Mijn basisvisie op "Israël" en "de kinderen van God".
Ik heb veel teksten even onderaan gezet, zodat het betoog niet teveel onderbroken wordt door de teksten.
De teksten zijn gebaseerd op de Statenvertaling 1637 (SV), maar wel in normaal nederlands geschreven. Bij die normale nederlandse vertaling heb ik rekening gehouden met de vergelijkbare vertaling in de Jongbloed-editie, en met de engelse King James vertaling.
Ik noteer soms ook woorden uit de Herziene Statenvertaling (HSV), of de nieuwe Bijbelvertaling (NBV).
1. God is de God van ALLE mensen, van de hele wereld.
We zien bij Noach dat God zelfs een verbond met de hele aarde maakt, zelfs de dieren.
Niet een verbond "tot rechtvaardiging", maar een verbond dat Hij de aarde niet meer op zo'n manier zal vervloeken en straffen.
Maar dus wel een verbond "met de hele aarde".
2. Wij stammen allen van Adam af.
Adam wordt in de geslachtenlijst van Lucas 3 genoemd: [de zoon] van God.
(Gedachtenspinsel: Dan zijn wij toch allemaal "van God"?)
Er wordt o.a. in Romeinen 5 en vooral 1 Korinthiërs 15 een link gelegd tussen de zonde van Adam, waardoor allen moeten sterven, en de genade van God en de redding door Christus, voor ALLEN.
Dit is "DE" link tussen zonde en herstel, door genade.
Adam tegenover Christus.
Nog helemaal niks over 'alleen' maar "Israël".
Wel over "allen".
3. God sluit met Abram een verbond.
God doet enkele beloften aan Abram: dat hij de vader van een groot volk zal zijn (Gen. 15:5), en dat God hem het land Kanaän 'erfelijk' in bezit geeft (= voor Abram en zijn nageslacht, Gen. 15:7).
En dan sluit God het verbond met Abram inzake DEZE beloften (Gen. 15:18).
Zo'n 15 jaar later komt God opnieuw bij Abram, Genesis 17.
Het verbond wordt bekrachtigd, en de inhoud is opnieuw: Veel nageslacht, eeuwig bezit van het land Kanaän, en God zal "hun" God zijn.
Het verbond krijgt een teken: de besnijdenis.
En in Genesis 17:19-21 zien we dat God het verbond zal aangaan NIET met Ismaël (die overigens wel wordt gezegend), maar het verbond is met Isaäk.
Maar: betekent "ik zal uw God zijn" hetzelfde als "u zult rechtvaardig voor God zijn"?
4. Isaäk wordt geboren.
Op een gegeven moment wil Sara dat Ismaël wordt weggestuurd, omdat hij spottend lachte (Gen 21:9).
En dan volgt even later de bekende uitspraak: "in Isaäk zal uw zaad worden genoemd" (SV).
Ook wel: "want alleen het nageslacht van Izak zal uw nageslacht genoemd worden" (HSV).
Dan volgt het verhaal dat God Abraham oproept om Isaäk te offeren.
Als dat goed is afgelopen, zegt God: "In uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest zijt." (Gen. 22:18 SV).
Weer "alle volken".
Het verhaal over Isaäk komen we bij Paulus ook weer tegen in Galaten 3 (en ook in Galaten 4 vanaf vers 21 treffen we een bijzondere kijk van Paulus op het verhaal van Ismaël en Isaäk).
(Deze tekst citeer ik hier, omdat het belangrijk is voor het betoog. Ik heb enkele tussenzinnen weggelaten.)
3:6 Zoals Abraham God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend;
3:7 Zo verstaat u dan, dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.
3:8 En de Schrift, tevoren ziende dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden.
...
3:11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
...
3:13 Christus heeft ons verlost van den vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; ...
3:14 Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in (door) Christus Jezus, (en) * opdat wij de belofte van de Geest verkrijgen zouden door het geloof.
..
3:16 Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw zaad; hetwelk is Christus.
* het woord "en" in :14 staat soms wel en soms niet in een vertaling.
De belofte van het verbond met Abraham en zijn zaad heeft dus betrekking op (de komst van) Christus.
De belofte van God is voor Christus. Of om de bijbel te citeren: Het verbond dat eerder door God was bekrachtigd, was bekrachtigd op Christus (Gal. 3:17). En dat wordt door de wet, die later kwam, niet krachteloos gemaakt om de belofte teniet te doen.
