quote:
P. Strootman schreef op 05 maart 2005 om 09:34:(..) valt het mij toch op, dat je nogal eens voorbijgaat aan bepaalde punten, waar ik de aandacht op vestig. Neem nu Matt. 22.41-46. Nog een keer: Jezus vraagt aan de schriftgeleerden, wiens zoon David is. Zij antwoorden: Davids zoon. Maar Jezus wijst dit antwoord ten stelligste af, door te zeggen:'Hoe kan David Hem dan door de geest zijn Here noemen, als hij zegt:'De Here zei tot mijn Here.....'. Jezus sprak dus in de 3de persoon. Hij vroeg niet: Wiens zoon ben IK! Hoe verklaar jij nou zo'n tekst? En Wie zijn die Here, die tot zijn Here zegt.'...? Ik concludeer uit Jezus' woorden, dat zelfs Hij, de Christus, die in Hem woont, ziet als de Zoon van God.
Piet Strootman
Piet, als ik vergeet op belangrijke punten te reageren, dan is dat niet expres. Wij produceren allebei in elke post een enorme berg aan claims, en we kiezen allebei een selectie om op te reageren in onze volgende posts. Ik probeer om met name op het meest essentiele te reageren.
Jezus spreekt vaker in de derde persoon over zichzelf, bv ook hier:
quote:
Mattheus 8.18-22
18 Toen Jezus een schare rondom Zich zag, beval Hij te vertrekken naar de overkant. 19 En er kwam een schriftgeleerde tot Hem en zeide: Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen. 21 Een ander echter, een van zijn discipelen, zeide tot Hem: Here, sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven. 22 Maar Jezus zeide tot hem: Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.
Jezus refereert hier aan zichzelf in de derde persoon, omdat Hij dan kan uitleggen dat het om het volgen van een nederig persoon (Zoon des Mensen) gaat! Jezus is de knecht des heren die in Jesaja geprofeteerd werd. Het is 1 van z'n titels, en deze titel geeft duidelijk aan dat volgen van Hem niet glorierijk is, maar dat het een zwervend bestaan zou gaan worden voor de vraagsteller.
quote:
Matth.11
2 Johannes nu hoorde in de gevangenis de werken van de Christus en liet Hem door zijn discipelen de vraag overbrengen: 3 Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? 4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: 5 blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie. 6 En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.
Hier refereert Jezus aan de daden die
Hij gedaan heeft, namelijk alle genezings-wonderen in de 3e persoon, maar Hij sluit wel af met 'zalis is wie aan
mij geen aanstoot neemt'. Hij had ook kunnen zeggen "ik liet blinden weer zien en lammen weer wandelen, ..." maar het maakt niks uit. De boodschap was duidelijk richting Johannes (de doper). Jezus is
de Christus!
quote:
matt.12
38 Toen antwoordden Hem enige der schriftgeleerden en Farizeeën en zeiden: Meester, wij zouden wel een teken van U willen zien. 39 Maar Hij antwoordde hun en zeide: Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet. 40 Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten. 41 De mannen van Nineve zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier. 42 De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht en het veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier.
Dit is een mooi voorbeeld van hoe Jezus anderen in de 3e persoon
ipv in de 2e persoon aanspreekt. Meestal spreekt Jezus in discussies gewoon met 'gij' of 'u' of 'jullie', maar hier generaliseert Hij! Deze vragenstellers zijn boos en overspelig, maar niet alleen zij, maar iedereen die dit soort vragen stelt. Vandaar dat Jezus in het algemeen spreekt (3e persoon). Hij had ook kunnen zeggen: "Jullie, en de rest, zijn een boos en overspelig geslacht". Overigens refereert Jezus hier ook weer (met een afstandelijke 3e persoon) op de vraag naar een teken, door z'n nederige voorkomen als Zoon des Mensen te benadrukken.
quote:
matt.13
53 En het geschiedde, toen Jezus deze gelijkenissen ten einde gebracht had, dat Hij vandaar wegging. 54 En in zijn vaderstad gekomen, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden: Vanwaar heeft Hij die wijsheid en die krachten? 55 Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas? 56 En behoren zijn zusters niet allen bij ons? Vanwaar heeft Hij dan dit alles? 57 En zij namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is alleen in zijn vaderstad en in zijn huis ongeëerd. 58 En Hij deed daar niet vele krachten wegens hun ongeloof.
Jezus gaat naar z'n vaderstad. Men begrijpt daar niet dat Hij meer is dan een mens, en denkt dat Hij gewoon zoon van Jozef is. Jezus refereert hier aan een 'bijbels principe', dat vele profeten in het OT niet gewenst waren in hun eigen steden. 'een profeet' slaat duidelijk op Jezus, maar
toch gebruikt hij een 3e persoon.
