quote:
op 04 Nov 2003 15:21:26 schreef dsWim:[...]
Het boek Jozua leert ons juist dat het er om gaat dat Israël partij voor God moet kiezen (zie het overbekende slot)...
Die omkering is geen formaliteit: het antwoord 'nee' dat Jozua hier krijgt moet heel serieus genomen worden, net als overigens de reactie 'wat vraag je toch naar mijn naam' die Jakob bij de Jabbok krijgt.
God laat zich niet claimen voor onze zaakjes. Daar is zelfs een speciaal verbod (van de tien) voor: Gods naam niet ijdel gebruiken betekent dat je geen mensenideeën die niks betekenen (ijdelheid) mag verkopen onder de vlag van Gods wil. Ik wilde wel dat wat dit betreft ook onze onttrekkende broeders en zusters wat meer besef van God hadden

Ds. Wim, je laatste zin stuit me enigszins tegen de borst. Dit lijkt me toch een oordeel over het hart van een zeker aantal broeders en zusters. Maar dat daargelaten.
Mij vraag aan jou was of de toepassing die je maakt n.a.v. Jozua 5 terecht is.
Wordt met het neen van de man, die de HERE zelf blijkt te zijn, bedoeld dat Hij zich niet laat claimen voor onze, maar ook voor Jozua's zaakjes?
Ik heb met enkele tekstverwijzingen trachten duidelijk te maken dat dit m. i. gewoon niet kan omdat de HERE zich juist ten nauwste verbonden heeft aan Jozua zijn zaak omdat dat Gods zaak is. Gods oordeel kwam immers over de Kanaänieten/Amorieten omdat hun zonden ten hemel toe opgestapeld was, Gen. 15:16.
De statenvertalers schrijven bv. bij Jozua 5:14 dat het neen van de man slaat op het gedeelte van de vraag van Jozua of de man tot de tegenstanders behoort. Dat de man dus zegt dat hij niet behoort tot de tegenstanders.
Jij citeert alleen maar het neen van de man. Maar die vervolgt met te zeggen:"maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen".
En bij het "maar ik ben" schrijven de statenvertalers:"Te weten, Christus, die over het leger der Israëlieten, welke des HEEREN volk zijn, zorg draagt".
Los van bovenstaande uitleg van de statenvertalers, die geen ruimte laat voor jouw toepassing, kan je het antwoord van de man aan Jozua ook nog anders uitleggen.
Jozua ziet een man op zich afkomen met een uitgetrokken zwaard. Blijkens de vraag die Jozua stelt kan hij niet onderscheiden of deze man bij zijn manschappen behoort of bij de tegenstander. Misschien was zijn gezicht niet goed te zien, of was het nog niet helemaal licht.
Een alleszins begrijpelijke vraag dus in vijandelijk gebied.
Het neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN zou je dan ook kunnen uitleggen als: Ik behoor niet tot jouw manschappen en niet tot die van de tegenstander maar ik kom van boven, uit de hemel.
Maar deze uitleg laat de mogelijkheid nog helemaal open aan wiens kant hij staat. Het vervolg is dan volstrekt duidelijk aan wiens kant hij staat, nl. aan de kant van Jozua.
Daarbij wil ik verwijzen naar Exodus 23 vanaf vers 20 waar de HERE zegt:
"Zie, Ik zend een engel vóór uw aangezicht, om u te bewaren op de weg en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid hebt. Neem u voor hem in acht en luister naar hem, wees tegen hem niet wederspannig, want hij zal uw overtredingen niet vergeven, want mijn naam is in hem. Maar indien gij aandachtig naar hem luistert, en alles doet, wat ik zeg, zal Ik uw vijanden vijandig bejegenen, en, benauwen die u benauwen. Want mijn engel zal voor uw aangezicht gaan en u brengen naar de Amoriet, de Hethiet, de Perizziet, de Kanaäniet, de Chiwwiet en de Jebusiet, en Ik zal hen vernietigen".
Jozua 5 en 6 is het begin van de vervulling van het laatste vers hierboven geciteerd. Namelijk dat de HERE zelf die volken zal vernietigen.
En Hij komt naar Jozua toe om hem te laten weten dat de HERE niet alleen aan zijn kant staat maar ook om voor Jozua uit te trekken om Jericho te vernietigen.
Op basis van deze tekst uit Jozua de toepassing maken dat de HERE zich niet laat claimen voor onze zaakjes lijkt me dan ook volstrekt geen recht doen aan dit schriftwoord.
Want dit schriftwoord in zijn verband lezend leidt tot de conclusie dat Jozua's zaak Gods zaak is.
Dat was de spits van mijn vraag naar jouw toe ds. Wim.
Het heeft wat mij betreft dan ook niks te maken met datgene wat bezwaarden nu al of niet verkeerd doen.
Ook daar zal het gaan om de vraag, gehoorzamen zij aan het Woord van God ja of nee.
Maar het lijkt het erop dat jij wilt suggereren dat het Woord van God voor ons mensen niet zo duidelijk is dat je daaruit conclusies kan trekken.
En dat het volk Israël en wij voor God moeten kiezen lijkt me eveneens duidelijk.
Maar die keuze is er één in het Verbond dat de HERE met ons is aangegaan.
Zoals Hij Israël uitkoos om met Hem te leven in het Verbond, zo heeft Hij dat ook bij ons gedaan.
En dan mocht Israël toen, en wij nu, weten, dat als we luisteren naar zijn stem het ons wel zal gaan. Want dan staat Hij aan onze kant, en wij aan zijn kant.
Maar Hij is de eerste, dat is wat het slot van het boek Jozua zegt. Jozua 24 vanaf vers 1. Hij koos voor Israël, en ons nu, en vraagt, toen en nu, onze wederliefde voor Hem. In gehoorzaamheid aan zijn Woord.
En inderdaad, mensen-ideeën zijn ijdelheid. Maar als ze gebaseerd zijn op Gods Woord dan zijn ze niet ijdel. Want dan zijn het geen mensen-ideeën maar dan zeg je na wat God eerst heeft voorgezegd.