In Galaten 3 vanaf vers 23 zien we dan dat de wet de tuchtmeester tot Christus, maar dat nu Christus gekomen is, wij niet meer onder de tuchtmeester zijn.
En door het geloof krijgen wij deel aan die belofte. Gal. 3:29 "En indien u van Christus bent, dan bent u Abrahams zaad, en volgens de belofte erfgenaam."
Zie de analogie met Genesis 22:18.
Ook al lezen we dus in Genesis eerst dat God zijn verbond aangaat met Isaäk en zijn nageslacht,
en KUN je dat daar nog opvatten als ALLEEN HEEL zijn nageslacht, wel zijnde het HELE volk Israël,
later in Genesis 22:18 gaat het over alle volken, maar ook weer in relatie tot "uw zaad".
Hier in Galaten gaat het over rechtvaardiging, maar dan gaat het NIET over "het zaad" in de betekenis van het volk Israël als nageslacht of alle volken, maar heel duidelijk alleen over Christus.
En het gaat over rechtvaardiging, en dan ook voor een ieder die "in Christus" is, door geloof.
En dan lees ik in Romeinen 9:6-8
9:6 Maar ik zeg dit niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
9:7 Ook niet omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Isaäk zal u het zaad genoemd worden.
9:8 Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend.
Als ik dit naast Galaten 3 leg, dan kan "de kinderen der belofte" toch niet hetzelfde zijn als "alle kinderen en het hele nageslacht van Isaäk"?!
5. Jakob.
Als Jakob wegvlucht van zijn ouderlijk huis, na het ontfrutselen van het eerstgeboorterecht en de zegen, spreekt God tegen hem, en bevestigt God de beloften aan Abraham en Isaäk ook aan Jakob. (Gen. 28:12-15).
Vervolgens lezen we hoe Jakob bij Laban leeft, daar zijn gezin en bezit krijgt, en na 20 jaar weer teruggaat.
Op de terugweg raakt hij in gevecht met God (Gen. 32:24-30).
God noemt Jakob daar Israël, "omdat hij zich vorstelijk heeft gedragen met God en met mensen."
Later in Gen. 35 bevestigt God dit nogmaals als Jakob in Bethel is (Gen. 35:10), en herhaalt God de beloften van veel nageslacht en het bezit van het land.
Merk op dat in Genesis het woord "verbond" niet wordt genoemd in relatie tot Jakob.
Wel lezen we later geregeld over het verbond met Jakob, bijv. in Exodus 2:24, als "het verbond met Abraham, Isaäk en Jakob". Zie ook Exodus 6:3-4.
6. Het beeld van de boom in Romeinen 11:16b e.v.
In het beeld gaat het over een boom, gedragen door de wortel.
Van die boom zijn (worden) takken afgesnoeid, en zijn (worden) 'wilde' takken geënt.
Ik vertaal dit maar even als een beeld van takken als "de kinderen van God", gedragen door de wortel, het Woord, Christus.
In het Oude Testament kwamen die "kinderen van God" vrijwel exclusief uit "het nageslacht van Israël".
En dit "Israël" was de nieuwe naam die Jakob. Ik duid 'dit Israël' verder aan als "de Hebreeërs", omdat Abraham "Hebreeër" werd genoemd (Gen. 14:13).
We discussiëren namelijk over de vraag of "Israël" ook een andere betekenis heeft, nl. in de betekenis van "alle" kinderen van God, uit en door geloof.
In het Oude Testament zien we God als "de God van Israël", waarmee primair is bedoeld dat Hij de God van de Hebreeërs was.
(Of het "Israël" daar ruimer zou mogen worden opgevat dan "alleen" de Hebreeërs, laat ik voor nu even in het midden, maar ik sluit het nu nog niet uit.)
In Romeinen 11 zien we dat takken van de boom zijn gesnoeid, en dat er 'wilde' takken worden geënt,
wat betekent dat gelovigen uit de heidenen worden toegevoegd aan "de kinderen van God".
Merk op dat menigeen veel betekenis legt in het onderscheid tussen enerzijds de oorspronkelijk boom, die "edel" of "goed" of "tam" is, en anderzijds de "wilde" boom die vaak toch als "minderwaardig" wordt beschouwd.
Er worden twee woorden voor (olijf)boom gebruikt.
Het ene is een boom die (zoals wij dat noemen) gecultiveerd is.
De andere is een in het wild groeiende boom.
Dat zegt volgens mij alleen iets over of een boom 'goed beheerd' is of niet, maar niets over de kwaliteit van de boom of zijn vruchten.
Let ook op de tekst in Romeinen 3:28-30.