En dan nu matt.22:
quote:
Matt.22 - het begin van de confrontatie
15 Toen gingen de Farizeeën heen en beraadslaagden, hoe zij Hem in een strikvraag konden vangen. 16 En zij zonden tot Hem hun leerlingen, met de Herodianen, die zeiden: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en de weg Gods in waarheid leert en dat Gij U aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen. 17 Zeg ons dan, wat dunkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? 18 Doch Jezus doorzag hun valsheid en zeide: Wat verzoekt gij Mij, huichelaars? 19 Toont Mij het geldstuk voor de belasting. Zij brachten Hem een schelling. 20 En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit? 21 Zij zeiden: Van de keizer. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. 22 Toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich en zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg.
De Farizeeen hebben een probleempje met Jezus, en sturen hun
leerlingen en Herodianen (dus niet zijzelf!!!) op Jezus af met een politieke strikvraag. Geld aan de keizer geven was voor de farizieeen en hun leerlingen uit den boze, maar de Herodianen waren juist keizer-gezind! Jezus laat het hypocriete zien van het gebruik van munten van de keizer, door de joden (en dus ook door de farizeeen). De aanvallers druipen af.
quote:
het vervolg
23 Op die dag kwamen enige Sadduceeën tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem, (..een strikvraag..) 33 Hij is niet een God van doden, maar van levenden. En de scharen, die dat hoorden, stonden versteld over zijn leer.
De Sadduceeen komen Jezus nu met een theologische strikvraag in de val lokken. Ze vragen iets over de opstanding (wat hier overigens niet relevant is). Jezus droogt ze af en iedereen die het hoort is onder de indruk (behalve wellicht de afgedropen Sadduceeen!).
quote:
het vervolg:
34 Toen de Farizeeën gehoord hadden, dat Hij de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen, 35 en één van hen, een wetgeleerde, vroeg, om Hem te verzoeken: 36 Meester, wat is het grote gebod in de wet? 37 Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. 38 Dit is het grote en eerste gebod. 39 Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 40 Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.
Dan gaan de farizeeen zelf een dappere poging wagen. Ze stellen een vraag over de kern van God's wet. Jezus antwoord met twee OT-citaten, en dat is een correct antwoord. Plan van de farizeeen mislukt!
quote:
de conclusie
41 Toen de Farizeeën bijeen waren, vroeg Jezus hun, 42 zeggende: Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon. 43 Hij zeide tot hen: Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen, als hij zegt:
44 De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb.
45 Indien David Hem dus Here noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn? 46 En niemand kon Hem daarop iets antwoorden en evenmin durfde iemand van die dag af Hem meer iets vragen.
Dan is het de beurt aan Jezus. Na 3 aanvallen met strikvragen, laat Hij zien dat Hij dat spel ook kan spelen! Jezus stelt dus ook een
strikvraag: Hij vraagt wat ze denken van de Messias (de christus). Wiens zoon is hij? Uit welke geslachtslijn komt Hij? Een makkelijke vraag op het eerste gezicht, want de messias is een afstammeling van David, volgens de profetieeen! Dan komt echter de strik: David schrijft in een psalm, dat de Here (God) tot zijn Here (de messias) iets heeft gezegd. Jezus wijst ze er dus op, dat de messias wel uit de familie van David komt, maar dat de messias tegelijkertijd ook de Here van David is!
Juist in die tegenstelling zit 'm de strikvraag. De joden zijn klemgezet op hun eigen geschriften! Precies in de lijn van de 3 eerdere aanvallen, die ze zelf op Jezus gedaan hadden! Hier valt voor hen ook niet meer op te reageren. Als ze het er niet mee eens waren geweest hadden ze kunnen zeggen dat David op een andere Here doelde (misschien de Geest van God, of de Wijsheid van God, of misschien op Abraham of Mozes, of Adam,...) maar dat doen ze niet. Ze accepteren dat de messias zowel na als voor David is.
Jezus verwijst ze naar jesaja 9 waarin de messias kleurrijk wordt aangekondigd:
quote:
Jesaja 9
1 Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht. 2 Gij hebt het volk vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit. 3 Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag. 4 Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur. 5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. 6 Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen.
mijn conclusie: Jezus gebruikt wel vaker een 3e persoon als hij over zichzelf, of tegen anderen praat. Wat precies het doel is, hangt van de situatie af. Soms om afstand te scheppen, andere keren om te kunnen generaliseren, weer andere keren om een bepaald aspect van zijn persoon duidelijk te laten uitkomen.
nog een conclusie: In mattheus 22 wordt Jezus eerst drie keer met een strikvraag aangevallen, en Hij stelt zelf ook een strikvraag. Het is juist een strikvraag, omdat eruit blijkt dat de messias uit het geslacht van David is, maar tegelijkertijd de Here van David is.
Deze tekst bewijst dus niks over of Jezus een mens was met christus-geest in zich, ofdat Jezus gewoon de christus is, omdat beide interpretaties voor deze tekst kunnen bestaan.