De eerste dagquote:
Dat was de eerste dag. Die ter elfder ure waren ingehuurd waren blij en dankbaar want ze hadden niet verdiend, en wel gekregen. Ze hadden gewerkt en meer gekregen dan hun werken rechtvaardigden.
Die ter eerste ure waren ingehuurd waren ontevreden en voelden zich onrecht aangedaan; Want ze hadden meer gewerkt en hun werk was gelijk geworden aan het werk van een die haast niet had gewerkt.
De tweede dagDe tweede dag dan kwamen de werkers van het eerste uur op de markt en zagen de werkers van het laatste uur. De werkers van het laatste uur gingen op de plek staan waar zij dezelfde meester verwachtten. Want, zo zeiden zij, dit is een goede meester en waardig om voor te werken gedurende de gehele dag. En zij namen zich voor om uit te blinken in hun werk, en zo genade te verdienen in de ogen van de meester, die zoveel goedheid had bewezen te bezitten.
De werkers van het eerste uur echter hielden zich wat afzijdig, en zeiden bij zichzelven: laten wij eerst onze ochtend in vrijheid genieten of loon elders vandaan verdienen. Opdat wij na de middag ons opstellen op de plaats waar de goede meester wordt verwacht; en alsdan aldaar onze diensten aanbieden. Want wij weten dat hij beloont in gelijkheid, ongeacht de verrichtte werkzaamheden.
Zo deden zij en zo stonden ook zij dan in goede verwachting ter elfder ure, en vrolijk en blij zagen ze uit naar die goede meester. Blijdschap dat de goede meester ook de latere werkers gelijk aannneemt als de eerste werkers. Wat een vreugde! Wat een genade! Wat een liefde! Geen zorg hield hen bezig en geen angst sloeg hun om het hart.
Hoewel de dag haast voorbij was en geen loon nog was verdiend. En toen kwam de goede meester en zij riepen hem aan: Kom bij ons goede meester, want wij werken graag voor u en uw goedheid is groot en wij eren u als meest goede meester. Want u bent groot en barmhartig en maakt geen onderscheid tussen hen die veel werken en die weinig werken.
Het woord van de meesterDoch hij antwoordende zeide tot hen: Vrienden! U doet mij onrecht; Ben ik niet ook met de werkers van laatste uur gisteren een beloning overeengekomen
per uur? Dezen zijn nu mijn werkers van vandaag van het eerste uur. Want zij zijn blij dat zij voor mij werken mogen, en zij doen dat uit dankbaarheid en toegenegenheid, en vragen geen hogere beloning dan passend voor hun werk. En dat hebben zij ook eerder
nooit gevraagd !
Maar u ziet mijn genade die ik geef aan hen die zich inzetten maar onvolkomen werk leverden, en u zet zich in beraadslagingen neder en berekent de winst voor wie minder werkte en minder leverde en minder volkomen was in werkzaamheden. U gaat zelfs zover dat u het werk van het laatste uur gelijk durft te stellen met het werk van alle uren samen! Maar u vergist u; want voor alle werkers is de beloning per uur. Anders zou ik immers onrechtvaardig zijn tegen hen die de hele dag werkten! Maar wie voor mij werkt mag ik verzorgen naar wat hij nodig heeft naar mijn genade. Had ik u dat al niet uitgelegd?
U rekent de werkzamheden van de hele dag gelijkwaardig met het werk van één uur. Weet u waarom u zich vergist? U rekent met een ongeldige maat: U rekent met mijn genade en mijn barmhartigheid en mijn liefde, om daar onbarmhartigheid en ongenade en liefdeloosheid mee te wegen.