Daar staat (SV): "Wij besluiten (concluderen) dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Is God een God van de Joden alleen? Niet ook van de heidenen? Ja, van de heidenen ook; Aangezien het één God is, die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof."
Dit klopt ook met met beeld van de boom.
De Hebreeërs ("de besnijdenis" = zij die besneden zijn) behoren "UIT" geloof tot de kinderen van God. Zij zaten al aan de boom.
En de heiden ("de voorhuid" = zij die niet besneden zijn en hun voorhuid dus nog hebben) "DOOR" geloof. Heidenen worden door het geloof aan de boom toegevoegd.
MAAR:
De rechtvaardiging is er alleen voor "de boom".
En uiteindelijk is er maar 1 weg tot rechtvaardigheid, en dat is geloof.
Door ongeloof wordt IEDEREEN, Jood en niet-Jood, gesnoeid.
(Want: de gesnoeide takken worden NIET terug-geënt als zij in hun ongeloof blijven. Rom. 11:20,23)
Betekent dat nu dat de geënte (wilde) takken zijn ingelijfd bij "de Hebreeërs"?
Nee: Ze zij ingelijfd bij "het volk van God".
Ze hoeven niet Joods te worden. We hoeven ons bijv. niet meer naar Joodse wijze lijfelijk te laten besnijden.
In dit kader begin ik dan bijv. ook Romeinen 9:6 e.v. te lezen als er staat: "want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn."
Dit betekent in mijn ogen toch echt: Niet iedere Hebreeër hoort tot Israël in de (geestelijke) betekenis van "de kinderen van God, door geloof".
Of in woorden van het beeld van de boom: niet iedereen die oorspronkelijk tot de boom behoorde, behoort dat nu nog steeds. Want er is gesnoeid.
7. Voor nu even afrondend:
Als de boom uit Romeinen 11 wordt aangeduid als "Israël", dan heeft "Israël" dus twee betekenissen.
Eerst in de betekenis van de Hebreeërs;
Maar daarna ook "de boom", zijnde de kinderen van God die gerechtvaardigd worden, Jood EN niet-Jood, al-aan-de-boom-zittend of erin-geënt.
Dat heeft m.i. niet met "vervanging" te maken in de betekenis dat het oude helemaal weg is, en er iets helemaal nieuws voor in de plaats komt.
Het betekent wel dat de manier waarover "Gods volk" werd gesproken is veranderd: in het Oude Testament bedoelden we daar toch meestal mee de Hebreeërs,
en nu "alle gelovigen, Jood en niet-Jood". In die zin is er wel 'iets' veranderd.
Maar de vraag is of dat ECHT zo is, of dat het alleen 'maar' met onze manier van denken te maken heeft.
Immers, daarom begon ik mijn betoog zo: vanaf het begin heeft God het ook over zegenen voor "alle volken", ruimer dan alleen de Hebreeërs.
Dit werd door Jezus ook gezegd, o.a.
Matt. 24:14 "En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen. "
En in Matt 28:19 bij de laatste instructies van Jezus: "Ga dan heen, onderwijst alle volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest; lerende * hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.
* "lerende" wordt ook wel vertaald als "maak ze discipel".
En daar zitten voor mij nu de vragen:
- Zijn de beloften van God alleen voor de Hebreeërs?
- Als ze ook voor ons zouden zijn, betekent dat dan dat wij (als christenen uit de heidenen) uiteindelijk ook weer in Kanaän worden gebracht?
- Als de 'eeuwigdurende' belofte van het bezit van het land Kanaän nog gelden, wat betekent dat nu dan voor de Joden? En voor ons?
Er zijn heden ten dage namelijk mensen die Jood zijn (ze zijn Hebreeër, afstammeling van de Joden), maar niet in Christus geloven.
Zijn dat dan 'gesnoeide' takken?
Dan zou onze houding naar hen NIET mogen zijn dat we op ze neer kijken, ze bespotten, zeggen dat het hun eigen schuld is, en wat al niet meer.
We moeten ze dan juist met extra liefde benaderen en opwekken tot bekeren, want dan worden ze weer terug-geënt.
Maar we moeten ze niet in slaap sussen met een twee-reddingsmethoden-leer, waarin je 'er ook wel komt' als je 'slechts' Jood bent.
==================================================
Teksten:
1)
Genesis 8:21 "En de HEERE rook die liefelijke reuk, en de HEERE zei in Zijn hart *: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel ** van 's mensen hart is boosaardig vanaf zijn jeugd; ook zal Ik voortaan niet meer al het levende slaan, zoals Ik gedaan heb."
