quote:
P. Strootman schreef op 24 maart 2005 om 13:18:Nunc,
Vooral in je post van 22-3 vestigde je in het bijzondere de aandacht op het Zoon van God zijn van Jezus, alsof ik dat niet zou geloven. Jezus was inderdaad de Zoon van God, net zowel als Adam (zie het geslachtsregister). Maar wie is nu eigenlijk die Zoon in Hebr. 7, namelijk:' ....zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister (Jezus had wel een geslachtsregister), zonder begin van dagen of einde des levens, en, den Zoon van God gelijk gesteld, blijft Hij priester voor altoos'? Dat geldt onverkort voor de naam 'Christus". Er is een Christus wat het vlees betreft (Paulus), dus is er in de bijbel ook sprake van de Christus als Gods Geest.
JPiet Strootman
Piet, ik meen me toch te herinneren dat je in deze (of een andere) discussie hebt gezegd dat de brief aan de Hebreeen niet relevant was voor ons omdat ze (hoe verwonderlijk) aan de hebreeen en niet aan de heidenen is geschreven? Kom je daar nu op terug?
Wat betreft Melchizedek, waar het in hebr. 7 over gaat. Die wordt aangehaald, omdat geprofeteerd is van de messias (in psalm 110) dat die naar de orde/wijze van melchizedek priester zal zijn.
De briefschrijver (Paulus zelf? Barnabas of een andere leerling van Paulus?) schrijft eerst dat Jezus de hogepriester is:
quote:
Hebr. 4
14 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. 16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.
Ofwel: Jezus is onze grote hogepriester, en Hij kan met ons meevoelen, omdat Hij net als wij verzocht is geweest, MAAR zelf niet heeft gezondigd. Dan gaat de schrijver verder over het begrip 'hogepriester':
quote:
hebr. 5
1 Want elke hogepriester, die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te brengen voor de zonden. 2 Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is, 3 die hem verplicht evenzeer als voor het volk, voor zichzelf offers voor de zonden te brengen.
Ofwel: elke gewone hogepriester (die uit mensen genomen/gekozen wordt) is echter zelf ook zwak en zondig, en hij moet dus voor zichzelf
ook offers brengen. Dit wordt dus in contrast gesteld met Jezus, de grote hogepriester, die zonder zonde was.
quote:
hebr. 5
4 En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron. 5 Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak:
Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt;
6 zoals Hij ook op een andere plaats spreekt:
Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.
Ofwel: Hogepriester wordt je niet zomaar, daarvoor wordt je
uitgekozen door God. En aangezien Jezus ons grote hogepriester is, werd ook Hij uitgekozen voor die taak, zoals ook al in de psalm 2 en psalm 110 geprofeteerd was. Een 'bevestiging' of 'zalving' of 'wijding' van Jezus zodat Hij
officieel onze hogepriester wordt dus.
dan vervolgt de schrijver met wat Jezus gedaan heeft:
quote:
hebr. 5
7 Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, 8 en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, 9 en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, 10 door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchisedek.
ofwel: Jezus is in z'n aardse leven (implicerende dat Hij daarvoor al leefde en nu nog steeds) gehoorzaam aan alle wetten geweest (zodat Hij zonder zonde was). Voor ieder die hem gehoorzaamt is dat oorzaak van eeuwig heil geworden.
quote:
hebr. 5-6
11 Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen. 12 Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs.
(..)
1 Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, 2 van een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van een eeuwig oordeel; 3 en dat zullen wij doen, indien God het vergunt.
ofwel: eigenlijk is het bovenstaande simpele basiskennis, maar kennelijk zijn de lezers van deze brief zelfs op dit punt nog in onwetendheid.
Dan komt een intermezzo over afvalligen (hebr.6:4-8) en over volharding in de hoop (6:9-18).
quote:
Hebr. 6:19-20, 7
19 Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, 20 waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid.
1 Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, 2 aan wie ook Abraham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging (van zijn naam): koning der gerechtigheid, vervolgens ook: koning van Salem, dat is: koning des vredes; 3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos.
Als reden van die hoop waarin we moeten volharden, wordt Jezus gegeven (die een anker is!). Hij is namelijk die hogepriester naar de ordening van Melchisedek, waarna de schrijver een uitwijding maakt over wie Melchisedek was:
Hij was priester van de allerhoogste God
Hij zegende de aartsvader Abraham
Hij kreeg van Abraham tienden
Hij is naar uitlegging van z'n naam koning der gerechtigheid
Hij is naar uitlegging van z'n naam koning van Salem/vrede
Hij is 'zonder vader, zonder moeder'
Hij is 'zonder geslachtsregister'
Hij is 'zonder begin van dagen of einde des levens'
Hij is aan de Zoon van God (Jezus) gelijkgesteldHij blijft priester voor altoos.