En door
mijn genade en barmhartigheid en liefde als maat van wegen te brengen in
uw werken, werkt u met ongeldige maten en ongelijke gewichten. U vraagt van mij meer dan is overeengekomen, en meer dan is toegezegd. Maar mijn genade en liefde en barmhartigheid zijn uitgedeeld om het goede en het liefdevolle en het rechtvaardige te bevestigen en te versterken. Niet om werken van leegheid te belonen. Maar zie; nu is u geen onrecht gedaan. U hebt zelf geen onrecht gedaan door pas op het laatste uur te komen; u bent zelf niet onrechtvaardig geweest met uw gedachte dat ik goedheid en genade en barmhartigheid ten volle uitstort (u hebt gelijk); u bent niet liefdeloos geweest door uw eigen plan voor de dag te trekken en de vrijheid te genieten in een goede verwachting van genadige winst zonder werken. Maar uw inzicht en gedachten over mij kloppen helaas niet. En daarom: in mijn wijngaard kan ik u niet plaatsen, want dan zouden de goede werkers van u vernemen dat ook de slechte werkers gelijk meedelen, en dat is niet zo. En zij zouden vernemen dat de beloning van de heer is geworden tot handelswaar van onrechtvaardigheid onder de werkers van de wijngaard, en dat is ook niet zo.
Zo zij u dan bekend dat ik mijn goedheid en mijn barmhartigheid en weldaad bewijs aan degenen uit de goede werkers die ik wil versterken en waarvan ikzelf beoordeel dat zij genade en barmhartigheid en liefde verdiend hebben. Maar dat kan nooit een basis zijn om onder de werkers slechtheid en onbarmhartigheid en onrechtvaardigheid toe te staan. Integendeel: ik verwacht van de werkers die goed hebben ontvangen ook dat zij zelf uitblinken in rechtvaardigheid en barmhartigheid in hun omgeving met wat aan hen is toebedeeld. Maar ik duld niet dat die goed hebben ontvangen en die nog goed hopen te ontvangen zichzelf rijk rekenen met het goede, en daardoor lui worden en onrechtvaardig.
Zou ik dat toestaan, dan zou elke stukje genade dat ik méér schenk dan overeengekomen, onmiddellijk leiden tot verwatering en inflatie van de overeengekomen prijs. Ja; als de geesten van de slechte werkers de overhand krijgen in de wijngaard, dan zal er een crisis uitbreken waarbij het goede verwatert en de inflatie van het geestelijke ook zelfs het laatste goede, waardeloos zal maken. Zullen er dan nog goede en trouwe knechten zijn in de wijngaard, zijn, die ermee rekenen dat ik gewoon vraag dat er gewerkt wordt zolang het dag is, en dat de werkers van de wijngaard recht en rechtvaardigheid moeten bewaren en bewerken?
De derde dagDe ontrouwe werkers vinden dit maar niks. En ze zetten zich neer en bedenken bij zichzelf hoe ze de werken van hun kunnen wegen tegenover de werken van de werkers die genade ontvingen.
Die waren immers in niets beter dan zij !!En ze gaan de derde dag bij de werkers staan van het laatste uur op de plek waar de goede meester gewoon was zijn werkers te komen halen.
Maar dan zeggen de goede werkers tegen hun: zoveel plaats is er niet bij deze heer, gaat u maar staan, wij werken wel in een andere wijngaard. De slechte werkers worden onzeker: zeggen ze dat nu om weer op een later uur te kunnen werken voor hetzelfde loon; of zijn ze zo goedgunstig en onbaatzuchtig dat ze hun goede plaats afstaan?
Maar de goede werkers onder de goede werkers, zij maken zich daarover geen gedachten. Zij hebben ontvangen van goedheid en zijn erdoor versterkt en geven uit wat zij hebben gekregen ook door. Ja; zij gaan werken in een andere wijngaard, en zien daar ook werkers van het elfde uur komen; en die moeten doen voor die dag met tien uren minder beloning. En zij nemen een deel van hun eigen loon, en ze geven het aan hun naaste werker.
Maar dat doen ook zij niet zonder maat van goedgunstigheid en persoonlijk inzicht. Want zo zeggen ze: wij hebben geleerd van goedheid en barmhartigheid; en we zien dat ook dezen goede werkers zijn, of behoeftig zijn, of buiten hun eigen oorzaak slechts geringe werken konden doen.
En de slechte werkers tussen de goede werkers, zij gaan en zij meten en proberen te doen wat moet gedaan worden. Maar zij kunnen niet zichzelf toerekenen om schade te lijden, en niet opbrengen om te delen wat zij hebben gekregen. Want
zij waren gekomen om zichzelf te verrijken en het eigen leven te vergemakkelijken. En zij hebben nooit gezien wat bij de goede meester te zien was, en dat is dat de
genade niet valt te claimen; en ook niet wordt gegeven naar beloning, maar naar goedgunstigheid en liefde. Wie niet in de liefde is, zal genade nooit kunnnen verdienen. Ook al doet hij nog zo zijn best, en zijn de vruchten niet te onderscheiden van hen die wel uit liefde werken.
