Ik mag graag poezie lezen, katholiek zoals Dante, of bepaald onchristelijk zoals Baudelaire. Van een bij de strot grijpende zwartheid als Bloem, een voor weinigen te verstane diepe mystiek als Reve. Keats, TS Elliot, Ezra Pound, allemaal prachtige dichters, maar ik heb gemerkt dat het met poezie niet anders is dan met andere kunst. Als je de beeldtaal van de kunstenaar niet verstaat, kan je de kunst niet verstaan en ga je je eigen verstaan er in stoppen. Wat heb ik er aan om in de Bijbel te lezen over Lucifer, de morgenster, als ik niet weet dat die woordkeuze valt te herleiden naar Ovidius? Wat zegt me een regel als "Oh, to be in England / Now that April's there" als ik nog nooit in Engeland ben geweest in april, als ik zelfs geen idee heb van de lente op de groene eiland? Versta ik dan werkelijk wat ik lees, proef ik dan de diepte van het gedicht, of projecteer ik mezelf in het gedicht? En is dat fout?
Ik denk dat echte kunst zich onderscheid van kitsch, doordat het in staat is interactie met de kijker, lezer, luisteraar, waarnemer aan te gaan. Kitsch is niet meer dan een trigger voor basale emoties en een inhoudelijk leeg vel papier, een tabula rasa waar de waarnemer zijn eigen projecties in kwijt kan. Dat heeft ook een functie, maar het is vooral de functie van zelfbevrediging. Maar dat kunst die interactie kan aangaan wil niet zeggen dat het ook gebeurt. Kunst is inzichzelf levenloos en betekenisloos, als kitsch. Het is de waarnemer die een kunstwerk tot leven brengt en dan de interactie aangaat. Doe je dat niet, dan blijft het een object voor projectie van jezelf. Zelfbevrediging.
Kortom, ik kan het werk van Oosterhuis niet reduceren tot de woorden die er staan, gekleurd met mijn betekenis, mijn projectie. Want Oosterhuis produceert poezie, kunst, geen kitsch. Maar dan wil ik het ook behandelen als kunst, en het tot leven laten komen vanuit de beeldtaal van de auteur, vanuit de betekenis die hij er in heeft gelegd. Ik ben geen exegeet die probeert zo objectief mogelijk "Oosterhuis" te peuren uit zijn teksten, maar om de interactie aan te gaan, heb ik wel enige exegese nodig.
Licht dat ons aanstoot in de morgen, mag rustig één van de krakers heten van de "oecumenische kerk" die ik als student bezocht. Tekst en muziek samen maken het tot een knap geheel. En het paste goed in die oecumenische gemeenschap, waar het geloof vooral, zo niet uitsluitend horizontaal werd beleefd, waar "oecumenisch" stond voor "als de katholieken maar niet laten merken dat ze katholiek zijn" en voor "we zijn wel gereformeerd, maar daar moeten we vooral niet te zwaar aan tillen". Het soort omgeving waar Oosterhuis, getuige zijn vele, vele uitspraken zich uitstekend bij zou moeten thuisvoelen.
Licht dat ons aanstoot in de morgen,
voortijdig licht waarin wij staan
Lumen de lumine, van vóór alle tijden, door wie wij allen geschapen zijn. Nauwelijks zichtbaar voor wie het credo niet kent, evident voor wie dit wekelijks belijden mag, dit licht is het licht uit het licht, Jezus, eniggeboren Zoon van God door wie alles geschapen is.
koud, een voor een, en ongeborgen,
"wij" staan koud, alleen, ongeborgen. Dat is de condition humaine volgens Oosterhuis, die door de God die liefde is, maar die geen persoon is, moet worden bevrijd. Niet voor niets gebruikt hij het, op zichzelf prima, beeld van het licht uit licht, want bij oosterhuis geen persoonlijke God, geen mensgeworden Zoon, geen offer, geen verlossing, want ook geen erfzonde.
licht overdek mij, vuur mij aan.
Want dat is wat "het licht" moet doen, dat is de theologie van dit lied: pure, horizontale geloofsbeleving, God transcendent maar niet immanent, deïsme, geen theïsme en daarmee wezenlijk atheïsme.
Dat ik niet uitval, dat wij allen
zo zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen
en doelloos en onvindbaar zijn.
Waar God geen persoon is, niet immanent is maar slechts transcendent, is Gods genade overbodig en afwezig. Wat resteert is elkaars genade. De vraag is niet langer "verlost of niet verlost" maar "alleen, eenzaam, doelloos en nvindbaar" of "samen, in gemeenschap, in relatie tot elkaar". Niet voor niets spreekt het lied aan, want het grijpt aan bij heel menselijke behoeftes, de mens als sociaal dier, maar wel een dier. Een goddeloos dier.
Licht, van mijn stad de stedehouder,
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of
ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.
Het licht, dat blijkens het eerste beeld de Zoon zou moeten zijn uit het christendom, maar dat niet kan zijn, niet vanwege oosterhuis zelf, niet vanwege de rest van de tekst, is nu een licht in mij, een soort goddelijke vonk in mij die deze wereld afwijst en streeft naar een overwinning op deze wereld. Het licht als de christus in ons allen, en de Naam van de christus die stierf, noemt het lied niet eens, want waarom ook, die christus uit het evangelie voor de joden? Een christelijk lied? Ja, als esoterisch christendom christelijk mag heten, als gnostiek christelijk mag heten, dan wel.
Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.
Het apokalyptisch visioen ontdaan van kracht, van wreedheid, van de strijd en de pijn. Tegenspraak verdacht gemaakt, want "taal zal alleen verwoesting zaaien". Maar met de verlossing te ontdoen van haar weeën, ook ontdaan van haar kracht. Wie sterft, is niet meer, geen hemel of hel, want als het hart geen slagen meer heeft wordt het licht niet meer gehoord.
Ja Riemer Lap, Oosterhuis is een knap dichter. Leni Riefenstahl was ook een knap filmer. Maar ook knappe kunst kan soms een bepaald duistere boodschap brengen.