quote:
Liudger schreef op 11 mei 2006 om 22:33:[...]
Diak2, serieuze vraag, wat vind jij dan wat iemand zou moeten doen die zich katholiek voelt maar bijvoorbeeld niet in Jezus als deel van de Triniteit gelooft en niet in de presentia realis gelooft? Stel hij of zij wil niet scheuren, maar is er dan nog plaats in de RKK voor zo iemand? Zoals Nunc de PKN beschrijft, vind je dat te wijds worden, of kan dat nog in de RKK?
Daar zitten verschillende kanten aan. Ik zie er minstens vier voor mezelf:
- Wat zou zo iemand moeten doen?
- Hoe moet ik me, als medegelovige, verhouden tot zo iemand?
- Hoe moet ik me later, als geestelijke (ja, sorry, een diaken is een geestelijke, net als priester en bisschop

), tegenover zo iemand verhouden?
- Hoe moet de Kerk zich tegenover zo iemand verhouden?
Uitgangspunt is dus: iemand
is katholiek, ziet zichzelf ook als katholiek, maar wijst categorisch een geloofswaarheid af. In ons taalgebruik is sprake van ketterij. Immers: "Ketterij wordt genoemd: het, na het ontvangen van het doopsel, hardnekkig ontkennen of in twijfel trekken van een of andere waarheid die met goddelijk en katholiek geloof geloofd moet worden" (KKK 2089) en ketterij is een doodzonde, want "Het weloverwogen, dat wil zeggen willens en wetens, kiezen voor iets dat ernstig indruist tegen de goddelijke wet en de uiteindelijke bestemming van de mens, dat is doodzonde. Deze vernietigt in ons de liefde, en zonder de liefde is de eeuwige zaligheid niet mogelijk. Zonder berouw leidt ze tot de eeuwige dood. " (KKK 1874) En om daarin nog wat duidelijker te zijn: "Om van een doodzonde te kunnen spreken, moeten drie voorwaarden tegelijk vervuld zijn: "Elke zonde die een zwaarwegende materie tot object heeft en die begaan wordt met volle kennis en weloverwogen toestemming, is een doodzonde".
Doodzonde vereist: volle kennis en volledige instemming . Ze veronderstelt de kennis van het zondig karakter van de daad, van zijn strijdigheid met de wet van God. Ze veronderstelt ook een voldoende vrije instemming om een persoonlijke keuze te zijn. Voorgewende onwetendheid en verharding van het hart verminderen het vrijwillig karakter van de zonde niet, maar vergroten dit
De doodzonde is een radicale mogelijkheid van de menselijke vrijheid zoals de liefde zelf. Ze brengt het verlies mee van de liefde en van de heiligmakende genade, dit wil zeggen van de staat van genade. Wanneer ze niet vrijgekocht wordt door het berouw en de vergiffenis van God, dan veroorzaakt de doodzonde de uitsluiting uit het koninkrijk van Christus en de eeuwige dood van de hel, want onze vrijheid heeft de macht keuzen te maken voor altijd, onomkeerbare keuzen. Ook al kunnen wij oordelen dat een daad op zichzelf een zware fout is, het oordeel over personen moeten wij overlaten aan de rechtvaardigheid en de barmhartigheid van God. " (KKK, 3.1.1.8.IV)
Punt is wel, dat ketterij alleen betrekking heeft op geloofswaarheden, dogma's of leerstellingen dus. Punt is ook dat van hardnekkigheid en van keuze sprake moet zijn. Ik beperk me tot deze uiterste vorm, het moge duidelijk zijn dat bij minder ernstige vormen dezelfde overwegingen, maar in minder ernstige mate, spelen.
Wat zou zo iemand moeten doen?Degene die in staat van doodzonde is, is niet toegelaten tot een aantal sacramenten, met name tot de Eucharistie. Zo iemand zou dus voor zichzelf dienen te beslissen niet langer deel te nemen aan de Eucharistie. Verder zou zo iemand, bijna vanzelfsprekend, terug moeten keren van zijn ketterij, en zijn doodzonde in de biecht moeten neerleggen.
Punt is natuurlijk dat dat niet zal gebeuren. Immers, de vooronderstelling was: hij acht zichzelf niet in strijd met de Kerk. Of, wat in onze Kerk zeker zo populair is, hij zal vermoedelijk zeggen dat het van Rome dan wel niet mag, maar dat Christus het prachtig zou hebben gevonden. Dat is overigens in zichzelf al een ketterij, aangezien Christus en de Kerk, letterlijk, "in dezelfde Geest" spreken.
