze uitspraak (priester voor altijd) heeft betrekking op het priesterschap van Melchisedek, en niet op de priester zelf. In die zin, dat Melchisedek het priesterschap niet heeft verworven door afstamming (van een priester) en ook niet heeft overgedragen aan een nakomeling.
7:15 Nog duidelijker (nl: 7:12, dat de aard van het priesterschap veranderd is..) wordt het als we ons realiseren dat deze nieuwe priester, het evenbeeld van Melchisedek, 7:16 geen priester geworden is op grond van de in de wet vereiste menselijke afstamming, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven. 7:17 Over hem wordt immers verklaard: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’
Mijn conclusie: het priesterschap van Melchisedek lijkt "uit de lucht te vallen": het stoelt niet op een afstamming van Aäron maar is van een andere orde. Vanwege het feit dat zijn afstamming en overdracht van het priesterschap doen denken aan een "eeuwig priesterschap", wordt vooruitgewezen naar de Zoon van God, waarvan pas echt in de Schrift gemeld wordt dat deze een onvergankelijk leven heeft; en door de kracht van dit onvergankelijk leven is Hij aangewezen als "priester, naar de orde van Melchisedek" en dus pas echt "priester voor eeuwig" te noemen. De persoon Melchisedek wees vooruit; Christus is daadwerkelijk "priester zonder einde".
* 7:6 Maar hoewel hij niet met hen verwant was, heeft Melchisedek tienden geïnd van Abraham en hem gezegend aan wie de beloften gedaan zijn: Hij was groter dan Abraham. En vervolgens: ook Levi heeft (in Abraham) de meerdere erkent in Melchisedek. Het priesterschap van Melchisedek staat hoger dan dat van Aäron .
De conclusie van Hebreeën: 7:28 De wet stelt mensen aan als hogepriester, en mensen zijn behept met zwakheid, maar met de bekrachtiging onder ede die later werd uitgesproken dan de wet, is de Zoon aangesteld, die voor altijd de volmaaktheid heeft bereikt.
En hier geeft de brief de kern aan van het betoog: 8:1 De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit 8:2 en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht. Hier wordt dus niet naar Melchisedek gewezen maar naar Jezus.
Conclusie: Melchisedek is "ten tonele gevoerd" om iets te zeggen over het priesterschap van de Zoon van God. Om duidelijk te maken wat Zijn priesterschap inhoudt, om het te rechtvaardigen, ondanks het feit dat Hij niet van Aäron afstamt maar van Juda, sterker: van een hogere orde is. En om uit te leggen dat er sprake is van een veranderd priesterschap, een nieuw verbond met God. En hierna gaat de brief verder over Jezus:
Over Jezus:
* 8:6 Maar Jezus is dus aangesteld voor een eerbiedwaardiger dienst, in die zin dat hij bemiddelaar is van een beter verbond, dat zijn wettelijke grondslag heeft gekregen in betere beloften.
* 9:24 Christus is immers niet binnengegaan in een heiligdom dat door mensenhanden is gemaakt, in de voorafbeelding van het hemelse heiligdom, maar in de hemel zelf, waar hij nu bij God voor ons pleit. 9:25 Hij brengt daar niet telkens opnieuw het offer van zijn leven; hij is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar het heiligdom binnengaat, en dat met bloed dat niet het zijne is, 9:26 want dan zou hij sinds de grondvesting van de wereld telkens opnieuw hebben moeten lijden. Nee, hij heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen. 9:27 Eens moeten mensen sterven en daarna volgt het oordeel. 9:28 Net zo zeker is het dat Christus, die eenmaal is geofferd om de zonden van velen te dragen, voor een tweede maal zal verschijnen om te redden wie hem verwachten, maar dan gaat het niet meer om de zonde.
* 10:19 Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom, 10:20 omdat hij voor ons met zijn lichaam een weg naar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen. 10:21 We hebben nu een hogepriester die dienst doet in het huis van God; 10:22 laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn en ons lichaam met zuiver water is gewassen.
Samengevat: Met de komst (of bij zijn verheerlijking na de opstanding) van Jezus is een nieuw verbond met God ingegaan. De nieuwe hogepriester, Jezus, heeft met een eenmalig offer, het offer van zijn leven, voor eens en altijd de zonde teniet gedaan, definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel (2:14). En hiermee heeft Hij voor ons de weg naar een nieuw leven gebaand: niet meer bang voor straf en oordeel, nee: wij mogen zonder vrees binnengaan in het heiligdom (het leven "in de komende eeuw", bij de wederkomst van Christus). Ofwel: een leven niet meer onder de wet maar vanuit een vervulde wet (met evengoed de verwachting bij God dat wij leven vanuit dat geloof: ofwel: Kom in actie!!! Leef ernaar!!!).
Of er nu letterlijk gedacht moet worden in termen van "hogepriester" en "eenmalig offer", of dat e.e.a. ook m.n. allegorisch moet worden opgevat (om, in de toehoorders - Hebreeërs, bekend met de offerdienst die nog volop in bedrijf was (b.v. hoofdst 10:1-2!!) - begrijpelijke termen, uit te leggen wat Christus heeft gedaan voor ons mensen), dat is een kwestie van een andere orde. (Er loopt momenteel een discussie over in een ander topic).