Een paar voorbeelden van deze site:
Matthéüs 5 : 22.
AV. 1611: But I say unto you, That whosoever is angry with his brother without a cause shall be in danger of the judgment: and whosoever shall say to his brother, Raca, shall be in danger of the council: but whosoever shall say, Thou fool, shall be in danger of hell fire.
St.Vert.: Doch Ik zeg u: Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Ráka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
NBG-’51: Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.
GrootN.: Maar ik zeg u: ieder die kwaad is op een ander, moet zich voor de rechtbank verantwoorden. Als iemand een ander uitmaakt voor nietsnut, moet hij zich verantwoorden voor de Hoge Raad, en als iemand een ander gek noemt, moet hij ervoor boeten in het hellevuur.
Willibr.(RK): Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.
Toelichting: Alhoewel Rome hier meer weglaat, zien we toch dat de nieuwe vertalingen Rome volgen, door ‘ten onrechte’ uit de Bijbeltekst weg te laten. Jezus Christus zei tot de Joden: “Wie van u overtuigt Mij van zonde?” (Joh. 8 : 46a). Nu, de vertalingcommissies van tegenwoordig denken zo slim te zijn om dat te kunnen! Jezus Christus werd wel degelijk boos in Zijn leven hier op aarde. Hij sloeg met een gesel de Tempel leeg (Joh. 2 : 13 – 17). Hij veroordeelde een vijgeboom zonder vrucht (Matth. 21 : 19). De vertalingcommissies hebben het woord ‘ten onrechte’ geschrapt, en veroordelen Jezus Christus van zonde! Gods Woord heeft een ander oordeel. Boosheid mag! Maar niet ten onrechte (Ef. 4 : 26)! Ziet u dat de Reformatie-tekst van onze Statenvertaling en de Engelse King James 1611 het bij het rechte eind hebben?
Matthéüs 19 : 17.
AV. 1611: And he said unto him, Why callest thou me good? there is none good but one, that is, God: but if thou wilt enter into life, keep the commandments.
St.Vert.: En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.
NBG-’51: Hij zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden.
GrootN.: Jezus zei: ‘Waarom vraagt u mij over wat goed is? Er is maar één die goed is! Als u het eeuwige leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden.’
Willibr.(RK): Hij zeide hem: ‘Waarom wilt ge van Mij weten wat goed is? Eén slechts is er goed. Als gij het Leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden.’
Toelichting: Deze tekstwijziging is afkomstig van Origenes (filosoof) uit Alexandrië. We zien hier een duidelijk filosofische invloed op de Bijbeltekst. Deze tekst is één van de grootste teksten in Gods Woord, die aan de ene kant de kleinheid en de verdorvenheid van de mens laat zien en aan de andere kant de Godheid van Jezus Christus. Geen enkele orthodoxe Joodse leider zou vragen naar wat het goede is. De vraag (zie ook vers 16) had niet direct betrekking op ‘het goede’, maar op het ‘eeuwige leven’. De jonge man vraagt Jezus niet over ‘het GOEDE’, maar wat voor goeds hij moest doen. Het antwoord van Jezus gaat eerst in op de manier van aanspreken van de jongeling: ‘Goede Meester’ (vers 16), iets wat in de nieuwe vertalingen maar weggelaten is, om op een vaag antwoord uit te kunnen komen. Daarna gaat de Heere Jezus hier verder op in, door woorden te spreken met het effect dat “indien Ik niet goed ben, ben Ik niet God; en indien ik niet God ben, dan ben Ik niet goed.” Jezus zegt: “Niemand is goed dan Eén, namelijk God. De jongeling geeft in zijn aanspreken van de Heere Jezus dus een soort getuigenis! Maar juist deze uitspraak van Jezus brengt de ‘waardigheid van de mens’ een diepe slag toe: de mens is niet goed, de mens is niets. Dat steekt de (Griekse) ‘Christelijke’ wetenschapper. Daarom moet de uitspraak ‘Goede Meester’ ook maar verdwijnen en plaats maken voor slechts alleen ‘Meester’. Pas daarna komt het antwoord van de Heere Jezus op de vraag van de jongeling.
Markus 1 : 2, 3.
AV. 1611: As it is written in the prophets, Behold, I send my messenger before thy face, which shall prepare thy way before thee. The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye the way of the Lord, make his paths straight.
St.Vert.: Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. De stem des roependen in de woestijn: Bereidt de weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.
NBG-’51: Gelijk geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal; de stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden,
GrootN.: Het begon zoals het bij de profeet Jesaja staat beschreven: Hier is mijn gezant, zegt God; ik stuur hem voor u uit om voor u de weg te effenen. Hoor! Iemand roept in de woestijn: Baan een weg voor de Heere, zorg dat hij over rechte paden kan gaan.
Willibr.(RK): Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie ik zend mijn bode voor u uit, die voor u de weg zal banen; een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de heer, maakt zijn paden recht,
Toelichting: Door de zogenaamde Septuaginta te gebruiken, de vijfde kolom in de Hexapla van Origenes, hebben verschillende ‘kerkvaders’ aangenomen dat deze teksten een citaat zijn van de profeet Jesaja. Hoewel de oude Reformatie-Bijbels verwijzen naar ‘de profeten’ hebben onze nieuwe vertalingen zich aangepast aan het werk van Origenes en zijn aanhangers. De nieuwe vertalingen verwijzen dan ook niet naar ‘de profeten’ maar naar ‘de profeet Jesaja’. Dat de Reformatie-Bijbels (Statenvertaling en King James 1611) het bij het rechte eind hebben, blijkt uit het feit dat de profeet Maleáchi spreekt over de bode die vooruit gezonden wordt (Mal. 3 : 1). Mark. 1 : 3 verwijst namelijk naar Jesaja 40 : 3 en vers 2 naar Maleáchi 3 : 1. Zoek deze verwijzingen eens op! Er wordt in dit gedeelte dus verwezen naar twee profeten (meervoud!). Waarom moest de verwijzing naar meerdere profeten wegvallen, met in dit geval het resultaat dat mensen niet zouden uitkomen bij Maleáchi 3 : 1? Maleáchi zegt namelijk: “Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht…” We zien hier duidelijk dat God spreekt over Zijn aangezicht, het aangezicht van de Heere God Jehovah van het Oude Testament, wat vervolgens inhoudt dat Jezus Christus Jehovah God is, gemanifesteerd in het vlees! Ziet u hoe men de verwijzingen naar de Godheid van Jezus Christus probeert weg te werken in de nieuwe vertalingen?
Laat ik de vraag wat verbreden.
In hoeverre mag je je bij het kiezen van een vertaling laten leiden door de basis-aannames van het christelijk geloof? De eerste christenen hadden geen Bijbel. Zij kwamen tot geloof door 1 gebeurtenis (de opstanding) en 1 "theologisch principe" (de genade). Het geloof, dus niet de teksten, zijn het uitgangspunt.
Als wij in tien grondteksten zes keer "Jezus Christus" vinden, en vier keer "Jezus Christus de Zoon van God", moeten we dan democratisch kiezen voor het eerste, of moeten we de teksten aanhouden die het meest christelijk zijn vanuit het geloof dat er al is? Niet dat je dingen erbij moet verzinnen die nergens staan, maar ik bedoel meer bij "twijfelgevallen".
Als er, zoals bij de NBV, niet-christenen actief meewerken aan de vertaling, lopen we dan niet gevaar op een te vrijzinnige vertaling omdat uit democratie en niet uit geloof wordt g