Voor de helderheid, wat zo iemand onder geen enkele voorwaarde zou moeten doen, is aan de zonde van de ketterij nog de zonde van het schisma ("vrijmaking") toevoegen.
Hoe moet ik me, als medegelovige, verhouden tot zo iemand?Van belang is om te beginnen het besef van mijn eigen zondigheid. Die verhindert me om de eerste steen te werpen, om enige straf te voltrekken. Vervolgens is van belang dat ik me realiseer dat mij geen oordeel toekomt, dat is aan God. Ik belijd immers de Zoon, die Heer is, en die zal komen oordelen, de levenden en de doden.
Moet ik dan maar zwijgen? Zeker niet. De eerste van de zeven geestelijke werken van barmhartigheid is immers: de zondaars vermanen. En de tweede: de onwetenden onderrichten. Maar het is van uiterst belang dat ik vermaan en onderricht in de bescheidenheid van mijn eigen besef van zondigheid, en in de liefde die tot barmhartigheid leidt.
Hoe moet ik me, later als geestelijke, verhouden tot zo iemand?De diaken in de RKK heeft een drievoudige taak: diakonie, verkondiging en dienst aan de tafel. De eerste taak is, voorzover op dit geval betrokken, pastoraal, persoonlijk. Ik denk dat de taak van de diaken naar hen die twijfelen, of weglopen van (delen van) het geloof, uiterst sterk in de relationele sfeer ligt. Je vertegenwoordigt de Kerk, die gemeenschap wil zijn, en je zal dus naast iemand moeten staan. Niet het argument, al helemaal niet de dreiging, maar het present trachten te stellen van Gods liefde, Gods aanvaarding tegen de menselijke afwijzing in. Het beeld van het huwelijk lijkt me van toepassing. Je herwint je partner in een crisis niet door je eigen gelijk te bevechten, maar door je partner te bevechten, door er te zijn, door je liefde niet voorwaardelijk te maken of te rantsoeneren.
In de verkondiging is het genuanceerd anders. Zoals voor priesters geldt: een leeuw op de preekstoel, een lam in de biechtstoel, zo zie ik het voor diakens niet heel anders, ook al horen ze geen biecht: in de prediking, in de verkondiging, moet duidelijkheid worden gegeven. Niet in de zin van "er zit hier iemand die fout zit", maar wel in de zin dat als er vragen heersen in de parochie, als mensen hun geloof verliezen, op punten betwijfelen, of misverstaan, zorgen voor duidelijkheid, zorgen dat je overbrengt wat ons geloof is, waarom het zo is, en handvatten bieden aan individuen om te hervinden wat men verloren is.
Hoe moet de Kerk zich tegenover zo iemand verhouden?Wel of geen Eucharistie? Excommuniceren wellicht? Alles hangt af van de uiting die de persoon in kwestie geeft aan diens ketterij. Een priester mag de Eucharistie niet weigeren, behalve indien iemand
publiek in staat van doodzonde leeft. Anders bestaat immers de kans dat het biechtgeheim wordt geschonden.
Het kerkelijk recht is wat explicieter, als het echt om ketterij gaat, dus de hardnekkige (bewuste, en bij volle kennis terzake) afwijzing of betwijfeling van een geloofswaarheid. Canon 1364 stelt: "1. Een geloofsafvallige, een ketter of een schismaticus loopt een excommunicatie van rechtswege op [...]
2. Als langdurige halstarrigheid of de zwaarte van de ergernis het eist, kunnen andere straffen toegevoegd worden [...]"
Van rechtswege betekent dat geen veroordeling door de kerkelijke rechtbank nodig is. Zodra je dus ketterij begaat, is de excommunicatie al een feit. Maar, let op, uit lid 2 kan je al begrijpen dat excommunicatie
niet betekent dat je uit de Kerk wordt gezet. En inderdaad, in canon 1331 valt te lezen wat een excommunicatie is: het is een verbod enige bediening te vervullen in de Eucharistie, sacrementen of sacrementalia te vieren of te ontvangen, en overigens verlies van alle kerkelijke functies, ambten, waardigheden of rechten. Uitzondering: in geval van levensgevaar mogen de sacramenten wel worden ontvangen, met name natuurlijk de biecht. Excommunicatie is dus een, in kerkelijke zin, pittige maatregel, maar het is niet verwijdering uit de Kerk. Wie eenmaal door de doop is opgenomen in het mystiek lichaam van Christus, kan daar door geen mens meer uit worden verwijderd, anders dan door Christus zelf. Niemand, onder welke omstandigheid dan ook, die katholiek is, kan ooit naar eigen keuze of als straf of anders, dat geestelijk merkteken verliezen.