De opsomming slaat duidelijk op Melchisedek, de mysterieuze figuur uit Genesis. Het kan zijn dat de schrijver hier alleen een parallel trekt tussen Jezus en Melchizedek in de laatste 2 vergelijkingen. Melchizedek was dan zo belangrijk dat hij vergeleken mag worden met de Zoon van God en dat Melchizedek ook na z'n dood priester blijft tot in eeuwigheid. Dus dan is het hele rijtje gewoon een opsomming over wie Melchizedek was, en dan is de gelijkstelling met de Zoon van God een toevoeging van de schrijver, een conclusie uit de voorgaande opsomming. Dan wordt er nog meer verteld over Melchizedek, en wordt de lijn gelegd met Jezus, die als evenbeeld van Melchisedek opstaat. (evenbeeld, omdat beide niet uit de priesterklasse kwamen - dus zonder vader uit die klasse en zonder moeder uit die klasse)
quote:
hebr. 7
15 En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere priester opstaat, 16 die dit niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke (afkomst), maar krachtens een onvernietigbaar leven. 17 Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek. 18 Want een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het zonder kracht en nut is, 19 – immers de wet heeft in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht – maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen. 20 En in zoverre het niet zonder een plechtige eed plaats had – want genen zijn zonder eed priester geworden, 21 maar déze met een eed bij monde van Hem, die tot Hem sprak: De Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid – 22 in zoverre is Jezus ook van een beter verbond borg geworden. 23 En zíj zijn in groter getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden het te blijven, 24 doch Híj heeft, juist doordat Hij in eeuwigheid blijft, een priesterschap, dat op geen ander kan overgaan. 25 Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. 26 Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; 27 die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht. 28 Want de wet stelt als hogepriester mensen, die met zwakheid behept zijn, maar het plechtige woord van de eed, die ná de wet kwam, stelt de Zoon, die in eeuwigheid volmaakt is.
Jezus is dus de hogepriester die voor altijd leeft, en op die manier ons volkomen kan behouden, omdat Hij continu voor ons kan pleiten bij God.
Dan sluit de schrijver af met de conclusie van dit (ingewikkelde) stuk:
quote:
Hebr. 8
1 De kern van mijn betoog is dat wij een hogepriester hebben die in de hemel plaatsgenomen heeft aan de rechterzijde van de troon van Gods majesteit 2 en die de dienst vervult in het ware heiligdom, de tent die door de Heer en niet door mensenhanden is opgericht. 3 Iedere hogepriester wordt aangesteld om gaven en offers op te dragen, en dus heeft ook hij iets nodig dat hij kan opdragen. 4 Op aarde zou Jezus geen priester zijn, want daar zijn al priesters die offergaven opdragen zoals de wet dat voorschrijft. 5 Zij verrichten hun dienst in wat de afspiegeling en de voorafschaduwing is van het hemelse heiligdom, zoals dat aan Mozes geopenbaard werd toen hij begon met het oprichten van de tabernakel: ‘Let erop,’ staat er immers, ‘dat je alles vervaardigt volgens het ontwerp dat je op de berg getoond is.’ 6 Maar Jezus is dus aangesteld voor een eerbiedwaardiger dienst, in die zin dat hij bemiddelaar is van een beter verbond, dat zijn wettelijke grondslag heeft gekregen in betere beloften.
Jezus (die in hoofdstuk 4 al hogepriester genoemd werd en daarna vergeleken werde met melchizedek) is dus onze hogepriester
in de hemel. Ik zie niet in waarom al het bovenstaande uit hebreeen op Christus moet slaan, aangezien juist
Jezus nadrukkelijk in de passages als onze
hemelse grote hogepriester die voor altijd leeft en voor ons pleit aangeduid wordt.
Wat wel opgemerkt moet worden, is dat een groot deel van hoofdstuk 7 over Melchizedek erg onduidelijk is. Het lijkt erop dat de schrijver aan een toendertijd gangbare uitleg van het genesis-verhaal over Melchizedek (en de psalm 110) uitgaat en vanuit die redenering duidelijk maakt dat Melchizedek een voorbeeld is van hoe Jezus is als hogepriester. Juist omdat er over hem niet gezegd wordt wie z'n ouders zijn, wanneer hij stierf (terwijl dat je ambs-termijn als priester beeindigde) kan de schrijver beargumenteren dat het doelbewust zo opgeschreven is, omdat Melchizedek een typering of 'vooruitwijzing' is van hoe Jezus voor eens en altijd onze hogepriester is geworden.
Jezus is dus niet zomaar 'zoon van God' maar Hij is
de Zoon van God, en
de grote hogepriester die ons met God verzoent. Gewone mensen worden door de bijbel soms ook wel zonen van God genoemt, maar dat zijn ze alleen
geworden door het offer van Jezus.