* "In Zijn hart" betekent zoveel als: bij zichzelf.
** "Gedichtsel" = fantasie, verbeelding, gedachtespinsels (HSV).
Genesis 9:9-11 "Maar Ik, zie, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u; En met alle levende wezens, die met u zijn, van het gevogelte, van het vee, en van alle dieren van de aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte van de aarde toe. En Ik richt Mijn verbond op met u; dat niet meer alle vlees door de wateren van een vloed zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven."
2)
Romeinen 5:15 "Maar niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift. Want indien, door de misdaad van één, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van één mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen."
Voor de duidelijkheid ook de HSV: "Maar het is met de genadegave niet zoals met de overtreding. Want als door de overtreding van de ene velen gestorven zijn, veel meer is de genade van God en de gave door de genade die er is door de ene mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen."
1 Korinthiërs 15:20-21 "Maar nu, Christus is opgewekt uit de dood, en is de Eersteling geworden degenen die ontslapen * zijn. Want omdat de dood door een mens is, zo is ook de opstanding uit de dood door een mens. Want zoals in Adam allen sterven, alzo zullen in Christus allen levend gemaakt worden."
* "ontslapen": een mooie vertaling, want het grondwoord is een combinatie van slapen en gestorven zijn.
3)
Genesis 17:1-8
17:1 Toen Abram 99 jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God de Almachtige; Wandel voor Mijn aangezicht, en wees oprecht.
17:2 En Ik zal Mijn verbond stellen * tussen Mij en tussen u, en Ik zal u zeer zeer ** vermenigvuldigen.
17:3 En Abram viel op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:
17:4 Wat Mij betreft, zie, Mijn verbond is met u; en u zult een vader *** van een menigte volken zijn!
17:5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham ****; want Ik heb u tot een vader van een menigte volken gesteld.
17:6 En Ik zal u zeer zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.
17:7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
17:8 En Ik zal geven aan u, en uw zaad na u, het land waarin u vreemdeling bent, het hele land Kanaän, tot een eeuwige bezitting; en Ik zal hun God zijn *****.
* "Stellen" betekent hier zoveel als: bekrachtigen, toepassen, vernieuwen. Teruggrijpend op het eerder gesloten verbond in Genesis 15.
** "zeer zeer" is geen typfout. Om aan te geven dat het heel veel is. De SV heeft letterlijk "gans zeer" vertaald, de HSV "uitermate", en de NBV "veel, heel veel".
*** "Vader" heeft diverse betekenissen: vader, stamhoofd, leider, hoofd, voornaamste.
**** "Abraham": de vertalers van de SV geven in de kanttekening deze toelichting: In deze naam Abraham is de letter 'h' ingevoegd, zijnde de eerste van het woord "hamon" dat God hier gebruikt voor menigte of veelheid.
***** "Ik zal hun God zijn". De SV vertaalt "Ik zal hun tot een God zijn".
Genesis 17:19-21
17:19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw vrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Isaäk; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond, (en) met zijn zaad na hem.
17:20 En aangaande Ismaël, Ik heb u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem zeer zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij voortbrengen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;
17:21 Maar Mijn verbond zal Ik met Isaäk oprichten, die Sara u op deze gezette tijd in het naastvolgende jaar baren zal.
4)
Genesis 21:9-12
21:9 En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spottend lachen.
21:10 Daarom zei zij tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Isaäk, niet erven.
21:11 En dit woord was zeer kwalijk in Abrahams ogen, betreffende zijn zoon.
21:12 Maar God zei tot Abraham: Laat het niet kwalijk zijn in uw ogen over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zegt, hoor naar haar stem; want in Isaäk zal uw zaad genoemd worden *.
* "in Isaäk zal uw zaad worden genoemd": de HSV vertaalt: "want alleen het nageslacht van Isaäk zal uw nageslacht genoemd worden."
6)
Romeinen 11:20,23 inzake snoeien en ongeloof.
11:20 "Het is wel *; door ongeloof zijn zij afgebroken, en u staat door (het) ** geloof. ..."
11:23 "En ook zij, indien zij in (het) ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig om hen opnieuw in te enten."
* "wel": ook vertaald als "het is waar".
** "het" is niet in alle vertalingen terug te vinden.
Het opnieuw enten van gesnoeide takken gebeurt alleen door geloof, door niet in ongeloof te blijven.
-------------------------------------------------
edit: alleen een cursief-code gecorrigeerd.