En zo komen we dus tenslotte bij het aanstootgevende van het begin: Er zijn werkers die zeggen sprekers van goede werken te zijn, en zij roepen op tot werken en gehoorzamen en om meer liefde en gehoorzaamheid te tonen aan de goede meester.
En de bedenkers van de liefdeloosheid en van het onrecht, zij schimpen
zonder enige maat van weging (dat onderscheidt hen van de zoekers van waarheid die oprecht zoeken en begeren) dat de sprekers van recht en waarheid de farrizeeërs zijn uit de verhalen van liefdeloosheid. En anderen plaatsen goedbedoelend de luie werkers gelijk naast de ijverige werkers in de overweging dat voor God de laatste werker even goed bezig is als de eerste werker. En anderen beroepen zich zonder onderscheid erop dat de meester toch een goede meester is die uitblinkt in barmhartigheid en liefde en genade. [Edit:] En weer anderen spreken gewoon heel goede woorden van waarheid.
Maar wat wordt vergeten, dat is dat de sprekers van recht en waarheid niet interesant zijn. Of die zich wentelen in schuld of verheffen in rechtvaardigheid, dat is geheel niet relevant. Relevant is wat de woorden en de richtlijnen en de instructies zijn van de goede meester. En zoals de goede werkers en de slechte werkers op de marktplaats niet meer zijn te onderscheiden door de heimelijke innerlijke overleggingen van het hart, zo zijn ook de werken van de goede sprekers en de slechte sprekers niet te onderscheiden uit hun woorden. Maar wèl te onderscheiden uit alle woorden is de trouw tot het woord, en het dienen van woorden van recht en waarheid. En te onderscheiden is de gewilligheid, om te doen wat de meester vraagt.
Woord en Waarheid en vruchten van het geloofZo is er dus een niveau van woord en waarheid op welke wij spreken van God en Zijn Woord van Waarheid; en er is een niveau van goede werken, op welke de woorden die in het hart zijn ingeklonken, ingebed, en verankerd, ook tot bodem worden voor vruchten en werken die getuigen van de wijze waarop het woord ingang heeft gevonden tot het hart.
En de goede werkers, die wegen woord en waarheid en spreken woord en waarheid. En zij wegen vruchten en daden, en zij brengen hun eigen vruchten en daden. Maar de slechte werkers, die spreken goede woorden bij slechte werken, en ze tonen slechte werken bij goede woorden. Want zij bewegen van links naar recht en van boven en naar beneden om de genade en de weg van barmhartigheid te volgen. Zonder er zelf in te willen zijn.
En natuurlijk zijn er ook slechte sprekers, die toch werkers zijn van goede vruchten en goede sprekers die werkers zijn van slechte vruchten. Maar de oproep is om uit te blinken in goede vruchten op alle terrein en de oproep is om het goede te bewerken en te bevestigen. Zonder ophouden. Zonder achterom te kijken. Want van de eersten zullen er laatsten worden en van laatsten zullen er eersten blijken te zijn.
Hoe dan wel te rekenen met het goede van de goede meester?Wil je de barmhartigheid en de liefde en de genade van de goede meester overnemen om daar het goede mee te doen, dan mag je in je eigen leven dat wat aan jou gegeven is naar eigen goedgunstigheid doorgeven, of lenen en kwijtschelden, of zonder voordeel geheel ten dienste stellen van anderen. Maar wat je niet mag doen is de
werkers van het kwaad en de
luie en
onwillige dienstknechten voorhouden dat God hun ongerechtigheden niet toerekent.
Want die rekent God wel toe !!!
Mat.9:36 En Hij, de scharen ziende,
werd innerlijk met ontferming bewogen over hen,
omdat zij vermoeid en verstrooid waren,
gelijk schapen, die geen herder hebben.
Toen zeide Hij tot Zijn discipelen:
De oogst is wel groot;
maar de arbeiders zijn weinige;
Bidt dan den Heere des oogstes,
dat Hij arbeiders in Zijn oogst sture.